Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5121

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/15/366656
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:96 lid 2 onder c BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 3:109 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding kosten verwijdering vervuild grondmateriaal en afwijzing tegenvordering contractuele boete

DBG aanvaardde in 2018 een opdracht om vervuild grondmateriaal van een sportveld te vervoeren en op te slaan op een terrein van eiser sub 2. Na een last onder dwangsom van de Omgevingsdienst verwijderde eiser sub 1 het materiaal zelf. Eisers vorderden vergoeding van gemaakte kosten en huur van opslagcapaciteit. DBG voerde verweer en stelde een tegenvordering in wegens vermeende schending van een concurrentie- en relatiebeding.

De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende hadden onderbouwd dat er een contractuele huurrelatie bestond tussen DBG en eisers, waardoor de primaire vorderingen op grond van wanprestatie werden afgewezen. Wel werd geoordeeld dat DBG onrechtmatig had gehandeld door het materiaal zonder toestemming langdurig op het terrein te laten liggen en niet te verwijderen ondanks verzoeken daartoe. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van € 93.114,10 aan eiser sub 2.

De tegenvordering van DBG werd afgewezen omdat DBG onvoldoende had onderbouwd dat eiser sub 2 het concurrentie- en relatiebeding had geschonden. De proceskosten werden aan DBG opgelegd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: DBG wordt veroordeeld tot betaling van € 93.114,10 schadevergoeding aan eiser sub 2 en de tegenvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/366656 / HA ZA 25-371
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
1.
[eiser 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 1],
2.
[eiser 2],
wonende te [plaats 2],
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] en ieder afzonderlijk [eiser 1] BV en [eiser 2],
advocaat: mr. P.A. Dijkstra,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DB GRONDSTOFFEN B.V.,
gevestigd te gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: DBG,
advocaat: mr. M. Drolsbach.
De zaak in het kort
DBG heeft in 2018 een opdracht aanvaard om vervuild grondmateriaal van een sportveld in te nemen. Dit grondmateriaal is vervoerd en opgeslagen op een terrein dat in eigendom is van [eiser 2]. Nadat de Omgevingsdienst een last onder dwangsom oplegde, heeft [eiser 1] BV het vervuilde materiaal vervolgens zelf verwijderd. [eisers] vorderen in deze zaak vergoeding van de daarvoor gemaakte kosten. Ook vorderen zij een bedrag aan huur van opslagcapaciteit. DBG voert verweer en stelt ook een tegenvordering in. Zij vordert [eiser 2] te veroordelen een bedrag aan een contractuele boete te betalen omdat hij een concurrentie- en relatiebeding zou hebben geschonden. De rechtbank wijst de vordering van [eisers] tot vergoeding van de gemaakte kosten grotendeels toe. Zij wijst de tegenvordering van DBG af omdat DBG onvoldoende heeft onderbouwd dat [eiser 2] het concurrentie- en relatiebeding heeft overtreden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken
- het verzoek van 2 december 2025 van de zijde van [eisers] om [betrokkene 1] in een andere zitting dan de mondelinge behandeling te horen als getuige. DBG heeft op dit verzoek gereageerd. De rechtbank heeft het verzoek op 3 december 2025 afgewezen
- de nagekomen producties 21 t/m 38 van DBG
- de nagekomen productie 21 van [eisers]
- de e-mails van partijen van 2 en 3 februari 2026 naar aanleiding van de vraag van de rechtbank aan [eisers] om een transcript aan te leveren van de volgens haar relevante passages van het door haar overgelegde audiobestand
- het bericht van [eisers] waarmee zij een transcript overleggen van delen van het audiobestand
- de mondelinge behandeling van 4 februari 2026, waarbij door mr. Drolsbach spreekaantekeningen zijn gebruikt en waarvan door de griffier voor het overige aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser 2] is (met zijn zoon [betrokkene 2]) bestuurder van [eiser 1] BV. Deze besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid heette tot 15 februari 2024 [eiser 1] Infra B.V. [eiser 1] BV biedt als onderneming uitgebreide transportdiensten aan. Zij is gespecialiseerd in het vervoer van materialen zoals zand, grond, grind, asfalt bagger.
2.2.
[eiser 2] is sinds 2007 eigenaar van het perceel aan de [adres] te [plaats 3] (hierna ook: het Terrein).
2.3.
DBG is een bedrijf dat zich bezighoudt met de groothandel in én op- en overslag van grondstoffen en overige bouwmaterialen en recycling. Zij levert bouwstoffen voor de grond-, weg-, water-, utiliteits- en woningbouw, ook in de vorm van zand, grond en menggranulaat. DBG is in 2015 opgericht door (een besloten vennootschap van) [eiser 2]: Cayenne B.V. Vanaf 2018 werden de aandelen gehouden door besloten vennootschappen van [eiser 2], [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. Genoemde natuurlijke personen waren de bestuurders van de DBG. Deze natuurlijke personen en hun vennootschappen die de aandelen in DBG hielden hebben op 8 mei 2018 een aandeelhoudersovereenkomst getekend. Daarin staat ook een non-concurrentie- en relatiebeding. Op 15 februari 2022 hebben de vennootschappen van [eiser 2] en [betrokkene 2] hun aandelen in DBG overgedragen aan DBG. Daarbij is [eiser 2] en [betrokkene 2] ontslag verleend als bestuurder. [betrokkene 1] is op 1 februari 2023 uit de functie van bestuurder getreden. [betrokkene 3] is bestuurder en via zijn vennootschap aandeelhouder van DBG gebleven.
2.4.
Grondbank Haarlemmermeer B.V. is opgericht in 2007 en houdt zich (onder meer) bezig met de behandeling van onschadelijk afval en de inname, opslag, beheer en bewerking van partijen grond. Vanaf de oprichting zijn GROBA GRONDBANKEN B.V. (hierna: Groba Grondbanken) en [bedrijf 2] B.V. de bestuurders van Grondbank Haarlemmermeer B.V. (hierna ook: de Grondbank).
