ECLI:NL:RBNHO:2026:510

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
11885533 \ CV EXPL 25-6204
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:119 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 22 RvArt. 139 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over precontractuele informatieplicht en oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomst

In deze civiele bodemzaak tussen een handelaar en een consument is verstek verleend tegen de gedaagde partij. De eisende partij vordert betaling van een bedrag vermeerderd met incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.

De kantonrechter toetst ambtshalve of aan de precontractuele informatieplichten volgens artikel 6:230l BW is voldaan. De eisende partij heeft dit niet gemotiveerd of onderbouwd, waardoor zij eenmalig wordt toegestaan dit alsnog schriftelijk toe te lichten. Tevens onderzoekt de rechter de toepasselijkheid en eerlijkheid van de algemene voorwaarden.

De incassokosten- en administratiekostenbedingen worden voorlopig als oneerlijk beoordeeld omdat zij onduidelijkheid en eenzijdige kostenbepaling bevatten, terwijl het rentebeding niet oneerlijk wordt bevonden. De eisende partij krijgt gelegenheid om zich hierover uit te laten. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de toelichting is ontvangen.

Uitkomst: De eisende partij krijgt gelegenheid om schriftelijk toe te lichten hoe is voldaan aan precontractuele informatieplichten en zich uit te laten over vermoedelijk oneerlijke bedingen; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11885533 \ CV EXPL 25-6204
Uitspraakdatum: 21 januari 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] B.V.
te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: Equilibristen gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen
De procedure
1.1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van
€ 2.454,78, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.2.
Hoewel de eisende partij dit strikt genomen niet heeft gesteld, gaat de kantonrechter er gelet op de aard en totstandkoming van de overeenkomst van uit dat de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
2.3.
De eisende partij heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende precontractuele informatieplichten. De eisende partij heeft namelijk nagelaten een toelichting te geven over de wijze waarop zij heeft voldaan aan de op haar rustende precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l BW.
2.4.
Weliswaar heeft de eisende partij producties bij de dagvaarding overgelegd, maar zonder toe te lichten welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt. Producties kunnen stellingen enkel ondersteunen en niet vervangen. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. [1] Het is dus aan de eisende partij om concreet aan te geven welke informatie in welke productie te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren).
De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat het ontbreken van een dergelijke onderbouwing in eventuele vervolgzaken [2] kan leiden tot afwijzing van de vordering.
2.5.
In dit geval en bij wijze van uitzondering zal de eisende partij echter eenmalig in de gelegenheid worden gesteld om bij akte toe te lichten op welke wijze zij bij het tot stand komen van de overeenkomst heeft voldaan aan de op haar rustende precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.6.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [3] Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.7.
Op de overeenkomst(en) zijn de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing verklaard: ‘Algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden’ van 1 juli 2022 (hierna: de algemene voorwaarden) en de ‘Algemene voorwaarden verhuur- en deelautobedrijven BOVAG’ van 1 februari 2022 (hierna: de BOVAG-voorwaarden).
2.8.
Artikel VI, lid 4 en 5 van de algemene voorwaarden betreffen een rente- en incassokostenbeding. Dat luidt als volgt:
‘4. In geval koper een of meer betalingsverplichtingen niet, niet tijdig, of niet volledig nakomt, is koper met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling tot en met de dag waarop koper de geldsom heeft voldaan aan ons de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro verschuldigd over alle te late betalen.
5. Tevens is koper de buitengerechtelijke en gerechtelijke incassokosten verschuldigd. Buitengerechtelijke incassokosten zijn alle kosten welke door ons worden gemaakt om tot incasso van de door koper uit de overeenkomst verschuldigde bedragen te geraken, zoals declaraties van advocaten en procureurs, deurwaarders, zaakwaarnemers en incassobureaus. De buitengerechtelijke incassokosten worden vastgesteld conform de Wet Incassokosten.’
2.9.
Het beding suggereert dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Hiervan mag niet worden afgeweken. Op dat punt is het beding te onduidelijk en onbegrijpelijk. Dat de eisende partij wel een veertiendagenbrief aan de gedaagde partij heeft verstuurd, doet daaraan niet af. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de bedongen afspraken houdt, is voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van het beding namelijk niet relevant. De conclusie is dat sprake lijkt van een oneerlijk beding. De kantonrechter is voornemens om het beding op dit punt te vernietigen en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. De eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld om zich over dit voornemen uit te laten.
2.10.
De voornoemde bedingen bevatten ook een rentebeding. Dat is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.11.
Artikel 14 van Pro de BOVAG-voorwaarden luidt als volgt:
‘1. Voor rekening van huurder zijn alle sancties en gevolgen van maatregelen die in verband met het ter beschikking hebben of gebruiken van het voertuig van overheidswege worden opgelegd, tenzij deze verband houden met een defect dat bij aanvang van de huur reeds aanwezig was of de sancties verband houden met omstandigheden die in de risicosfeer van verhuurder liggen.2. Krijgt verhuurder zo’n sanctie of maatregel opgelegd, dan moet huurder op verzoek van de verhuurder meteen de schade vergoeden. Ook moet huurder de administratiekosten met een minimum van 25,- betalen. Verhuurder dient die kosten zoveel mogelijk te beperken. Indien verhuurder in verband met enige gedraging of nalaten van huurder, zoals een verkeersovertreding, informatie aan autoriteiten verstrekt, is huurder gehouden de daarmee gepaard gaande kosten te vergoeden, met een minimum van 10,-.’
2.12.
De voorwaarde dat (kort gezegd) eventuele bekeuringen voor rekening van de huurder komen is op zichzelf niet oneerlijk, omdat het redelijk is dat de huurder zelf betaalt voor de verkeersovertredingen die met het gehuurde voertuig worden begaan. Ten aanzien van de administratieve kosten is het beding echter wel oneerlijk omdat het de eisende partij de mogelijkheid biedt om eenzijdig kosten te bepalen en door te belasten. Dat in het beding is opgenomen dat de kosten ‘zoveel mogelijk’ dienen te worden beperkt, neemt niet weg dat er geen objectief maximum voor de hoogte van de kosten is vastgesteld. Dit maakt het beding onevenredig nadelig voor de huurder. Daarom is het beding vermoedelijk oneerlijk. De kantonrechter is voornemens om het beding op dit punt te vernietigen en de gevorderde administratiekosten af te wijzen. De eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld om zich over dit voornemen uit te laten.
2.13.
Het andere beding dat op de vordering van toepassing is, namelijk artikel 8 lid 7 van Pro de BOVAG-voorwaarden, is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Conclusie
2.14.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld om bij akte toe te lichten op welke wijze zij bij het tot stand komen van de overeenkomst heeft voldaan aan de op haar rustende precontractuele informatieplichten. Daarnaast wordt zij in de gelegenheid gesteld om zich in de akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen.
2.15.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
2.16.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 18 februari 2026 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen bij akte de onder 2.13 bedoelde toelichting te geven;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404.
2.Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 maart 2026.
3.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).