Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5239

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
12187330 \ KG EXPL 26-64
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens structurele overlast ondanks GGZ-behandeling

Wooncompagnie vordert ontruiming van de woning van [gedaagde] wegens structurele overlast die sinds oktober 2023 is gemeld door omwonenden. Ondanks meerdere waarschuwingen en herhaalde GGZ-opnames blijft de overlast bestaan, waaronder hard schreeuwen en intimiderend gedrag. De huurovereenkomst bevat bepalingen die overlast verbieden.

De kantonrechter oordeelt dat de overlast ernstig en structureel is, waardoor [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst. Hoewel [gedaagde] een kwetsbare persoon is die zorg ontvangt en een stabiele woonomgeving nodig heeft, weegt het belang van Wooncompagnie en de omwonenden zwaarder. De ontruiming wordt daarom toegewezen met een termijn van één maand om een alternatieve woonvorm te vinden.

Het gevorderde straatverbod wordt afgewezen omdat het contact tussen [gedaagde] en zijn minderjarige dochter alleen in de woning van zijn vriendin kan plaatsvinden. Een straatverbod zou dit contact onmogelijk maken, wat een zwaarwegend belang van [gedaagde] is. De kantonrechter waarschuwt dat bij toekomstige incidenten een straatverbod alsnog kan worden opgelegd.

[gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de huurder tot ontruiming van de woning binnen één maand wegens structurele overlast en wijst het straatverbod af.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 12187330 \ KG EXPL 26-64
Vonnis in kort geding van 13 mei 2026
in de zaak van
STICHTING WOONCOMPAGNIE,
te Hoorn,
eisende partij,
hierna te noemen: Wooncompagnie,
gemachtigde: mr. S.A. den Engelsen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. I.C. Andréa.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 21 april 2026,
- een aanvullende productie van Wooncompagnie,
- de productie van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 29 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De uitgangspunten