2.5.
De Grondbank dreef haar bedrijf tot 2017 (mede) op het Terrein. Zij gebruikte het voor de tijdelijke opslag van materiaal dat vanaf een andere locatie was afgevoerd.
2.6.
Op 22 augustus 2018 heeft [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]) opdracht gegeven aan DBG om circa 1.400 ton vervuild materiaal afkomstig van een kunstgras voetbalveld van sportvereniging DVC te Amsterdam in te nemen. Het ging daarbij om zand in combinatie met stukjes (kunst)rubber, ook wel bekend als rubbergranulaat of rubberzand.
2.7.
Het opdrachtformulier van 22 augustus 2018 vermeldt – voor zover van belang – als laadlocatie Vikingpad Amsterdam, als stortlocatie Grondbank Cruq en als transporteur [bedrijf 2] [
rechtbank:[bedrijf 2] B.V.].
2.8.
Ook heeft op 22 en 23 augustus 2018 een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen DBG en [bedrijf 1] over een aantal praktische en financiële zaken. [betrokkene 1] bevestigde namens DBG de opdracht voor een aan DBG te betalen tarief van € 13,50 per ton. Daarbij schrijft hij onder andere dat het transport en de overname van het rubberzand inclusief huur depot ruimte en het ‘opdraaien’ van het materiaal voor rekening komt van DBG, dat de vrachtauto’s worden gewogen per vracht en dat de vrachten na het wegen naar het losadres “Grondbank Cruquius” zullen gaan.
2.9.
[bedrijf 2] ([bedrijf 2]) heeft het rubberzand eind augustus 2018 opgehaald bij DVC en vervoerd. DBG heeft met een factuur van 29 augustus 2018 € 38.338,90 (inclusief btw) aan [bedrijf 1] in rekening gebracht voor de inname van 2.347,04 ton rubberzand vanaf het Vikingpad te Amsterdam. [bedrijf 1] heeft dit bedrag aan DBG betaald.
2.10.
Op 16 juli 2021 stuurt [eiser 2] in de WhatsApp-groep: ‘DB Grondstoffen’ een foto van een berg zand, met daarbij het bericht:
Wanneer kunnen we deze wegrijden? De Grondbank ligt helemaal vol.
Op de overgelegde printscreen staat dat naast [eiser 2] ook [betrokkene 3] en [betrokkene 1] [
rechtbank: [betrokkene 1]] deel uitmaken van deze in deze WhatsApp-groep.
Vervolgens schrijft [eiser 2] op 17 oktober 2024, direct onder zijn bericht van 16 juli 2021:
Mogge. Wanneer komen jullie bovenstaande partij rubber ophalen?
De blauwe vinkjes onder de hierboven geciteerde berichten, wijzen erop dat de berichten door alle groepsleden zijn gelezen.
2.11.
In een e-mail van 28 oktober 2024 schrijft de bestuurder van Groba Grondbanken (medebestuurder van de Grondbank) aan [eiser 2] onder meer het volgende. [betrokkene 4] en hij zijn begonnen met het ontmantelen van de Grondbank. Daarbij heeft hij contact gehad met [betrokkene 3] (DBG) over de partij rubberzand die op het terrein aan de [adres] zou liggen. [betrokkene 3] heeft daarop gezegd dat hij niets met de partij te maken wil hebben en dat met de ontbinding van de aandeelhoudersovereenkomst van DBG finale kwijting zou zijn afgesproken.
2.12.
Met een brief van 20 januari 2025 gelast Omgevingsdienst Noorzeekanaalgebied de Grondbank om de partijen grond die al langer dan een jaar op het terrein liggen voor 20 februari 2025 af te voeren naar een erkende verwerker en/of een geschikte toepassingslocatie op last van een dwangsom van € 10.000 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 50.000. Daarbij schrijft de Omgevingsdienst onder meer het volgende. Bij een hercontrole door een toezichthouder op 6 september 2024 is geconstateerd dat dezelfde hoeveelheid afvalstoffen (grond) op het terrein aan de [adres] te [plaats 3] lag als eerder in maart 2022 na een fysieke en administratieve controle is geconstateerd. De opslag vindt (dus) langer plaats dan een termijn van ten hoogste één jaar. Daarmee is sprake van een onaanvaardbare inbreuk op het belang van de bescherming van het milieu.
2.13.
[eiser 1] BV heeft daarop een op het Terrein aanwezige partij rubberzand afgevoerd naar erkende verwerkers Granuband en Afvalzorg Nauerna. De begeleidingsbrieven van het transport van 15, 16 en 31 januari 2025 vermelden dat zowel ‘rubberen korrels’ als ‘extra reinigbare grond’ is afgevoerd.
2.14.
Met een factuur van 23 januari 2025 heeft Afvalzorg Nauerna € 56,496,60 exclusief btw in rekening gebracht bij [eiser 1] BV. De factuur vermeldt onder meer “zand met rubberkorrels GB Cruquius”. Met een factuur van 31 januari 2025 heeft Granuband € 28.642,50 exclusief btw in rekening gebracht bij [eiser 1] BV. Deze factuur vermeldt als projectnaam: “PR00033 – Grondbank Haarlemmermeer”
2.15.
Met een factuur van 24 maart 2025 brengt [eiser 1] BV € 218.364,41 in rekening bij DBG voor afvoerkosten, laad- en transportkosten, huur van het opslagterrein over de periode van 27 augustus 2018 tot en met 31 januari 2025 en een opslag van 12% aan algemene kosten.
2.16.
