ECLI:NL:RBNHO:2026:511

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
11894159 \ CV EXPL 25-6369
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArtikel 3 lid 3 Richtlijn 93/13/EEGArtikel 5 Richtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst parkeerplaats en vernietiging oneerlijke bedingen

De eisende partij, Stichting Ymere, vordert ontbinding van de huurovereenkomst voor een parkeerplaats, ontruiming, betaling van huurachterstand, gebruiksvergoeding, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten. De gedaagde partij is verstek verleend.

De kantonrechter toetst ambtshalve de algemene voorwaarden op oneerlijke bedingen conform Richtlijn 93/13/EEG. Artikel 4.1 over jaarlijkse huurprijsverhoging voldoet aan transparantie- en duidelijkheidseisen, maar artikel 4.2 over vijfjaarlijkse aanpassing aan de 'geldende markthuurprijs' is onvoldoende duidelijk en wordt vermoed oneerlijk. Ook het incassokostenbeding in artikel 10.1 is oneerlijk omdat het onbeperkte kosten toerekent en niet voldoet aan wettelijke vereisten.

De kantonrechter vernietigt artikel 4.2 en het incassokostenbeding voor zover het buitengerechtelijke kosten betreft. De huurprijs kan worden gebaseerd op het eerlijke artikel 4.1. De gevorderde incassokosten worden afgewezen, de overige vorderingen worden toegewezen. De gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen 14 dagen, betaling van €512,51 plus wettelijke rente, en een gebruiksvergoeding van €129,16 per maand na 30 september 2025. Proceskosten worden aan de zijde van de eisende partij toegewezen.

