Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5191

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/15/363610
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 6:217 BWArt. 6:221 lid 1 BWArt. 6:221 lid 2 BWArt. 6:225 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering mede-eigendom perceel grond wegens onvoldoende bewijs overeenkomst

Eisers stelden dat zij mede-eigenaar zouden worden van een perceel grond dat door gedaagden met hun geld was gekocht. Zij vorderden primair een verklaring dat zij mede-eigenaar zijn en gedaagden te veroordelen mee te werken aan levering van de helft van de eigendom. Subsidiair vorderden zij een gelijkmatige verdeling van het perceel.

Gedaagden betwistten de overeenkomsten en stelden dat het verstrekte bedrag een lening was, geen investering. De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende feitelijke omstandigheden hadden gesteld om te bewijzen dat partijen een overeenkomst sloten over mede-eigendom. Ook het verjaringsverweer van gedaagden faalde wegens gebrek aan onderbouwing.

De rechtbank nam mee dat het kadastrale perceel pas in 2017 was ontstaan en dat partijen in 2017 en later niet tot overeenstemming kwamen over eigendomsoverdracht. Voorstellen van eisers werden afgewezen of niet binnen redelijke termijn aanvaard. De subsidiaire vorderingen werden eveneens afgewezen omdat partijen geen overeenstemming bereikten over verdeling.

Eisers werden veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eisers af wegens onvoldoende bewijs van een overeenkomst tot mede-eigendom en veroordeelt hen in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/363610 / HA ZA 25-170
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

te [plaats 1],
hierna te noemen: [eiser 1],
2.
[eiser 2],
te [plaats 1],
hierna te noemen: [eiser 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. I. Epe,
tegen

1.[gedaagde 1],

te [plaats 2],
hierna te noemen: [gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 2],
hierna te noemen: [gedaagde 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. K. Mels.
Zaak in het kort
[gedaagden] hebben met behulp van geld van [eisers] een boerderij met een perceel grond gekocht. [eisers] zeggen dat partijen daarbij hebben afgesproken dat [eisers] mede-eigenaar van een deel van de gekochte grond zouden worden. Omdat [gedaagden] weigeren [eisers] mede-eigenaar te maken, vorderen [eisers] primair voor recht te verklaren dat partijen zijn overeengekomen dat [eisers] mede-eigenaren zullen worden van de grond en [gedaagden] te veroordelen mee te werken aan de levering van de helft van de mede-eigendom van de grond. Subsidiair vorderen zij voor recht te verklaren dat partijen zijn overeengekomen dat de grond gelijkelijk tussen partijen verdeeld zou worden en [gedaagden] te veroordelen mee te werken aan gelijkmatige verdeling van de grond. [gedaagden] betwisten de door [eisers] gestelde overeenkomsten. De rechtbank oordeelt dat [eisers] onvoldoende hebben onderbouwd dat partijen hebben afgesproken dat [eisers] mede-eigenaar van de grond zouden worden. De rechtbank wijst daarom de vorderingen van [eisers] af.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15
- de conclusie van antwoord met producties G1 tot en met G3
- het tussenvonnis van 29 oktober 2025
- de akte wijziging van eis van [eisers]
- de mondelinge behandeling van 7 april 2026, waarbij de advocaten van partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser 1] en [gedaagde 1] zijn neven van elkaar en waren jarenlang zeer goede vrienden.
2.2.
[gedaagden] wilden in 2014 een boerderij met twee loodsen en bijbehorende grond kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadaster nummer 1] aan de [adres] te [plaats 2] (hierna ook: de boerderij) kopen. Zij konden die niet volledig financieren uit eigen middelen en een hypothecaire lening van de bank. [eisers] hebben voor de aankoop van de boerderij een bedrag van € 100.000,00 aan [gedaagden] verstrekt. Daarbij is gesproken over gezamenlijke ontwikkeling van een deel van de bij de boerderij gelegen grond.
2.3.