Met een e-mail van 2 april 2025 schrijft DBG dat zij de factuur niet in behandeling zal nemen, omdat de in rekening gebrachte kosten haar onbekend en onterecht zijn. [eiser 1] B.V. geeft daarop aan dat de kosten zeker bekend zijn bij DBG en dat de heer [betrokkene 3] meerdere keren per telefoon en per WhatsApp is gevraagd het materiaal zelf weg te halen, maar dit niet heeft gedaan.
2.17.
Vervolgcorrespondentie tussen de advocaten van partijen heeft niet tot overeenstemming geleid.
2.18.
Met een akte van cessie van 16 juni 2025 heeft de Grondbank aan [eisers] de vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 218.364,41 overgedragen, die zij stelt te hebben op DBG uit hoofde van een door DBG tegenover de Grondbank gepleegde onrechtmatige daad.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[eisers] vorderen – samengevat – dat de rechtbank bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Primair
I. voor recht verklaart dat DBG tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenissen tegenover [eisers];
II. DBG veroordeelt om € 218.364,41, of een in goede justitie te bepalen bedrag, aan [eisers] te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;
Subsidiair
III. voor recht verklaart dat DBG onrechtmatig tegenover [eisers] heeft gehandeld door het vervuilde materiaal langer dan één jaar op te slaan;
IV. DBG veroordeelt om € 136.064,24, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, aan [eisers] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;
V. DBG veroordeelt aan [eisers] € 82.300,17 aan huur te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;
Zowel primair als subsidiair
VI. DBG veroordeelt om € 2.866,82 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eisers] te betalen;
VII. DBG veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eisers] zeggen allereerst dat DBG gehouden is om huur te betalen en om de schade te vergoeden die [eisers] hebben geleden doordat DBG tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis (artikel 6:74 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). Zij voeren daarbij (samengevat) het volgende aan. DBG heeft in augustus 2018 de opdracht heeft aangenomen om vervuild materiaal (rubberzand) van een sportveld te verwijderen en naar de Grondbank te vervoeren. DBG sprak daarbij met de opdrachtgever ([bedrijf 1]) af dat de kosten voor opslag van het materiaal voor rekening van DBG zouden komen. Doordat DBG het materiaal in augustus 2018 heeft opgeslagen bij de Grondbank is er een contractuele relatie (verbintenis) ontstaan, op grond waarvan enerzijds de Grondbank dan wel [eiser 2] als eigenaar van het Terrein een gedeelte van het Terrein ter beschikking zou stellen voor de opslag van het materiaal en anderzijds DBG opslag-/huurkosten zou betalen aan de Grondbank dan wel (rechtstreeks) aan [eiser 2]. Uit de brief van de Omgevingsdienst blijkt dat materiaal maximaal 1 jaar mag worden opgeslagen. Dat betekent dat DBG het materiaal al in 2019 had moeten verwijderen. Dat heeft zij niet gedaan en daarom heeft [eiser 1] BV dit in januari 2025 moeten doen. [eisers] vorderen daarom vergoeding door DBG van de gemaakte kosten in verband met het (laten) afvoeren van het materiaal en de huur over de periode augustus 2018 tot en met januari 2025.
3.3.
Voor zover de rechtbank [eisers] daarin niet volgt doen, menen zij dat DBG op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro), althans zaakwaarneming, gehouden is om de door hen gestelde schade te vergoeden. Zij voeren daarbij (samengevat) het volgende aan. DBG heeft onrechtmatig gehandeld door het vervuilde materiaal zonder medeweten en toestemming van de Grondbank, althans [eiser 2], op te slaan op het Terrein en het vervolgens jarenlang onbeheerd op het Terrein te laten liggen. Dat laatste kwalificeert als een milieudelict. Dat geeft een onrechtmatige daad tegenover [eisers], omdat DBG daarmee in strijd met milieuwetgeving en daaruit voortvloeiende zorgplichten handelt. Omdat DBG het materiaal niet op eigen initiatief, maar ook niet op verzoek van [eisers] heeft verwijderd, waren [eisers] door de opgelegde last onder dwangsom genoodzaakt het materiaal zelf te verwijderen. Daarbij heeft [eiser 1] BV kosten gemaakt, die - als die niet worden vergoed door DBG - door [eiser 2] (in privé) gedragen zullen moeten worden.
3.4.
DBG voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], en vraagt [eisers] – uitvoerbaar bij voorraad – voor het geheel in de proceskosten te veroordelen.
3.5.
DBG voert (samengevat) het volgende aan. Zij is niet de eigenaar van de partij rubberzand die in januari 2025 door [eiser 1] BV is afgevoerd. DBG heeft het materiaal nooit in bezit gehad. [bedrijf 2] (en niet DBG) heeft in augustus 2018 het feitelijk vervoer van het materiaal uitgevoerd. DBG betwist dat zij deze partij heeft ontvangen en dat het materiaal naar het Terrein is vervoerd. Op luchtfoto’s uit 2018 en 2019 is geen berg rubberzand te zien op het terrein dat de Grondbank in gebruik had. Daarbij is van belang dat de Grondbank maar een gedeelte van het Terrein in gebruik had. Op het andere gedeelte van het terrein voerden andere vennootschappen van de [eiser 1] Groep, zoals [eiser 1] infra en [bedrijf 2], werkzaamheden uit, ook voor [bedrijf 1]. Als het materiaal wel op het Terrein is gestort, dan geldt dat de Grondbank langer dan drie jaar bezitter van het materiaal is geweest en daardoor eigenaar is geworden.
DBG betwist ook dat zij voor een (onder)huurovereenkomst voor opslag had met de Grondbank of (rechtstreeks) met [eiser 2]. Er is geen sprake geweest van aanbod en aanvaarding. Eisers kunnen dan ook geen betaling van huur vorderen en DBG is dan ook niet tekort geschoten in de nakoming van contractuele verplichtingen.