2.1.
Sinds 6 mei 2021 verhuurt Wooncompagnie de woning aan [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning) aan [gedaagde] .
2.2.
[naam 1] , de vriendin van [gedaagde] , huurt ook een woning van Wooncompagnie aan [adres 2] . Zij woont daar met [naam 2] , de driejarige dochter van [gedaagde] en [naam 1] .
2.3.
Op de huurovereenkomst tussen Wooncompagnie en [gedaagde] zijn de Algemene huurvoorwaarden van toepassing verklaard. Daarin is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
6.1.
Huurder zal het gehuurde als een goed huurder gebruiken en onderhouden.
6.7.
De huurder veroorzaakt vanuit het gehuurde, vanuit het complex, of in de omgeving van het gehuurde geen overlast of hinder aan omwonenden. (…) De huurder is in ieder geval verplicht overlast die door zelfbeheersing vermeden kan worden, te vermijden, De volgende overlast is bijvoorbeeld vermijdbaar: het draaien van harde muziek, het bonken op muren, het stampen op vloeren of trappen, het slaan met deuren, hard schreeuwen en/of schelden en het geblaf van honden. (…).
6.9.
Huurder onthoudt zich van intimiderend, bedreigend, agressief of anderszins onbehoorlijk gedrag jegens omwonenden, medewerkers van verhuurder en personen die in opdracht van verhuurder werkzaamheden in of aan het gehuurde verrichten dan wel aan het complex waartoe het gehuurde behoort. (…).
2.4.
Vanaf oktober 2023 heeft Wooncompagnie meldingen ontvangen van omwonenden over (geluids)overlast afkomstig van [gedaagde] . Vanaf eind oktober 2023 tot en met januari 2024 wordt [gedaagde] vanwege zijn gedragingen voor de eerste keer opgenomen bij een GGZ-instelling.
2.5.
Kort na zijn terugkeer ontvangt Wooncompagnie opnieuw overlastmeldingen met betrekking tot [gedaagde] . De overlast bestaat uit hard en agressief schreeuwen.
2.6.
Per brief van 2 februari 2024 laat Wooncompagnie aan [gedaagde] weten dat zij overlastmeldingen heeft ontvangen. Wooncompagnie verzoekt [gedaagde] de overlast per direct te staken. Tevens wordt hem geadviseerd om hulp te zoeken als hij vanwege zijn psychische gesteldheid niet in staat is om de overlast zelfstandig te beëindigen.
2.7.
[gedaagde] wordt van 1 februari 2024 tot en met 15 februari 2024 weer opgenomen bij een GGZ-instelling. Na zijn thuiskomst ontvangt Wooncompagnie opnieuw meldingen van overlast.
2.8.
Per brief van 23 februari 2024 kondigt Wooncompagnie bij [gedaagde] aan dat als de overlast niet stopt zij een juridische procedure zal starten. [gedaagde] reageert telefonisch en laat weten dat hij wacht op een intake bij Brijder Verslavingszorg.
2.9.
Tussen maart 2024 en november 2025 ontvangt Wooncompagnie geen overlastmeldingen.
2.10.
Vanaf november 2025 ontvangt Wooncompagnie opnieuw overlastmeldingen, waarbij omwonenden kenbaar maken bang te zijn voor [gedaagde] . Van 18 november 2025 tot 2 januari 2026 wordt [gedaagde] opnieuw opgenomen in een GGZ-instelling. Na zijn terugkeer ontvangt Wooncompagnie wederom overlastmeldingen.
2.11.
Op 6 januari 2026 stuurt Wooncompagnie opnieuw een waarschuwingsbrief naar [gedaagde] en kondigt zij een huisbezoek aan. Van 7 januari 2026 tot 19 januari 2026 wordt [gedaagde] weer in een GGZ-instelling opgenomen.
2.12.
Op 26 januari 2026 gaat Wooncompagnie, samen met de casemanager van [gedaagde] , op huisbezoek. Tijdens het gesprek heeft Wooncompagnie [gedaagde] er nogmaals op gewezen dat hij geen overlast mag veroorzaken en zijn woning niet mag vervuilen, omdat hij anders mogelijk zijn woning zal verliezen. Desondanks blijft Wooncompagnie overlastmeldingen ontvangen. Per brief van 26 februari 2026 heeft zij [gedaagde] daarom verzocht de huurovereenkomst op te zeggen. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd.
2.13.
Van 13 maart 2026 tot 26 maart 2026 wordt [gedaagde] opnieuw opgenomen in een GGZ-instelling. Ook na deze opname ontvangt Wooncompagnie weer overlastmeldingen.
2.14.
Op 26 maart 2026 laat Wooncompagnie via haar gemachtigde aan [gedaagde] weten dat zij de huurrelatie niet langer wil voortzetten en dat zij een gerechtelijke procedure zal starten.
2.15.
Op 14 april 2026 stuurt ook de burgemeester van Alkmaar een waarschuwingsbrief aan [gedaagde] waarin zij hem verzoekt om te stoppen met de overlast. De politie zou haar hebben geïnformeerd over de lange tijd waarin sprake is van ernstige en herhaaldelijke overlast en verstoring van de openbare orde in en rondom de woning.