[eiser 1] en [gedaagde 1] hebben op 15 april 2014 een notariële schenkingsakte getekend. Daarin staat onder meer het volgende. [eiser 1] schenkt per die dag € 55.000,00 aan [gedaagde 1], onder de opschortende voorwaarde van verwerving van de woning gelegen aan de [adres] [plaats 2]. Het bedrag zal direct worden overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de notaris en mag alleen worden aangewend voor voldoening van de koopsom en kosten van de te verwerven woning. Ter zake van de schenking zal een beroep worden gedaan op een schenkingsvrijstelling.
2.4.
De boerderij is op 25 juli 2014 aan [gedaagden] geleverd. Voor de betaling van de koopprijs hebben [gedaagden] ook de door [eisers] verstrekte € 100.000,00 aangewend.
2.5.
In 2017 hebben [gedaagden] het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadaster nummer 1] laten splitsen in twee kadastrale percelen:
  • een perceel met daarop de woning en opstallen, kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadaster nummer 2], groot 7.000 m2; en
  • een perceel agrarische grond, kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadaster nummer 3], groot 9.158 m2 (hierna ook: het perceel grond).
2.6.
Op 23 augustus 2017 heeft [gedaagde 1] aan notaris mr. [notaris 1] (hierna: de notaris) voor zover relevant het volgende geschreven:
(…) Ik wil u graag vragen om een afspraak voor ons in te plannen aangezien ik de helft van het eigendom van dit ‘nieuwe’ perceel wil overdragen aan de heer [eiser 1].
Wilt u dat ik de info/gegevens van deze transactie voor u op de mail zet of wilt u dit anders regelen!?
Ik hoor graag van u.
2.7.
Nadat de notaris heeft gevraagd om nadere gegevens toe te sturen, heeft [gedaagde 1] haar op 3 oktober 2017 het volgende geschreven:
Ter voorbereiding van de koopovereenkomst doe ik u hierbij de door u gevraagde gegevens toekomen;
- De afgesproken koopsom is € 45.000,-. De heer [eiser 1] heeft ons, toen wij de Volgerweg aankochten, een schenking gedaan van € 55.000 en een geldlening van € 45.000 (daarom is de koopsom nu ook € 45.000, deze kan met gesloten beurs plaatsvinden!)
- datum overdracht, als het mogelijk is ergens begin november, wij gaan aanstaande vrijdag op vakantie en zullen de laatste week van oktober terugkomen.
- voorbehoud financiering koper hoeft niet opgenomen te worden
- geen verdere ontbindende voorwaarden.
Ik hoor graag van u wanneer het u schikt om begin november het contract te tekenen. Vast onze dank!
2.8.
Op 19 oktober 2017 heeft de notaris aan [gedaagde 1] gevraagd of het de bedoeling is dat het perceel grond volledig aan [eisers] wordt overgedragen. [gedaagde 1] heeft dezelfde dag geantwoord dat het perceel grond met het kadastrale nummer [kadaster nummer 3] voor de helft in eigendom aan [eisers] moet worden overgedragen en dat het perceel met het kadastrale nummer [kadaster nummer 2] eigendom van [gedaagden] blijft.
2.9.
Daarop heeft de notaris gevraagd welke helft van het perceel grond moet worden overgedragen. [gedaagde 1] heeft haar daarop geantwoord dat hij merkt dat hij in een vraagstuk terecht komt waar hij zonder de notaris het antwoord niet op weet. Hij heeft gevraagd of hij en [eiser 1] bij de notaris langs konden komen. Op 30 oktober 2017 hebben [gedaagde 1] en [eiser 1] vervolgens met de notaris gesproken. De notaris heeft tijdens dit gesprek uitgelegd wat de gezamenlijke eigendom van het perceel grond inhield en de voor- en nadelen hiervan toegelicht. Zij wees partijen er hierbij op dat partijen op enig moment tegenstrijdige belangen zouden kunnen krijgen als zij gezamenlijk eigenaar van het perceel grond zouden zijn en dat zij niet los zouden kunnen verkopen. De notaris heeft de koopovereenkomst daarna niet afgerond.
2.10.
Op enig moment is de verstandhouding tussen partijen verslechterd.
2.11.