Als geoordeeld zou worden dat er wel een contractuele verplichting was om de grond binnen een jaar na opslag te verwijderen of dat DBG onrechtmatig handelde door dat niet te doen, dan doet DBG een beroep op verjaring. Zowel een vordering tot nakoming van een verbintenis als een vordering uit onrechtmatige daad verjaart door verloop van vijf jaren. Bij de stellingen van [eisers] zou het materiaal – bij een verplichting om het binnen een jaar te verwijderen – uiterlijk eind augustus 2019 afgevoerd moeten zijn. Dat betekent dat zowel een vordering op grond van wanprestatie als een vordering op grond van onrechtmatige daad is verjaard op 30 augustus 2024. DBG zegt ook dat zij nooit in verzuim is komen te verkeren zodat een schadevergoeding wegens wanprestatie niet aan de orde kan zijn en dat de gestelde kosten voor verwijderen ongebruikelijk hoog zijn. Ten slotte doet DBG een (voorwaardelijk) beroep op verrekening. Zij zegt dat zij aanzienlijke boetevorderingen op [eiser 2] heeft, omdat deze het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding heeft overtreden. Het totaal van deze boetes is zo hoog dat eventuele vorderingen van [eiser 2] op DBG daardoor volledig teniet worden gedaan.
In (voorwaardelijke) reconventie
3.6.
DBG stelt ook een voorwaardelijke tegenvordering in. Onder de voorwaarde dat de rechtbank in conventie een of meer onderdelen van de vorderingen van [eisers] toewijst, alsmede dat de in conventie gemelde verrekening geen volledige werking hebben gehad, vordert zij:
dat de rechtbank bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser 2] veroordeelt tot betaling van € 957.000 aan DBG, met veroordeling van [eiser 2] in de proceskosten in (voorwaardelijke) reconventie.
3.7.
DBG voert het volgende aan. [eiser 2] heeft het non-concurrentiebeding in de aandeelhoudersovereenkomst van 8 mei 2018 geschonden en heeft daardoor contractuele boetes verbeurt aan Panamera Holding B.V. (de vennootschap van [betrokkene 3]). In strijd met dit beding zijn met name Bnext, H&R, Ballast Nedam, BAM, [bedrijf 3] en Groba na 15 februari 2022 nog bediend door een of meer vennootschappen waarvan [eiser 2] (indirect) medebestuurder is. Deze boetes zijn per 30 juni 2025 opgelopen tot € 957.000. Panamera Holding heeft haar vorderingen op [eiser 2] overgedragen aan DBG. DBG heeft vervolgens aan [eiser 2] meegedeeld dat zij zich beroep op verrekening voor zover [eiser 2] werkelijk enige vordering op DBG zou hebben.
3.8.
[eisers] concluderen tot niet-ontvankelijk verklaring van DBG, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van DBG in de kosten van de procedure in reconventie. Zij voeren het volgende aan. [eiser 2] heeft het concurrentie/relatiebeding niet overtreden en is dus geen boete verschuldigd . Voor zover wel zou komen vast te staan dat hij het beding heeft overtreden, dan moet de boete (tot nul) worden gematigd. Ook heeft [eiser 2] dan gedwaald bij het aangaan van de verplichting, omdat het niet de bedoeling was dat hij zich beperkte te ondernemen met zijn andere familieondernemingen. Daarbij komt dat een door DBG boete maximaal € 479.000 bedraagt omdat de boete verdeeld moet worden over de (twee) aandeelhouders, dat de overdracht van de vordering aan DBG gebrekkig is en tot slot kan volgens [eisers] van verrekening van de vordering geen sprake zijn.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie
[eisers] hebben onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis door DBG.
4.1.
[eisers] stellen primair dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis door DBG. Volgens hen bestaat een contractuele huurrelatie tussen DBG en de Grondbank (of [eiser 2]), omdat de partij rubberzand voor DBG naar een door de Grondbank ter beschikking gestelde ruimte op het Terrein van [eiser 2] is gebracht. DBG zeggen dat DBG ingevolge die contractuele huurrelatie huur verschuldigd was én gehouden was het gedeponeerde materiaal te verwijderen.
4.2.
Nog los van de vraag of het materiaal op het Terrein van DBG was, is de rechtbank van oordeel dat [eisers] volstrekt onvoldoende hebben onderbouwd dat er een contractuele relatie bestaat tussen DBG en de Grondbank dan wel tussen DBG en [eiser 2] en/of [eiser 1] BV.
4.3.
Vast staat dat er geen schriftelijke huurovereenkomst of andere schriftelijke overeenkomst bestaat waarin afspraken tussen DBG en de Grondbank en/of tussen DBG en [eiser 2] en/of [eiser 1] BV over het materiaal zijn vastgelegd. Dat de Grondbank, een andere vennootschap of [eiser 2] (in privé) als eigenaar van het Terrein mondelinge afspraken heeft gemaakt met DBG over het gebruik van opslagcapaciteit op het terrein (en wat die afspraken dan inhielden) is – ook na vragen van de rechtbank bij de mondelinge behandeling – geheel onduidelijk gebleven.
4.4.
Dat DBG in haar e-mail van 22 augustus 2018 aan [bedrijf 1] schrijft dat de huur van de opslagcapaciteit voor haar rekening komt, zou een aanwijzing kunnen zijn van het bestaan van afspraken, maar dat is niet genoeg. Het is aan [eisers] om te stellen
watde gemaakte afspraken waren, door
wieen met
wiedie gemaakt zouden zijn inhouden en aan
wieDBG volgens die afspraken huur verschuldigd zou zijn. [eisers] hebben dat niet gedaan.
4.5.
Daarbij komt dat [eiser 2] ter zitting heeft verklaard dat het materiaal zonder zijn medeweten en zonder zijn toestemming tijdens zijn vakantie op zijn terrein is neergegooid, zodat niet gevolgd kan worden dat op het moment dat de partij rubberzand op het Terrein is gelost er met hem afspraken waren over het gebruik van de opslagcapaciteit en welk tarief daarvoor zou worden gerekend.
