Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5117

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/15/376290 / JU RK 26-514
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige vertoont complexe gedragsproblemen en onacceptabel gedrag, waardoor eerdere hulpverlening onvoldoende resultaat heeft geboekt. De minderjarige verblijft sinds februari 2026 bij een jeugdhulpaanbieder en start binnenkort een intensief behandeltraject.

De moeder, belast met het ouderlijk gezag, heeft persoonlijke problematiek maar toont inzet om hulpverleningstrajecten af te ronden. De GI benadrukt het belang van verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar om continuïteit in hulpverlening te waarborgen en stelt voor de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden te verlengen. De moeder en familieleden steunen een kortere verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.

De kinderrechter oordeelt dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige niet kan worden weggenomen zonder verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. De ondertoezichtstelling wordt daarom met één jaar verlengd en de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden, waarbij het resterende verzoek wordt aangehouden. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er wordt een vervolgzitting gepland.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd met één jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden, met aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/376290 / JU RK 26-514
Datum uitspraak: 9 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclasseringte Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. E. Stam uit Heerhugowaard.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 30 maart 2026, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de oma moederszijde (mz) en aan de broer (mz) om tijdens de zitting aanwezig te zijn.
1.4.
De vader is, zonder afmeldbericht, niet verschenen.
1.5.
De zaak over [de minderjarige] is tijdens de zitting gelijktijdig behandeld met de zaak over haar halfzusje
[halfzusje], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] . [1]
1.6.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds februari jl. in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten bij [jeugdhulpaanbieder] (hierna: [jeugdhulpaanbieder] ).
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 10 april 2025 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 10 april 2026. Ook is bij deze beschikking een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, welke machtiging daarna is verlengd en nu nog duurt tot 10 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van één jaar. Zij verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI onderbouwt het verzoek als volgt. In het afgelopen jaar is er hulpverlening ingezet, maar dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. [de minderjarige] vertoont zelfbepalend gedrag en heeft heftig gedrag vertoond richting andere groepen, zoals het brandalarm activeren, stenen door ramen gooien en groepsgenoten pesten. Ook op school overschrijdt zij grenzen en vertoont zij onacceptabel gedrag. [de minderjarige] is beïnvloedbaar en kwetsbaar en er zijn zorgen over haar seksuele en sociale contacten. De inzet van creatieve therapie is onvoldoende om aan [de minderjarige] heftige en complexe problemen te werken. Een opname is noodzakelijk. Zij moet uit haar omgeving worden gehaald. Op 31 maart 2026 heeft de intake plaatsgevonden voor een klinische behandeling van [de minderjarige] bij [jeugdhulpaanbieder] (hierna: [jeugdhulpaanbieder] ). Hoewel de ouders willen meewerken met de hulpverlening, is het belangrijk dat de GI betrokken blijft. Er bestaat namelijk nog veel onduidelijkheid over het vervolgtraject voor [de minderjarige] .
3.3.
De vertegenwoordiger van de GI heeft hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat zij sinds twee maanden betrokken is als vaste jeugdbeschermer en dat de moeder niet altijd goed is geïnformeerd over de gezette stappen door de GI. De moeder heeft in de afgelopen periode hard aan zichzelf gewerkt. De GI is het eens met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden, waarbij het verzoek voor het overige wordt aangehouden. Een verlenging van zes maanden kan helpen om meer druk te zetten op de hulpverlening en op [jeugdhulpaanbieder] . Het is volgens de GI belangrijk dat de ondertoezichtstelling wel met één jaar wordt verlengd, om problemen met verlengingen van hulpverlening te voorkomen. [de minderjarige] gaat binnenkort starten bij [jeugdhulpaanbieder] . De GI hoopt dat daar ook systeemgericht kan worden gewerkt en dat [jeugdhulpaanbieder] kan meedenken over een terug-naar-huis-onderzoek, omdat [jeugdhulpaanbieder] specialistischer is dan [jeugdhulpaanbieder] en het terug-naar-huis-onderzoek tot nu toe alleen voor [halfzusje] is aangevraagd. De GI wil verder nieuwe multidisciplinaire overleggen opstarten.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder en haar advocaat hebben tijdens de zitting verzocht het verzoek toe te wijzen voor de duur van zes maanden en voor het overige aan te houden. Het gaat veel beter met de moeder. Zij heeft hard aan zichzelf gewerkt met behulp van hulpverlening. Het is kwalijk dat er in de afgelopen periode vaak is gewisseld van jeugdbeschermers en dat er door de GI niet goed is gecommuniceerd met de moeder. De moeder maakt zich zorgen om [de minderjarige] en zij wil al heel lang dat er hulpverlening wordt ingezet voor [de minderjarige] , zodat zij blij is met het traject bij [jeugdhulpaanbieder] . Uiteindelijk hoopt de moeder dat [de minderjarige] weer bij haar kan wonen en dat daarbij ook ambulante hulpverlening wordt ingezet. Daarom wil de moeder dat ook voor [de minderjarige] een terug-naar-huis-onderzoek wordt aangevraagd.