Op 29 maart 2019 heeft [eiser 1] [gedaagde 1] per e-mail gevraagd om een plattegrond van “
ons gezamenlijke stuk grond” zodat hij kan kijken wat de beste verdeling is. [gedaagde 1] heeft op 1 april 2019 een kaart van het kadaster naar [eiser 1] gestuurd. Daarop staat ook het perceel grond. [gedaagde 1] heeft daarbij aangegeven dat het om nummer [kadaster nummer 3] gaat.
2.12.
Per e-mail van 2 mei 2020 heeft [eiser 1] aan [gedaagde 1] met een tekening een voorstel gedaan tot verdeling van het perceel grond in twee helften. Daarbij heeft hij voorgesteld een afspraak te maken met de notaris als [gedaagde 1] zich in de tekening kan vinden.
2.13.
[gedaagde 1] heeft daarop op 4 mei 2020 aan [eiser 1] gemeld dat de gemeente [plaats 1] (hierna ook: de gemeente) de grond heeft aangewezen op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg), zodat – als partijen de grond op naam van [eisers] willen zetten – dat niet kan.
2.14.
Op 5 mei 2020 hebben [eisers] voor zover van belang het volgende aan [gedaagden] geschreven:
Omdat door het besluit van de gemeente het plan om de grond op onze naam te zetten wordt bemoeilijkt, hebben wij nog steeds geen schriftelijk bewijs dat een gedeelte van het perceel van ons is. Om toch iets op papier te hebben, stellen wij voor om een soort van “akte van eigendom” op te stellen die door ons vieren wordt ondertekend, waarin duidelijk wordt dat wij recht hebben op een deel van de grond.
(…)
Wij zullen een aanzet maken voor de “akte”.
2.15.
[gedaagden] hebben [eisers] op 24 mei 2020 meegedeeld dat de aanwijzing voor de Wvg is omgezet in een periode van drie jaar en overigens het volgende geantwoord:
Wij snappen dat jullie graag een bewijs willen dat een gedeelte van de grond jullie eigendom is. Ondanks het feit hoe de verhoudingen tussen ons nu zijn, zijn wij uiteraard voornemens om dit gewoon netjes met jullie op te lossen, zoals wij vorig jaar februari voornemens waren bij de notaris. We zijn daar nu alleen wel gebonden aan wat mag en kan in deze situatie. Het lijkt ons in geen beding verstandig om nu lijnen te gaan trekken en gedeelten aan te wijzen wat van wie is.
Als jullie de “akte”opgesteld hebben zien wij deze graag tegemoet.
2.16.
Op 18 juni 2020 hebben [eisers] een conceptovereenkomst naar [gedaagden] gestuurd. In deze conceptovereenkomst worden [gedaagden] aangeduid als partij 1 en [eisers] als partij 2 en staat, voor zover relevant, het volgende:
Dat beide partijen (partij 1. en partij 2.)per 21 juni 2017, eigenaar zijn van het perceel;
Kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadaster nummer 3],
(…)
Beide partijen hebben inspraak bij eventuele verkoop van het perceel en zullen hierover gezamenlijk overleggen, derhalve hebben beide partijen recht op 50% van de verkoopprijs van het bovengenoemde perceel. (…)
Aldus getekend:
Datum: 21 juni 2017 (…)
2.17.
Op 24 juli 2020 hebben [gedaagden] aan [eisers] meegedeeld dat volgens hen nog een aantal punten aan het concept kunnen worden toegevoegd. Voor zover relevant noemen zij naast de opmerking dat het om onverdeelde eigendom zal moeten gaan de volgende punten:
Verder zouden wij aan t einde van het concept nog de volende tekst willen toevoegen;
Partij 2 heeft zijn deel van de onverdeelde eigendom verkregen door betaling van een bedrag van € 45.000 aan partij 1 op ……..(datum).
De kosten in verband met het in eigendom verkrijgen en hebben van het perceel, zoals het onderhoud en de eventuele kosten i.v.m. verkoop/overdracht van het perceel worden door partijen voor ieder 50% gedragen. Hier hadden wij in onze eerder mail reeds een vraag over gesteld maar daar hebben jullie niet op gereageerd.
Ik meen dat jullie toen een bedrag van € 45.000 hebben betaald (buiten de schenking). Alleen ik kan niet vinden op welke datum dat was en of dat exact € 45.000 betrof. Misschien kunnen jullie dat nog terug vinden. Het lijkt ons wel wenselijk voor beide partijen om dit te vermelden.