4.6.
[eisers] vorderen op dezelfde grondslag (de door hen gestelde huurovereenkomst) vergoeding door DBG van de kosten die [eiser 1] BV heeft gemaakt voor het (laten) afvoeren van het materiaal van het Terrein in januari 2025. Omdat [eisers] het bestaan van de huurovereenkomst onvoldoende hebben onderbouwd, kan niet geoordeeld worden dat DBG tekort is geschoten in de nakoming van verplichtingen uit die huurovereenkomst. De rechtbank zal dan ook niet voor recht verklaren dat DBG tekort is geschoten in de uitvoering van haar contractuele verplichtingen en zal DBG niet op die grond veroordelen om € 218.364,41 aan [eisers] te betalen. De primaire vorderingen van [eisers] zullen dan ook worden afgewezen.
De als subsidiair gestelde vorderingen: onrechtmatige daad
4.7.
Ook de subsidiaire vordering onder V. is aan te merken als een vordering tot nakoming van de door [eisers] gestelde huurovereenkomst. Omdat die huurovereenkomst niet is komen vast te staan, zal de rechtbank ook deze vordering afwijzen. Hierna zal de rechtbank beoordelen of DBG onrechtmatig heeft gehandeld tegen [eisers] Zij komt daarbij tot het oordeel dat dat inderdaad het geval is en dat DBG daarom gehouden is om schadevergoeding te betalen.
De partij rubberzand is van DBG
4.8.
DBG heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat het materiaal dat eind januari 2025 vanaf het terrein aan de [adres] te [plaats 3] is afgevoerd niet van haar is. Zij zegt onder meer dat niet duidelijk is dat de grond die augustus 2018 naar het Terrein is afgevoerd en dat – als dat wel het geval zou zijn – niet duidelijk is dat het rubberzand dat in januari 2025 is afgevoerd dezelfde partij rubberzand is die in augustus 2018 bij sportvereniging DVC is opgehaald. De rechtbank volgt DBG hierin niet. [eisers] hebben – bij de enkel algemene betwisting door DBG – voldoende onderbouwd dat het rubberzand dat in januari 2025 van het Terrein is afgevoerd (een deel van) het rubberzand was dat DBG in 2018 in opdracht van [bedrijf 1] vanuit Amsterdam heeft afgevoerd om het over te nemen en op te slaan.
4.9.
Vast staat dat [bedrijf 1] op 22 augustus 2018 aan DBG de opdracht heeft verstrekt om een partij rubberzand van circa 1.400 ton af te voeren vanaf sportvereniging DVC in Amsterdam. Dat DBG die opdracht heeft aangenomen volgt onder meer uit het opdrachtformulier, waarop bovenaan het logo van DBG is vermeld en de e-mailwisseling op 22 en 23 augustus 2018 waarin [betrokkene 1] (op dat moment nog medebestuurder van DBG) de opdracht aan [bedrijf 1] bevestigt namens DBG. De e-mails van [betrokkene 1] aan [bedrijf 1] zijn alle afkomstig van een DBG e-mailadres en sluiten alle af met de digitale handtekening van [betrokkene 1] waarin het logo van DBG is verwerkt. Ook maakt [betrokkene 1] in zijn e-mail van 22 augustus 2018 nog nadere afspraken met [bedrijf 1] over de verdeling van de kosten en het door [bedrijf 1] te betalen tarief. [betrokkene 1] schrijft namelijk:
Transport/overnamen van het rubberzand incl. huur depot ruimte en opdraaien hiervan is voor rekening van De Beste Grondstoffen.[rechtbank: uit de rest van de mail volgt dat bedoeld wordt:
DBG].
Ook hieruit volgt dat DBG de opdracht aannam de grond te transporteren en over te nemen. Vervolgens heeft [betrokkene 1] op 23 augustus 2018 de e-mailcorrespondentie met daarin de met [bedrijf 1] gemaakte afspraken ter kennisgeving doorgestuurd aan [betrokkene 3] (op dat moment medebestuurder en de huidige bestuurder van DBG). Ook heeft DBG met de factuur van 29 augustus 2018, waarop opnieuw het logo van DBG staat, een bedrag van € 38.338,90 (inclusief btw) in rekening gebracht bij [bedrijf 1] voor de uitvoering van de werkzaamheden. De factuur vermeldt het bankrekeningnummer van DBG en niet betwist is dat [bedrijf 1] het in rekening gebrachte bedrag aan DBG heeft betaald.
4.10.
DBG zegt vervolgens dat de Grondbank de partij rubberzand van het DVC-terrein niet heeft ontvangen. Zij voert daarbij aan dat de verplichte begeleidingsbrieven ontbreken. Daardoor is niet te herleiden naar welke stortlocatie de partij rubberzand is vervoerd. Ook brengt zij naar voren dat op luchtfoto’s van het Terrein uit 2018 en 2019 geen berg rubberzand te zien zou zijn. Dit betoog slaagt niet.
4.11.
Zoals hiervoor uiteengezet is voldoende onderbouwd dat DBG met [bedrijf 1] is overeengekomen het rubberzand te verwijderen en over te nemen. Op het formulier van de opdracht staat dat het rubberzand bij de Grondbank [plaats 1] gestort zal worden. [betrokkene 1] schrijft dit ook in zijn e-mail van 23 augustus 2018. Daaruit komt in beginsel voldoende naar voren dat DBG het rubberzand op het deel van het Terrein zou storten dat de Grondbank in gebruik had. DBG trekt dat in twijfel, maar heeft ook bij de mondelinge behandeling niet kunnen aangeven naar welke andere locatie zij het rubberzand dan zou hebben laten afvoeren. Omdat zij de overeenkomst met [bedrijf 1] is aangegaan en zij [bedrijf 1] daar ook voor gefactureerd heeft, mocht dat wel van haar verwacht worden. Bij die stand van zaken volstaat een algemeen verwoorde betwisting niet. [eisers] hebben daarom voldoende onderbouwd dat DBG het rubberzand van het DVC-terrein in 2018 op het Terrein heeft laten storten.
