De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een zeventienjarige minderjarige, vanwege ernstige zorgen over zijn ontwikkeling, middelengebruik en omgang met een negatief netwerk. De minderjarige verblijft momenteel onder toezicht van de jeugdreclassering en heeft een strafrechtelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden.
Tijdens de zitting waren de vader, de Raad en de gecertificeerde instelling (GI) aanwezig; de moeder was afwezig. De GI en de vader uitten twijfels over de effectiviteit van de gevraagde maatregelen, gezien de reeds bestaande jeugdreclasseringstoezicht en de leeftijd van de minderjarige. De moeder vroeg zich af wat de ondertoezichtstelling nog zou toevoegen aan de huidige hulpverlening.
De kinderrechter constateerde dat ondanks de bestaande maatregelen de situatie van de minderjarige verslechtert, maar oordeelde dat een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing naast het reclasseringstoezicht niet effectief of doelmatig zouden zijn. De Raad kon niet concreet aangeven welke extra hulp binnen een ondertoezichtstelling zou worden ingezet. Daarom werd het verzoek afgewezen. De kinderrechter benadrukte dat het nu aan de jeugdreclassering is om stevig op te treden en passende hulp te bieden.
Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na uitspraak.