Het zou ook wenselijk zijn om er een zinsnede in te zetten die de lading dekt wanneer één van de partijen zijn deel wilt verkopen deze dan in eerste instantie dient aan te bieden bij de andere partij, uiteraard onder marktconforme omstandigheden.
[eisers] hebben niet op deze e-mail gereageerd.
2.18.
Op 26 juni 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden, waarbij [betrokkene] (een vriend van [gedaagde 1]), [eiser 2] en de broer van [eiser 1] aanwezig waren. In dat gesprek hebben [gedaagden] voorgesteld om het bedrag van € 100.000,00 plus rente aan [eisers] terug te betalen. [eisers] hebben niet met dit voorstel ingestemd.
2.19.
Op 13 augustus 2023 heeft [eiser 1] aan [gedaagde 1] meegedeeld dat hij erover heeft nagedacht hoe hij verder wil met de grond en dat hij daarbij tot de conclusie is gekomen dat hij zijn deel van de grond op zijn naam wil hebben, inclusief notariële bekrachtiging. Daarbij heeft hij aangegeven dat het deel dat aan de boerderij vastzit van [gedaagde 1] zal worden en het andere deel van [eiser 1] en dat er een aantal stappen doorlopen moeten worden zoals het opstellen en tekenen van een overeenkomst met daarin de gemaakte afspraken.
2.20.
[gedaagde 1] heeft [eiser 1] op 31 augustus 2023 meegedeeld niet mee te gaan in verdeling van de grond zoals door [eiser 1] voorgesteld. Hij heeft daarbij samengevat het volgende meegedeeld. Hoewel partijen in het verleden zaken besproken hebben, zijn zij nooit tot elkaar gekomen. Het is nu van belang goed uit elkaar te gaan. De verstandhouding is nu zo slecht dat het niet wenselijk is dat partijen buren worden. Ook gezamenlijke eigendom is gelet op de verstandhouding niet haalbaar. [gedaagde 1] stuurt daarbij aan op een financiële afwikkeling. [eisers] hebben niet op deze e-mail gereageerd.
2.21.
Op 25 mei 2024 heeft [eiser 1] in reactie op een – niet in het dossier aanwezig – voorstel van [gedaagde 1] aan [gedaagde 1] het volgende laten weten:
Ik heb je voorstel overwogen en heb besloten hier niet in mee te gaan.Ik hou mij aan het oorspronkelijke plan om het perceel evenredig te verdelen, dan wel gezamenlijk eigenaar te worden.
Graag zie ik dat dit voor 19 juli 2024 op schrift en notarieel, dan wel juridisch geregeld is.
2.22.
Partijen hebben vervolgens nog geprobeerd in overleg tot een oplossing te komen. Dat is niet gelukt.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. voor recht verklaart dat [eisers] en [gedaagden] zijn overeengekomen dat [eisers] mede-eigenaren zullen worden van een perceel grond [gemeente], [kadaster nummer 3], kadastraal groot 9.158 m²;
II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt de onder I bedoelde overeenkomst na te komen door hen hoofdelijk te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het leveren van de helft van het mede-eigendom van het perceel grond [gemeente], [kadaster nummer 3], kadastraal groot 9.158 m² en medewerking te verlenen aan het passeren van de notariële akte door notaris mr. [notaris 2] en wel binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [gedaagden] hiermee in gebreke blijven;
III. bepaalt dat, als [gedaagden] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de primaire vordering niet zullen voldoen, de rechtbank machtiging verleent aan notaris mr. [notaris 2] om het door haar gewezen vonnis, waarbij [gedaagden] tot deze medewerking zijn veroordeeld, in de plaats te doen stellen van de weigering tot medewerking, waarbij de opgestelde leveringsakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde registers kan worden ingeschreven;
IV. bepaalt dat, als [gedaagden] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de primaire vordering niet zullen voldoen, het vonnis in de plaats zal treden van de akte tot levering van het perceel grond [gemeente], [kadaster nummer 3];
Subsidiair:
I. voor recht verklaart dat [eisers] en [gedaagden] zijn overeengekomen dat gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld het perceel grond [gemeente], [kadaster nummer 3], kadastraal groot 9.158 m²;
II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt de onder I bedoelde overeenkomst na te komen door hen te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het conform het voorstel van eisers van 2 mei 2020 gelijkmatig verdelen van het perceel grond en medewerking te verlenen aan het passeren van de notariële akte door notaris mr. [notaris 2] en wel binnen veertien dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [gedaagden] hiermee in gebreke blijven;
III. bepaalt dat, als [gedaagden] aan de subsidiaire vordering niet zullen voldoen, de rechtbank machtiging verleent aan notaris mr. [notaris 2] om het door haar gewezen vonnis, waarbij [gedaagden] tot deze medewerking zijn veroordeeld, in de plaats te doen stellen van de weigering tot medewerking, waarbij de opgestelde leveringsakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde registers kan worden ingeschreven;
IV. bepaalt dat, als [gedaagden] aan de subsidiaire vordering niet zullen voldoen, het vonnis in de plaats zal treden van de akte tot levering van het perceel grond;
En in alle gevallen:
V. [gedaagden] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de kosten van de notariële akte en het salaris van de advocaat.
