Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden en OZB-aanslagen voor de jaren 2023 en 2024 van twee percelen grond, omdat deze volgens hem onder de cultuurgrondvrijstelling vallen. Verweerder betwistte dit op grond van de korte pachtperiode en het ontbreken van bewijs voor bedrijfsmatige exploitatie op de waardepeildata.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de percelen feitelijk en bedrijfsmatig voor landbouw worden gebruikt, zoals blijkt uit verklaringen van belanghebbende, de pachtovereenkomst en luchtfoto’s waarop gewassen en bewerkingssporen zichtbaar zijn. De beperkte looptijd van de pachtovereenkomst staat niet in de weg aan de conclusie dat de grond ook buiten de pachtperiode voor landbouwdoeleinden wordt gebruikt.
Op grond hiervan is de cultuurgrondvrijstelling van toepassing en dienen de WOZ-waarden en OZB-aanslagen te worden vastgesteld op nihil. De beroepen worden gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en het griffierecht aan belanghebbende vergoed.