4.12.
De luchtfoto’s uit 2018 en 2019 doen daar niet aan af. Bij de mondelinge behandeling heeft de rechtbank samen met partijen de luchtfoto’s uit 2018 en 2019 bekeken. Zij heeft vastgesteld dat op deze foto’s (voor beide jaren) verschillende bergen materiaal te zien zijn. [eiser 2] heeft op de luchtfoto uit 2018 aangewezen welke berg materiaal volgens [eisers] de partij rubberzand van het DVC-terrein is DBG in 2018 naar het Terrein heeft laten vervoeren. Daarna heeft hij op de luchtfoto uit 2019 aangewezen waarnaar de partij rubberzand nadien zou zijn verplaatst. De rechtbank heeft kunnen vaststellen dat op die aangewezen plaats op de luchtfoto uit 2019 inderdaad materiaal zichtbaar is. Mede gelet op het ontbreken van een uitleg van DBG over een andere wijze waarop de grond zou zijn afgevoerd, acht de rechtbank voldoende onderbouwd dat de door [eiser 2] op de luchtfoto’s aangewezen partijen, de partij rubberzand is die DBG in opdracht van [bedrijf 1] in augustus 2018 heeft overgenomen en afgevoerd.
4.13.
Anders dan DBG stelt zijn de Grondbank, [eiser 1] BV en/of [eiser 2] niet de eigenaar van de partij rubberzand geworden. Weliswaar geldt als hoofdregel dat wordt vermoed dat een houder van een goed het goed voor zichzelf houdt [1] , maar uit de hiervoor besproken administratie volgt dat DBG de opdracht heeft aangenomen en het rubberzand heeft opgeslagen. Dat zij dat op het Terrein gedaan heeft, maakt niet dat de Grondbank, [eiser 1] BV en/of [eiser 2] het rubberzand voor zichzelf zijn gaan houden. Daarbij komt dat DBG niet voldoende heeft onderbouwd wie het materiaal wanneer voor zichzelf is gaan houden. Daarmee heeft DBG onvoldoende onderbouwd dat een ander dan zij door verjaring eigenaar is geworden van het materiaal.
4.14.
[eisers] hebben ook voldoende onderbouwd dat het in januari 2025 afgevoerde materiaal, deel is van dezelfde partij rubberzand die in augustus 2018 door/namens DBG op het Terrein werd opgeslagen. [eiser 2] heeft met WhatsAppberichten van 16 juli 2021 en 17 oktober 2024 aan DBG gevraagd wanneer de partij rubberzand afgevoerd kon worden, dan wel door DBG zou worden opgehaald van het Terrein. Bij het bericht van 16 juli 2021 heeft [eiser 2] een foto van het rubberzand gevoegd. Daarbij heeft ook de Omgevingsdienst bij een controle door de toezichthouder in maart 2022 vastgesteld dat de partij rubberzand aanwezig was en dat bij een hercontrole op 6 september 2024 dezelfde hoeveelheid materiaal nog steeds aanwezig was. Bij de niet (voldoende) onderbouwde betwisting door DBG staat daarmee vast dat het rubberzand dat in 2025 verwijderd is deel was van de partij rubberzand van het DVC-terrein en dat DBG deze partij jarenlang op het Terrein heeft laten liggen.
DBG heeft onrechtmatig gehandeld tegenover [eisers]
4.15.
[eisers] stellen dat DBG onrechtmatig heeft gehandeld door het materiaal in strijd met milieuregelgeving jarenlang onbeheerd te laten liggen op het Terrein én doordat DBG, ook na verzoeken daartoe van de eigenaar van het Terrein, het rubberzand niet heeft verwijderd.
4.16.
Onweersproken is dat het materiaal tijdens de vakantie van [eiser 2] zonder zijn medeweten op het terrein aan de [adres] is gelost. Hoewel [eiser 2] vervolgens (kennelijk) enige tijd heeft geaccepteerd dat het materiaal er lag, heeft hij DBG op 16 juli 2021 per Whatsappbericht aan DBG gevraagd:
Wanneer kunnen we deze wegrijden? De Grondbank ligt helemaal vol.
Daaruit is af te leiden dat het niet de bedoeling van [eiser 2] is geweest dat DBG het materiaal voor altijd op het Terrein mocht laten liggen. Dat ligt gezien de (vervuilende) aard van het materiaal ook niet voor de hand. In dat kader hebben [eisers] nog aangevoerd dat DBG kort na augustus 2018 een aanvang heeft gemaakt met het scheiden van de materialen in het rubberzand, maar daarmee zijn opgehouden. DBG heeft dat niet anders betwist dan dat het materiaal niet door haar gestort is. Deze stelling van [eisers] ligt echter wel in lijn met het feit dat er in 2025 minder vervuilend materiaal van het Terrein is afgevoerd dan in 2018 van het DVC-terrein is afgevoerd. Voor zover DBG inderdaad een begin heeft gemaakt met het scheiden van de materialen is dit opnieuw een aanwijzing dat DBG het materiaal niet onbeperkt mocht laten liggen.
[eiser 2] heeft DBG op 17 oktober 2024 (opnieuw) gevraagd om de partij rubber op te halen. DBG heeft op die Whatsappberichten niet gereageerd en ook heeft zij geen gehoor gegeven aan de verzoeken het materiaal van het terrein af te voeren, ook niet toen Bouwe Groot dit in oktober 2024 dit namens [eisers] vroeg. [betrokkene 3] heeft niet betwist dat hij toen heeft aangeven dat hij niets met de grond te maken wilde hebben.