3.2.
[eisers] voeren het volgende aan. [gedaagden] hebben de boerderij met behulp van geld van [eisers] gekocht. Het door [eisers] verstrekte bedrag van € 100.000,00 was uitdrukkelijk bedoeld als investering in mogelijk te ontwikkelen grond. Om [gedaagden] in staat te stellen de benodigde hypothecaire lening te krijgen is voor een deel van de investering van € 55.000,00 een schenkingsakte getekend. Het is echter nooit de bedoeling van partijen geweest dat [gedaagden] het schenkingsdeel mochten houden en het leningsdeel moesten terugbetalen. Het was een investering. Dit blijkt ook uit de gang naar de notaris in 2017. Partijen zetten toen immers stappen om uitvoering te geven aan de afspraken.
3.3.
[gedaagden] vragen [eisers] niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel hun vorderingen af te wijzen en verzoeken [eisers] (uitvoerbaar bij voorraad) hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. [gedaagden] voeren het volgende aan.
Het verstrekte bedrag was geen investering. [eisers] geven zelf bij 2.3 van hun dagvaarding aan dat het om een lening gaat. Partijen hebben bij de koop van de boerderij wel gefantaseerd over de mogelijkheden van de grond. Om verschillende redenen zijn partijen echter niet tot afspraken gekomen.
[gedaagden] voeren daartoe aan dat voor zover partijen in het verleden al gezamenlijke eigendom zouden zijn overeengekomen, hetgeen [gedaagden] betwisten, de vorderingen van [eisers] inmiddels zijn verjaard. [gedaagden] hebben aan [eisers] in 2016/2017 in het kader van een mogelijke gezamenlijke ontwikkeling van het perceel grond aangeboden om gezamenlijk eigenaar te worden van het afgesplitste perceel grond. [gedaagden] hebben de notaris opdracht gegeven hier een akte voor op te stellen, maar nadat de notaris [eisers] uitgelegd had dat gezamenlijke eigendom nadelen had, wilden [eisers] dit niet meer. Zij wilden een helft van het perceel hebben. Daarover is geen overeenstemming bereikt. [eisers] hebben in 2020 nog een akte toegestuurd, maar later wilden zij het toch weer anders. In de kern komt het erop neer dat [gedaagden] aan [eisers] mede-eigendom hebben aangeboden en dat [eisers] dat voorstel hebben geweigerd en dat partijen ook nooit zijn overeengekomen dat zij beiden eigenaar zouden worden van een (afgesplitste) helft van het perceel grond. Daarmee zijn zowel de primaire als de subsidiaire vorderingen van [eisers] niet toewijsbaar, aldus nog steeds [gedaagden]
3.4.
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank zal de vorderingen van [eisers] afwijzen. Zij zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het beroep van [gedaagden] op verjaring slaagt niet
4.2.
[gedaagden] hebben bij de mondelinge behandeling nog in een zin als verweer gevoerd dat de vorderingen van [eisers] verjaard zijn. [gedaagden] hebben dit verweer echter niet onderbouwd. Zo hebben zij niet aangegeven op welk moment de verjaring is gaan lopen. De rechtbank gaat daarom aan dit verweer voorbij.