5.De mening van de oma (mz) en de broer (mz)

5.1.
De oma (mz) en de broer (mz) hebben tijdens de zitting aangegeven dat vooral een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van één jaar te lang is, omdat [de minderjarige] na deze lange tijd perspectief moet hebben op een terugkeer naar de moeder en op verbetering van haar situatie. Nu er al lange tijd bijna geen hulpverleningsstappen worden gezet, willen de oma (mz) en de broer (mz) dat daar druk op wordt gezet.

6.De mening van [de minderjarige]

6.1.
heeft aangegeven dat zij na het traject bij [jeugdhulpaanbieder] graag weer bij de moeder wil wonen, al begrijpt zij wel dat dat misschien veel is voor de moeder als ook [halfzusje] bij de moeder woont. Daarom wil zij dat de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden wordt verlengd. [de minderjarige] gedrag is verbeterd sinds zij bij [jeugdhulpaanbieder] verblijft. Zij krijgt huiswerk van school, wat zij vaak snel af heeft en daardoor verveelt zij zich. [de minderjarige] is sinds kort gestart met vrijwilligerswerk in een verzorgingstehuis.

7.De beoordeling

Verlenging ondertoezichtstelling
7.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
7.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Bij [de minderjarige] is sprake is van complexe gedragsproblematiek (waaronder zelfbepalend gedrag) en er zijn zorgen over haar schoolgang. Ook zijn er zorgen over haar zelfbeeld en seksuele ontwikkeling. In het afgelopen jaar is het nog niet gelukt om hier passende hulpverlening voor in te zetten. Het is daarom positief dat [de minderjarige] in mei 2026 start met een intensief traject bij [jeugdhulpaanbieder] en daar gemotiveerd voor lijkt te zijn. Bij [jeugdhulpaanbieder] kan mogelijk ook systeemtherapie worden ingezet. Na dit traject wil [de minderjarige] haar schoolgang ook weer oppakken, wat positief is. Bij de moeder is sprake van een cognitieve beperking en persoonlijke problematiek. Zij krijgt hulp van [hulpverleningsorganisatie] en het is erg positief dat zij zich in de afgelopen periode heeft ingezet om veel hulpverleningstrajecten af te ronden. De ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de moeder niet moet worden belast met het voeren van regie op hulpverlening. De GI moet er de komende periode voor zorgen dat de ingezette hulpverlening wordt voortgezet, dat het traject bij [jeugdhulpaanbieder] wordt opgestart en zij moet onderzoeken of/welke aanvullende hulpverlening nodig is om de situatie te verbeteren.
7.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De GI heeft tijdens de zitting toegelicht dat het voor het goed laten verlopen van de hulpverlening belangrijk is dat de ondertoezichtstelling met één jaar wordt verlengd, en niet met de door de moeder verzochte duur van zes maanden. Volgens de GI is het makkelijker om hulpverlening stop te zetten dan opnieuw aan te vragen. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] dan ook voor de duur van één jaar.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
7.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. [3]
7.5.
Zoals onder 7.2. genoemd, is er bij [de minderjarige] sprake van complexe gedragsproblematiek. Zij accepteert het gezag van de volwassenen om haar heen niet. [de minderjarige] gaat binnenkort starten met een intensief traject bij [jeugdhulpaanbieder] , waarvoor zij ook bij [jeugdhulpaanbieder] zal verblijven. De GI heeft tijdens de zitting aangegeven zich ervoor in te zetten om te zorgen dat [de minderjarige] daarna weer terug kan naar [jeugdhulpaanbieder] . Daarbij komt dat het belangrijk is dat er een terug-naar-huis-onderzoek wordt aangevraagd voor [de minderjarige] . In afwachting van het traject bij [jeugdhulpaanbieder] en het terug-naar-huis-onderzoek kan [de minderjarige] (nog) niet bij de moeder wonen. De kinderrechter is het met de moeder, de oma (mz), de broer (mz) en de GI eens dat het voor [de minderjarige] wel belangrijk is dat er duidelijkheid komt over haar opgroeiperspectief. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] daarom voor de duur van zes maanden en houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan.
7.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige]tot 10 april 2027;
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 10 oktober 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.4.
houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting begin oktober 2026;
8.5.
bepaalt dat de griffier de GI en de moeder oproept voor die zitting en dat de griffier de vader oproept voor die zitting als informant;
8.6.
bepaalt dat de griffier [de minderjarige] oproept voor een kindgesprek;
8.7.
bepaalt dat de GI de kinderrechter uiterlijk twee weken voor die zitting schriftelijk moet informeren over de actuele stand van zaken en of het resterende verzoek wordt gehandhaafd.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door mr. A.S. van Leeuwen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 21 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Bij de rechtbank bekend onder zaaknummer: C/15/376297 / JU RK 26-516.
2.Artikel 1:260 BW Pro.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.