4.17.
Hoewel [eiser 2] (kennelijk) enige tijd heeft geaccepteerd dat het materiaal op het Terrein lag, had hij het recht om DBG aan te zeggen dit gebruik van zijn terrein te beëindigen. Hij heeft DBG per WhatsApp verzocht om het materiaal te verwijderen en later ook nog eens via de heer Groot. Die laatste heeft per e-mail bevestigd dat DBG hem heeft gezegd dat zij niets met het materiaal te maken wil hebben, mede omdat er in een aandeelhoudersovereenkomst finale kwijting is afgesproken. DBG heeft onrechtmatig gehandeld tegenover [eiser 2] door het rubberzand dat zij op het eigendom van [eiser 2] heeft laten storten, niet op (meermaals) verzoek van of namens [eiser 2] te verwijderen. Door het rubberzand niet te verwijderen heeft zij gehandeld in strijd met wat volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. DBG zal in beginsel de schade moeten vergoeden die [eiser 2] daardoor heeft geleden.
DBG moet in beginsel € 93.114,10 aan schadevergoeding betalen
4.18.
Omdat DBG geen gevolg gaf aan de verzoeken het materiaal te verwijderen heeft [eiser 2] – mede om te voorkomen dat zij aanzienlijke dwangsommen zou verbeuren – de partij rubberzand moeten laten afvoeren naar afvalverwerkers. Hij heeft daarvoor kosten moeten maken. [eisers] begroten het door DBG te betalen bedrag, blijkens de opstelling van 24 maart 2025, op € 218.364,41 inclusief btw.
4.19.
De rechtbank oordeelt dat enkel een bedrag van € 93.114,10 voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het gaat dan om € 85.139,10 aan kosten voor afvoer van het materiaal naar Granuband en Afvalzorg plus € 7.975,00 laad- en transportkosten in verband met de afvoer naar de afvalverwerkers toe. Het door [eisers] gestelde bedrag van € 68.016,67 voor de huur van opslagcapaciteit, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Hiervoor is al uiteengezet dat van een huurovereenkomst geen sprake is geweest. Ook de gevorderde vergoeding van € 19.335,69 voor een opslag van 12% voor administratieve kosten wijst de rechtbank af. [eisers] hebben onvoldoende onderbouwd dat die kosten zijn gemaakt. Hetzelfde geldt voor de btw die in deze berekening is meegenomen.
4.20.
Hierbij overweegt de rechtbank dat alleen [eiser 2] aanspraak kan maken op de vergoeding. De gedragingen van DBG zijn namelijk alleen onrechtmatig tegen [eiser 2] als eigenaar van het Terrein. Wat maakt dat de gedragingen ook onrechtmatig zijn tegen de B.V. die het materiaal heeft verwijderd hebben [eisers] niet (of onvoldoende) uiteengezet. Wel hebben zij gesteld dat de kosten bij [eiser 2] terecht komen.
De vordering is niet verjaard
4.21.
DBG voert nog aan dat de vordering uit onrechtmatige daad is verjaard. Op grond van artikel 3:310 BW Pro verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens DBG betekent dat dat de vordering al in augustus 2024 is verjaard, omdat de partij rubberzand uiterlijk eind augustus 2019, op grond van vergunningvoorschriften, van het terrein verwijderd had moeten worden. De rechtbank volgt dat verweer niet.
4.22.
Weliswaar is het materiaal aanvankelijk zonder toestemming in augustus 2018 op het terrein gelost, maar [eiser 2] is nadien wel akkoord gegaan met de (tijdelijke) opslag van het materiaal op het terrein. Dat betekent in de verhouding tussen [eisers] en DBG dat het materiaal er mocht liggen totdat DBG verzocht werd het materiaal te verwijderen. Uit de hiervoor besproken Whatsappberichten van 16 juli 2021 en 17 oktober 2024 volgt dat [eiser 2] op die momenten aan DBG heeft gevraagd het materiaal te verwijderen, dan wel voor rekening van DBG af te voeren. Omdat de dagvaarding eerder dan vijf jaar na het eerste verzoek om de grond te verwijderen werd gedaan, is van verjaring geen sprake. De vergunningvoorschriften die, blijkens de last onder dwangsom van de Omgevingsdienst, voorschrijven dat materiaal als het rubberzand in beginsel binnen een jaar na storting moet worden verwijderd, zijn in de relatie tussen DBG en [eiser 2] niet van doorslaggevend belang.
Geen verrekening: geen schending van het concurrentie- en relatiebeding
4.23.
DBG doet een (voorwaardelijk) beroep op verrekening. Zij zegt dat zij een vordering op [eiser 2] heeft die de vordering van [eiser 2] ruimschoots overstijgt. Voor zover [eiser 2] aanspraak kan maken op schadevergoeding wil zij haar vordering daarmee verrekenen.
4.24.
DBG voert aan dat zij – na cessie – een vordering van € 957.000 op [eiser 2] heeft, vanwege schending van het concurrentie- en relatiebeding in de aandeelhoudersovereenkomst van 8 mei 2018. Volgens DBG heeft [eiser 2] in de periode, na overdracht van zijn (middellijk) aandelenbelang op 15 februari 2022, met DBG concurrerende werkzaamheden en/of diensten verricht gedurende 857 werkdagen tot 30 juni 2025.
4.25.
[eiser 2] betwist dat hij het concurrentie- en relatiebeding heeft geschonden. Hij is hij nooit (via zijn vennootschappen) betrokken geweest bij de levering van concurrerende producten of diensten of het aannemen van werken in de zin van de aandeelhoudersovereenkomst. Volgens [eiser 2] is DBG juist door hem opgericht om een leemte op te vullen binnen de werkzaamheden van zijn al bestaande groep van familieondernemingen. Daarbij is [eiser 2], althans Cayenne Holding als voormalig aandeelhouder van DBG, ook nooit (eerder) aangesproken door de (andere) aandeelhouder(s) binnen DBG.