Partijen zijn niet overeengekomen dat [eisers] mede-eigenaren van het perceel grond zouden worden
4.3.
[eisers] vorderen allereerst voor recht te verklaren dat partijen zijn overeengekomen dat [eisers] mede-eigenaar zullen worden van het perceel grond en [gedaagden] te veroordelen uitvoering te geven aan die afspraak door de onverdeelde helft van de eigendom aan [eisers] te leveren. [gedaagden] betwisten dat de door [eisers] gestelde afspraak is gemaakt. Op grond van de hoofdregel is het aan [eisers] om voldoende feitelijke omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit volgt dat partijen zijn overeengekomen dat [eisers] mede-eigenaar zullen worden van het perceel grond. [1] Steeds ligt het op de weg van degene die nakoming vordert, om de feiten te stellen waaruit het ontstaan van de verplichting kan worden afgeleid (dus bijvoorbeeld een aanbod en een tijdige aanvaarding van dat aanbod). Bij de uitdrukkelijke en onderbouwde betwisting van [gedaagden] hebben zij dat niet gedaan.
4.4.
Een overeenkomst komt in beginsel tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. [2] Een mondeling aanbod vervalt, wanneer het niet onmiddellijk wordt aanvaard. Een schriftelijk aanbod vervalt, wanneer het niet binnen een redelijke termijn wordt aanvaard. [3] . Ook vervalt een aanbod, doordat het wordt verworpen. [4] Verder geldt een aanvaarding die van het aanbod afwijkt, als een nieuw aanbod en als een verwerping van het oorspronkelijke aanbod. [5]
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] onvoldoende hebben onderbouwd dat partijen in 2014 of later zijn overeengekomen dat [gedaagden] een onverdeeld aandeel van 50% van de eigendom van het perceel aan [eisers] zullen overdragen.
4.6.
Voor de rechtbank is het onduidelijk wat partijen concreet in 2014 hebben besproken. [eiser 1] en [gedaagde 1] hebben namelijk elkaar hierover ter zitting weersproken. [eiser 1] heeft gezegd dat partijen toen gezamenlijke eigendom van het perceel grond concreet hebben besproken. [gedaagde 1] heeft gezegd dat er gesproken is over een mogelijke gezamenlijke ontwikkeling van een deel van de grond bij de aan te kopen boerderij, bij welke ontwikkeling gezamenlijke eigendom aan de orde zou kunnen zijn. [eisers] hebben niet concreet gemaakt op welk moment en in welke bewoordingen [gedaagden] hebben toegezegd een onverdeeld aandeel in de eigendom van een deel van het perceel aan [eisers] te leveren en onder welke voorwaarden. Zo hebben [eisers] niet gezegd wanneer [gedaagden] aan hen het onverdeelde aandeel zouden leveren. Daarbij komt dat het kadastrale perceel waarvan [eisers] nu een aandeel in de eigendom vorderen niet eerder dan in 2017 is ontstaan. Dat is eerder een aanwijzing dat een concrete afspraak over precies die grond in 2014 niet is gemaakt.
4.7.
[eisers] stellen daarnaast dat het door hen verstrekte geld als onderdeel van de afspraak tot overdracht van de mede-eigendom een investering is voor de gezamenlijk ontwikkeling van het perceel grond. Partijen zouden beiden namelijk van de ontwikkeling van het perceel grond profiteren. De rechtbank gaat hier niet in mee. [eisers] stellen immers zelf onder 2.3 van de dagvaarding dat partijen in 2014 afspraken dat [eisers] het bedrag van € 100.000,00 aan [gedaagden] zouden lenen. [eisers] noemen dit bedrag pas later een investering. Bovendien blijkt uit de tekst van de “akte van eigendom” niet dat het bedrag een investering was. Zelfs al was dit in de akte opgenomen, dan maakt dit het oordeel van de rechtbank niet anders, want partijen hebben de akte niet ondertekend.
4.8.