3.Het geschil

3.1.
Wooncompagnie vordert (samengevat) bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van de woning binnen drie dagen na betekening van dit vonnis,
II. [gedaagde] te verbieden om zich gedurende 24 maanden aan [adres 1] in [plaats] te bevinden, op straffe van een dwangsom,
III. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Wooncompagnie legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Door de herhaaldelijke overlast die [gedaagde] veroorzaakt schiet hij tekort in de nakoming van de huurovereenkomst. Deze tekortkoming is dusdanig ernstig dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Vooruitlopend daarop dient [gedaagde] de woning te ontruimen.
Omdat de vriendin van [gedaagde] samen met hun dochter eveneens op [adres 1] woonachtig is, vreest Wooncompagnie ervoor dat [gedaagde] , na een ontruiming, bij hen zal intrekken. Daarmee is het overlastprobleem niet opgelost. Om dit te voorkomen vordert Wooncompagnie tevens een straatverbod.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van Wooncompagnie, en subsidiair tot inachtneming van een langere ontruimingstermijn van minimaal zes maanden, kosten rechtens.
3.4.
[gedaagde] voert daartoe (samengevat) het volgende aan. Er is geen sprake van structurele overlast, maar slechts van incidentele oprispingen. Deze oprispingen rechtvaardigen geen ontruiming in kort geding. Daarbij komt dat [gedaagde] zorg ontvangt en accepteert van de GGZ. Desondanks heeft [gedaagde] , vanwege zijn psychische problematiek, meer structurele begeleiding nodig. Er wordt daarom actief gezocht naar een meer passende woonplek met intensievere begeleiding. Totdat er een andere passende woonplek is gevonden, heeft [gedaagde] een zwaarwegend belang bij het behoud van zijn woning. Hij is een kwetsbaar persoon en het behoud van een stabiele woonomgeving is essentieel voor het kunnen voortzetten van de huidige behandeling vanuit de GGZ. Zonder eigen woning is er geen zicht op [gedaagde] en zal hij verder afglijden. Bovendien is het een maatschappelijke verantwoordelijkheid van Wooncompagnie om kwetsbare personen een dak boven hun hoofd te bieden.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de vordering in een gewone procedure zal worden toegewezen.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de aard van de zaak (de gevorderde ontruiming wegens overlast) voldoende is gebleken dat Wooncompagnie een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorziening. Van Wooncompagnie en de omwonenden kan gelet op de gestelde overlast immers niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten.
Toewijzing vordering tot ontruiming
4.3.
De kantonrechter zal de gevorderde ontruiming toewijzen en legt hierna uit hoe hij tot deze beslissing komt.
4.4.
Een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming is een maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste rechtspraak - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare, gevolgen van een ontruiming in kort geding zoals in deze zaak aan de orde is. Daarom kan in kort geding een vordering tot ontruiming alleen worden toegewezen als in hoge mate waarschijnlijk is dat de kantonrechter in een eventuele bodemprocedure de huurovereenkomst zal ontbinden.
4.5.
Bij de beoordeling van de vraag of een huurovereenkomst kan worden ontbonden, staat voorop dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst te ontbinden. Dit is slechts anders indien de tekortkoming deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Dit betekent, kort gezegd, dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op ontbinding van de overeenkomst. Of ontbinding van de overeenkomst gerechtvaardigd is, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Dat bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, alle omstandigheden van het geval van belang kunnen zijn, brengt ook mee dat niet op voorhand aan één gezichtspunt een beslissende rol, ongeacht de overige omstandigheden van het geval, kan worden toegekend (zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).
4.6.
Gebleken is dat [gedaagde] , ondanks meerdere waarschuwingen van Wooncompagnie, overlast veroorzaakt in en rondom de woning. Dit terwijl partijen in de huurovereenkomst zijn overeengekomen dat [gedaagde] zich als een goed huurder moet gedragen en dat hij geen overlast of hinder mag veroorzaken aan omwonenden. Anders dan [gedaagde] aanvoert gaat het niet slechts om oprispingen. Gelet op de meldingen van de omwonenden en de inhoud van de brief van de burgemeester, die is gebaseerd op waarnemingen van de politie, kan worden vastgesteld dat [gedaagde] structureel overlast veroorzaakt. Bovendien heeft [gedaagde] ook zelf ter zitting verklaard dat hij intimiderend kan overkomen, regelmatig hard schreeuwt, hij spullen door de brievenbus van de buurman heeft gegooid en een buurjongen in de supermarkt heeft lastig gevallen. [gedaagde] schiet dan ook tekort in de nakoming van de huurovereenkomst.