4.26.
De rechtbank komt tot het oordeel dat DBG ter zake geen vordering op [eiser 2] heeft en zal dit hierna toelichten.
4.27.
De aandeelhoudersovereenkomst van 8 mei 2018 bepaalt in artikel 4 lid 3 van Pro hoofdstuk 3 – in het kort – dat het een aandeelhouder en de aan die aandeelhouder verbonden partij gedurende een periode van zestig maanden na de einddatum verboden is om a) aan relaties diensten te verlenen en producten te leveren, b) in opdracht van relaties werken aan te nemen en c) personeel in dienst te nemen of te benaderen bij hem of relaties in dienst te treden. Relaties wordt voor deze bepaling gedefinieerd als:
al diegenen die in de referentieperiode diensten en producten hebben afgenomen en/of werken hebben aanbesteed.De referentieperiode wordt gedefinieerd als:
de twaalf (12) maanden die zijn gelegen voor de einddatum.Diensten wordt gedefinieerd als:
diensten die de vennootschap[rechtbank: DBG]
en/of de groep[rechtbank: vennootschappen die onder DBG hangen]
verleent.Producten wordt gedefinieerd als: producten die de vennootschap en/of de groep levert.
4.28.
DBG heeft – bij de betwisting door [eisers] – onvoldoende onderbouwd dat [eiser 2], in privé of via zijn vennootschappen, diensten die DBG en/of de groep verlenen, heeft verleend – of producten die DBG en/of de groep leveren, heeft geleverd – aan partijen die in de twaalf maanden voor februari 2022 diensten en/of producten hebben afgenomen van DBG of de groep. DBG heeft enkel gezegd dat [eiser 2] door een of meer van zijn vennootschappen na 15 februari 2022 een aantal relaties van DBG heeft bediend. Zij stelt daarmee niet dat deze vennootschappen aan die relaties diensten hebben verleend die DBG of onderhangende vennootschappen verlenen of dat deze vennootschappen aan die relaties producten hebben geleverd die DBG of onderhangende vennootschappen leveren. Voor zover DBG dat wel heeft gesteld, heeft zij dat in het geheel niet onderbouwd. De rechtbank wijst het beroep op verrekening daarom af.
Tussenconclusie
4.29.
Dit betekent dat DBG aan [eiser 2] een schadevergoeding van € 93.114,10 moet betalen. Bij deze stand van zaken hebben [eisers] geen belang meer bij toewijzing van de als III. gevorderde verklaring voor recht. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.30.
[eisers] vorderen betaling van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 2.866,82. DBG vindt dat deze vordering moet worden afgewezen. Zij zegt dat de procedure had kunnen worden gestart na één beknopte sommatiebrief. Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder Pro c BW komen redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor vergoeding in aanmerking. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik valt van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordelingen uit het Rapport BGK-integraal. Daarbij komt de rechtbank tot de conclusie dat [eisers] niet hebben onderbouwd dat er sprake is van kosten die afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komen. Dat er meer werkzaamheden zijn verricht dat een enkele (herhaalde) aanmaning is niet gebleken. De vordering DBG te veroordelen buitengerechtelijke kosten te betalen zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.31.
DBG is in de zaak in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
9.737,04
Uitvoerbaar bij voorraad
4.32.
DBG vraagt een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zij geeft aan dat zij hoger beroep zal aantekenen tegen een veroordeling. Zij wil dan niet aan enige veroordeling voldoen met het risico dat zij na herbeoordeling in hoger beroep geen restitutie zal krijgen of dat er executieproblemen ontstaan. Zij brengt daarbij naar voren dat de financiële gegoedheid niet bekend is.
4.33.
Bij de beoordeling van een vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op een eventueel in te stellen rechtsmiddel is beslist.
4.34.
Naar valt aan te nemen heeft een eisende partij die een veroordelend vonnis verkrijgt in het algemeen een belang bij een uitvoerbaar verklaring bij voorraad. De curator heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die aan zijn belang bij dit onderdeel van de vordering extra gewicht geven. DBG heeft het door haar gestelde restitutierisico echter ook alleen algemeen onderbouwd.
4.35.
Bij deze stand van zaken leidt afweging van de wederzijdse belangen tot het oordeel dat de vordering tot uitvoerbaar verklaring bij voorraad van dit vonnis zal worden toegewezen.
In reconventie
DBG heeft een schending van het concurrentie- en relatiebeding onvoldoende onderbouwd
4.36.
Omdat de rechtbank in conventie een of meer onderdelen van de vordering van [eisers] toewijst en het beroep op verrekening van DBG geen volledige werking heeft, is aan de voorwaarden waaronder DBG haar tegenvordering instelt, voldaan. Hiervoor heeft de rechtbank echter al geoordeeld dat DBG onvoldoende heeft onderbouwd dat [eiser 2] het concurrentie- en relatiebeding uit de aandeelhoudersovereenkomst van 2018 heeft overtreden. De tegenvordering van is gebaseerd op die door DBG gestelde overtreding. Omdat [eiser 2] het concurrentie- en relatiebeding niet heeft overtreden, zal de rechtbank de tegenvordering van DBG afwijzen.
Proceskosten
4.37.
DBG is in de zaak in reconventie het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- salaris advocaat
3.723,00
(2 punten × € 3.723,00 x 0,5)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.871,00

5.De beslissing

De rechtbank
In conventie
5.1.
veroordeelt DBG om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 93.114,10, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 23 januari 2025 (de dag dat de kosten zijn gemaakt), tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt DBG in de proceskosten van € 9.737,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als DBG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
5.5.
wijst de vorderingen af,
5.6.
veroordeelt DBG in de proceskosten van € 3.871,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als DBG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Art. 3:109 BW Pro.