Dat er in 2014 geen definitieve overeenstemming is bereikt over de levering van een onverdeeld aandeel in de eigendom van het perceel, komt ook naar voren uit de gang van zaken in 2017. Toen hebben [gedaagden] de notaris gevraagd om een akte op te stellen waarmee [gedaagden] de helft van het eigendom van het nieuwe kadastrale perceel aan [eisers] over te dragen. Hierover zijn partijen in gesprek geraakt. De notaris heeft hen gewezen op de nadelen van gezamenlijke eigendom. Vervolgens zijn partijen niet tot overeenstemming over de akte van levering gekomen. [eisers] hebben aangestuurd op levering van een verdeeld aandeel in het perceel (en daar een voorstel voor gedaan). Daarmee hebben zij het voorstel van [gedaagden] om een onverdeeld aandeel in het perceel aan [eisers] over te dragen afgewezen. Voor zover de gedragingen van [eisers] in deze niet kunnen worden aangemerkt als een afwijzing van het aanbod in 2017, hebben zij het in ieder geval niet binnen een redelijke termijn aanvaard.
4.9.
[eisers] hebben verder in 2020 naar aanleiding van het voorkeursrecht van de gemeente op het perceel grond aan [gedaagden] voorgesteld om een “akte van eigendom” op te stellen met afspraken over gezamenlijke eigendom. [gedaagden] hebben de door [eisers] opgestelde akte niet aanvaard. Zij hebben een aantal voorstellen voor toevoegingen aan de conceptakte gedaan, waaronder te maken afspraken over verdeling van de kosten die [gedaagden] door de jaren voor het perceel hebben gemaakt. Daarmee hebben [gedaagden] de door [eisers] opgestelde “akte van eigendom” niet aanvaard. Partijen hebben deze akte ook nooit getekend.
Als [eisers] zich op het standpunt stellen dat zij met hun primaire vordering feitelijk aangeven het aanbod alsnog te aanvaarden, is dit te laat. De dagvaarding is van maart 2025 en dus van meer dan vier jaar na de (afwijkende) reactie van [gedaagden] op het voorstel van [eisers] voor een “akte van eigendom”. Voor zover [eisers] stellen dat partijen in 2020 alsnog overeenstemming hebben bereikt over mede-eigendom, volgt de rechtbank [eisers] dan ook niet.
4.10.
Partijen hebben ook nog geprobeerd in 2023 en 2024 om het geschil al dan niet door verdeling van het perceel grond op te lossen, maar het is hen wederom niet gelukt om tot overeenstemming te komen. Op 25 mei 2024 heeft [eiser 1] nog aan [gedaagde 1] geschreven dat hij zich aan het oorspronkelijke “plan” om het perceel grond evenredig tussen partijen te verdelen dan wel gezamenlijk eigenaar ervan te worden, wil houden. Dat partijen gesproken hebben over een plan acht de rechtbank goed mogelijk, maar dat er meer was dan alleen een niet bindend plan hebben [eisers] niet voldoende onderbouwd.
4.11.
Omdat de door [eisers] gestelde afspraken over mede-eigendom niet voldoende zijn onderbouwd, zal de rechtbank zal de primaire vorderingen van [eisers] afwijzen.
De rechtbank wijst ook de subsidiaire vorderingen van [eisers] af
4.12.
De rechtbank zal ook de subsidiaire vorderingen van [eisers] afwijzen. [eiser 1] heeft ter zitting gezegd dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over verdeling van het perceel bij helfte en bevestigd dat [gedaagden] niet met dit voorstel van [eisers] hebben ingestemd. Daarmee liggen de subsidiaire vorderingen, die alle gebaseerd zijn op de stelling dat partijen zijn overeengekomen dat het perceel gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld, voor afwijzing gereed.
[eisers] moeten de proceskosten betalen
4.13.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank zal de proceskosten van [gedaagden] begroten op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.826,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal de rechtbank toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
4.15.
De rechtbank zal de proceskostenveroordeling hoofdelijk uitspreken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
4.16.
De rechtbank zal dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank op dit punt moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval in beginsel totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [eisers] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.3.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
1835

Voetnoten

1.Artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
2.Artikel 6:217 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
3.Artikel 6:221 lid 1 BW Pro
4.Artikel 6:221 lid 2 BW Pro
5.Artikel 6:225 lid 1 BW Pro