Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5267

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
376282 / HA RK 26-69
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens vermeende vooringenomenheid in strafzaak knalvuurwerk

In deze zaak heeft verzoeker, verdachte in een strafzaak over het bezit van 643 stuks verboden knalvuurwerk (cobra’s), een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die hem had ondervraagd. Verzoeker stelde dat de rechter een vooringenomen standpunt had ingenomen over de duur van het afsteken van cobra’s, wat relevant kon zijn voor de geloofwaardigheid van zijn verklaringen en de strafmaat.

De rechter had tijdens de ondervraging verondersteld dat het afsteken van één cobra twee minuten zou duren, wat leidde tot een berekening van 20 uur voor alle cobra’s. Verzoeker en zijn raadsman betwistten deze aanname en vroegen om een bron, die de rechter niet wilde noemen. Dit leidde tot een felle discussie en uiteindelijk tot het wrakingsverzoek.

De wrakingskamer oordeelde dat hoewel de rechter zijn opmerking stelliger had geuit dan in het proces-verbaal stond, er geen aanwijzingen waren dat hij al een definitief oordeel had gevormd of niet openstond voor discussie. De rechterlijke onpartijdigheid was niet geschaad en het wrakingsverzoek werd afgewezen.

De procedure werd voortgezet in de hoofdzaak zonder onderbreking. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens onvoldoende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: 376282 / HA RK 26-69
Beslissing van 30 maart 2026
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
raadsman mr. W.B.O. van Soest, advocaat te Rotterdam.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. G.D. Kleijne,
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

1.1
Verzoeker heeft op 30 maart 2026 ter zitting de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Straf Haarlem, aanhangige zaak met als parketnummer 81.224858.25, hierna te noemen: de hoofdzaak.
1.2
De rechter heeft niet in de wraking berust.
1.3
Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 30 maart 2026. De verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Voorts zijn verschenen de rechter en de officier van justitie.

2.De standpunten van de verzoeker

2.1
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat –
het volgende aangevoerd.
De rechter heeft vastgesteld dat het afsteken van een cobra 2 minuten duurt zonder daarbij een bron te noemen, ook nadat de raadsman daar om had verzocht. Vervolgens concludeerde hij dat het 20 uur zou duren om alle cobra’s af te steken. Dit kan relevant zijn omdat daarmee de afgelegde verklaring(en) van verzoeker als ongeloofwaardig kan/kunnen worden weggezet. Daarnaast kan het relevant zijn voor de strafmaat, omdat dit kan leiden tot de conclusie dat er sprake was van een handelshoeveelheid wat strafverzwarend kan zijn.
Tevens heeft hij ter zitting van de wrakingskamer aangevoerd dat het proces-verbaal van de zitting niet juist is opgemaakt nu daarin niet is opgenomen dat hij de rechter meerdere malen om een bron voor de bewering heeft gevraagd, maar dat de rechter heeft gezegd geen bron te gaan noemen.
2.2
De rechter heeft naar voren gebracht dat hij niet (stellig) heeft voorgehouden dat het afsteken van een cobra twee minuten duurt, maar dat hij heeft voorgesteld om daar veronderstellenderwijze vanuit te gaan. In het proces-verbaal is dat als volgt verwoord: “Laten we even uitgaan van 2 minuten per cobra. Ik heb in dat geval gerekend (…) dat afsteken dan meer dan 20 uur duurt”. Uit die vraag en de wijze waarop hij de vraag heeft gesteld, blijkt volgens de rechter geen vooringenomenheid.
2.3
De officier van justitie heeft ter zitting van de wrakingskamer toegelicht dat er een pittige discussie was over de duur van het afsteken van een cobra. De opmerking van de rechter over de 2 minuten was stelliger verwoord dan zoals die opmerking in het proces-verbaal is terechtgekomen, maar er werd door de rechter toen geen conclusie getrokken. Er is volgens de officier van justitie daarom geen sprake van (de schijn van) vooringenomenheid.