4.7.
Hoewel [gedaagde] aanvoert dat Wooncompagnie jegens hem, gelet op zijn kwetsbaarheid, een maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft om hem onderdak te blijven bieden, heeft Wooncompagnie als verhuurder ook een verantwoordelijkheid jegens andere omwonenden, die ook van haar huren. Zij moet andere huurders immers ook woongenot aanbieden en zij moet voorkomen dat die huurders overlast van, in dit geval [gedaagde] , hebben. Wooncompagnie heeft [gedaagde] daarom sinds 2024 regelmatig gewaarschuwd zijn gedrag te verbeteren en de overlast te verminderen. Desondanks blijft de overlast bestaan. De impact van de overlast in de buurt is groot en de angst zit er goed in. Het belang van Wooncompagnie dat [gedaagde] de woning ontruimt weegt daarom zwaarder dan het belang van [gedaagde] om daar te kunnen blijven wonen. Zelfs indien moet worden aangenomen dat [gedaagde] door de ontruiming dakloos zal worden en een stabiele woonplek essentieel is voor de behandeling van zijn psychische klachten. Hierbij weegt mee dat [gedaagde] geen enkel aanknopingspunt heeft gegeven dat de overlast in de toekomst zal afnemen. Zo heeft [gedaagde] al een langere periode begeleiding van de GGZ om zijn psychische gesteldheid onder controle te krijgen, maar blijven Wooncompagnie en de politie meldingen van overlast ontvangen en is [gedaagde] het afgelopen half jaar meermaals gedwongen opgenomen geweest.
4.8.
Ondanks dat de gemachtigde van [gedaagde] ter zitting kenbaar heeft gemaakt dat er inmiddels een WLZ-aanvraag is gedaan en zij zich samen met de GGZ zal inzetten om een andere (beschermde) woonvorm voor [gedaagde] te vinden, is er op dit moment geen indicatie dat dit op korte termijn kan worden gerealiseerd. Omdat de situatie inmiddels onhoudbaar is en een oplossing die vertrouwen geeft voor de toekomst niet is gegeven, acht de kantonrechter het in hoge mate waarschijnlijk dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure wordt ontbonden. Wooncompagnie heeft er spoedeisend belang bij dat, daarop vooruitlopend, de woning wordt ontruimd. Om enigszins tegemoet te komen aan het belang van [gedaagde] bij het vinden van een alternatieve passende woonvorm, zal de kantonrechter de ontruimingstermijn vaststellen op één maand na betekening van dit vonnis.
Afwijzing vordering tot opleggen straatverbod
4.9.
Een straatverbod zoals Wooncompagnie vordert, is een ingrijpende maatregel die inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht dat iedereen heeft om zich vrij te verplaatsen. Een straatverbod kan alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. De kantonrechter moet vervolgens alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen of dat verbod, zoals gevorderd, kan worden gerechtvaardigd.
4.10.
De kantonrechter wijst het gevorderde straatverbod af. Hoewel de kantonrechter gelet op de door [gedaagde] veroorzaakte overlast het belang van Wooncompagnie en de omwonenden bij een straatverbod begrijpt, weegt het belang van [gedaagde] in dit geval zwaarder. Ter zitting heeft de vriendin van [gedaagde] , mevrouw [naam 1] , toegelicht dat het contact tussen [gedaagde] en zijn minderjarige dochter alleen kan plaatsvinden in haar woning. Een alternatief is er niet. Een straatverbod zou betekenen dat [gedaagde] geen contact meer zal hebben met zijn dochter. [gedaagde] heeft dus een zwaarwegend belang ook na ontruiming van de woning bij zijn vriendin en dochter aan [adres 1] te komen. Daarbij weegt tevens mee dat [naam 1] zowel schriftelijk als ter zitting heeft toegelicht dat het niet de bedoeling is dat [gedaagde] bij haar zal komen wonen, wat tevens door [gedaagde] is bevestigd.
4.11.
De kantonrechter houdt [gedaagde] hierbij voor dat de belangenafweging is gebaseerd op basis van de huidige situatie. Mochten zich in de toekomst, na de ontruiming uit zijn woning, alsnog incidenten voordoen waarbij [gedaagde] zich misdraagt of overlast veroorzaakt in [adres 1] , dan zou de belangenafweging anders kunnen uitpakken en wellicht alsnog een straatverbod opgelegd kunnen worden.
Proceskosten
4.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wooncompagnie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
167,31
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.315,31
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen één maand na betekening van dit vonnis de woning aan [adres 1] in [plaats] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze niet het eigendom van Wooncompagnie zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Wooncompagnie te stellen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.315,31, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
MKI/NB