Het vonnis is gewezen door kantonrechter J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, een onduidelijk prijswijzigingsbeding en incassokostenbeding worden vernietigd, en de gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand en gebruiksvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11894159 \ CV EXPL 25-6369
Uitspraakdatum: 21 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Stichting Ymere
te Amsterdam
de eisende partij
gemachtigden: [gemachtigde] en mr. F.A. Rippen
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
De procedure
1.1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert ontbinding van een huurovereenkomst voor een parkeerplaats aan de [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde), ontruiming van het gehuurde met afgifte van alle toegangsmiddelen aan de eisende partij en veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van de huurachterstand en een gebruiksvergoeding voor iedere maand dat het gehuurde in gebruik blijft, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, gesloten op 24 september 2013. Gelet op de implementatie van de Richtlijn 2011/83 betreffende consumentenrechten per 13 juni 2014 wordt deze overeenkomst niet ambtshalve getoetst aan de informatieplichten van Afdeling 2B van Titel 5, Boek 6 BW.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.3.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [1] Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.4.
Op de overeenkomst(en) zijn de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing verklaard: ‘Algemene parkeervoorwaarden’ van Ymere (hierna: de algemene voorwaarden).
2.5.
Artikel 4 van Pro de algemene voorwaarden betreft een prijswijzigingsbeding. Dat luidt als volgt:
‘4.1 Ymere is bevoegd om de huurprijs van de parkeerplaats jaarlijks te verhogen. Deze verhoging volgt het totaal consumentenprijsindexcijfer voor alle huishoudens van het Centraal Bureau voor Statistiek.
4.2
Ymere is naast de jaarlijkse verhoging, bevoegd om telkens wanneer vijf jaren zijn verstreken sinds de ingangsdatum van de huurovereenkomst, de huurprijs aan te passen aan de geldende markthuurprijs.’
2.6.
Dit beding valt onder punt 1 onder j en l en punt 2 sub b en d van de bijlage bij Richtlijn 93/13/EEG. Deze bijlage bevat een indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. [2] Op grond van deze punten in samenhang met vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie [3] is een prijswijzigingsbeding slechts aanvaardbaar wanneer de gronden voor de prijswijziging in de overeenkomst of algemene voorwaarden worden genoemd en deze een geldige reden voor wijziging vormen. Het beding moet ook voldoen aan het transparantievereiste. Dit transparantievereiste moet ruim worden uitgelegd, en impliceert dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument bij het sluiten van de overeenkomst in staat moet worden gesteld om de concrete werking van het beding te begrijpen, en op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de – mogelijk aanzienlijke – economische gevolgen van het beding voor zijn financiële verplichtingen te beoordelen. De bedingen dienen duidelijk en begrijpelijk te zijn opgesteld. [4] Het betrokken beding moet voor de consument niet alleen grammaticaal duidelijk en begrijpelijk zijn, maar de economische redenen voor de toepassing van het contractuele beding en het verband van dat beding met andere bedingen van de overeenkomst moeten voor die consument eveneens duidelijk en begrijpelijk zijn. De consument dient verder een reële mogelijkheid te hebben om de overeenkomst op te zeggen in het geval van een eenzijdige wijziging.
2.7.
Artikel 4.1 van de algemene voorwaarden voldoet aan de hiervoor genoemden vereisten. Dat is daarmee niet oneerlijk. Dat geldt echter niet voor artikel 4.2 van de algemene voorwaarden. De kantonrechter oordeelt dat de term ‘geldende markthuurprijs’ onvoldoende duidelijk en begrijpelijk is voor een gemiddelde consument om in te kunnen schatten wat de hoogte van de (eventuele) vijfjaarlijkse verhoging zal zijn. Gelet hierop wordt dit gedeelte van het beding vermoed oneerlijk te zijn.
2.8.
Artikel 10.1 van de algemene voorwaarden betreft een incassokostenbeding. Dat luidt als volgt:
‘10.1 Indien de huurder in gebreke blijft in de verplichting welke door de wet of deze overeenkomst op hem rust en daarvoor gerechtelijk en/of buitengerechtelijke maatregelen getroffen moeten worden, komen alle daaruit voortvloeiende kosten voor zijn rekening. Hiertoe worden ook gerekend de wettelijke rente en eventuele BTW voor rekening van de huurder.’
2.9.
In dit beding wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Tot slot volgt uit de tekst van het beding dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de consument zijn contractuele verplichtingen niet nakomt, terwijl de wettekst voorschrijft dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd. Daarom is dit beding oneerlijk.
2.10.
De eisende partij heeft in de dagvaarding aangegeven zich bij voorbaat te refereren aan een eventueel oordeel over de oneerlijkheid van de bedingen in de algemene voorwaarden. Daarom vernietigt de kantonrechter artikel 4.2 van de algemene voorwaarden. Artikel 10.1 van de algemene voorwaarden wordt eveneens vernietigd, voor zover dit beding ziet op de buitengerechtelijke incassokosten.
2.11.
In dit geval heeft de vernietiging van het prijswijzigingsbeding geen invloed op de verschuldigde huurprijs. De gewijzigde huurprijs kan immers ook gegrond worden op het prijswijzigingsbeding van artikel 4.1 van de algemene voorwaarden, dat eerlijk is en in stand blijft. De vernietiging van het incassokostenbeding betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
Wat is toewijsbaar?
2.12.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden gelet op het voorgaande afgewezen. De vordering wordt voor het overige toegewezen omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Conclusie en proceskosten
2.13.
De vordering wordt (grotendeels) toegewezen.
2.14.
De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij om de parkeerplaats aan de [adres] te [plaats] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen, met afgifte van alle toegangsmiddelen aan de eisende partij;
3.3.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 512,51, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 november 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.4.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen van € 129,16 per maand, voor iedere maand dat de gedaagde partij het gehuurde in gebruik heeft na 30 september 2025;
3.5.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 145,45;
griffierecht € 340,00;
salaris gemachtigde € 135,00;
3.6.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).
2.Artikel 3 lid 3 Richtlijn Pro 93/13/EEG.
3.HvJ EU 26 april 2012, C-472/10, ECLI:EU:C:2012:242 en HvJ EU 21 maart 2013 (RWE Vertrieb), C-92/11, ECLI:C:EU:2013:180; zie ook het Rapport Ambtshalve Toetsing III pag. 35 en 36.
4.Artikel 5 Richtlijn Pro 93/13/EEG.