3.De beoordeling

3.1
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich – waarop de discussie zich in deze zaak focust - uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling wel belangrijk maar niet doorslaggevend.
3.2
In de hoofdzaak is aan verzoeker het bezit van 643 stuks verboden knalvuurwerk (zogenoemde cobra’s 6) ten laste gelegd. Tijdens de zitting in de hoofdzaak heeft de rechter verzoeker ondervraagd om vast te stellen wat er was gebeurd, wat tot zijn taak als rechter behoort. Daarbij kan ook passen dat een rechter een verdachte (stevig) ondervraagt, zonder dat daarmee sprake is van vooringenomenheid.
3.3
Verzoeker heeft op vragen van de rechter verklaard het knalvuurwerk met Oud en Nieuw te hebben willen afsteken en dat het afsteken per cobra 10 seconden kost. In de onderzoeksfase heeft de rechter verzoeker vervolgens voorgehouden dat ook nog tijd moet worden gerekend voor het neerzetten, aansteken en weglopen en dat als dit afsteken van één cobra 2 minuten duurt, het afsteken (op Oud en Nieuw) dan wel 20 uur zou duren. Daarop intervenieerde de raadsman en vroeg de rechter op welke bron hij zijn wetenschap baseert dat het afsteken per cobra 2 minuten duurt, omdat het volgens hem lang niet zoveel tijd zou kosten. Er ontspon zich vervolgens een discussie tussen de raadsman en de rechter. De rechter heeft vervolgens de zitting kort geschorst. Na de schorsing diende (de raadsman van) verzoeker het wrakingsverzoek in.
3.4
Het gaat in dit geval om de vraag of de rechter zijn vragen over de tijd die gemoeid zou zijn met het afsteken van alle cobra’s zo heeft verwoord dat de verzoeker de indruk heeft kunnen krijgen dat de rechter niet meer openstond voor discussie daarover en daarom uit die (wijze van) vragenstellen moet worden afgeleid dat de rechter subjectief vooringenomen was. Dat de verklaringen van verzoeker rond die omstandigheid invloed konden hebben op de stafmaat voor het feit, dat verzoeker had bekend te hebben gepleegd, is tussen partijen niet in geschil.
3.5
De wrakingskamer heeft – uit de verklaring van verzoeker en de officier van justitie – wel aanwijzingen gekregen dat de rechter zijn opmerking over de tijd die nodig zou zijn om één en dus alle cobra’s af te steken stelliger had geuit dan hoe deze verklaring in het proces-verbaal terecht is gekomen. Er zijn echter onvoldoende aanwijzingen dat de rechter dit heeft verwoord op een manier waaruit volgt dat hij over verzoekers verklaringen op dit punt al een conclusie had getrokken en niet genegen meer was om de juistheid van verzoekers verklaringen niet meer aan de orde te stellen en niet meer bereid was de al dan niet juistheid van verzoekers verklaringen op dit punt te heroverwegen.
3.6
De rechter maakte de opmerking over de veronderstelde tijd die gemoeid is met het afsteken van een cobra in het kader van de ondervraging. Daaruit kan niet worden afgeleid dat sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid, mede in aanmerking genomen dat de rechter nog geen beslissing op de vordering van de officier had genomen en er nog voldoende ruimte zou volgen voor de verdediging om haar standpunt over de feiten en dus ook de antwoorden van verzoeker op de vragen van de rechter en de vordering naar voren te brengen. Dat de rechter al een definitief – en dus vooringenomen – standpunt over de (juistheid van de) verklaringen van verzoeker had ingenomen, of de schijn daartoe had gewekt kan uit de gang van zaken niet worden afgeleid. Dat na de opmerking van de rechter een felle discussie volgde tussen de raadsman en rechter over de vraag waarop de veronderstelling omtrent de afsteekduur zou zijn gestoeld, doet aan het voorgaande niet af.
3.7
De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren dan ook geen grond op voor het oordeel dat afbreuk werd gedaan aan de rechterlijke onpartijdigheid en vormen derhalve geen grond voor wraking. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

4.Beslissing

De rechtbank
4.1
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,
4.2
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek,
4.3
beveelt de griffier aan verzoeker, de rechter en de officier van justitie in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden .
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr.drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. W. Veldhuyzen van Zanten, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Langendoen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.