De eiser was sinds 2012 in dienst bij V.O.F. als autoverkoper en werd later bij een ander filiaal van Create Business B.V. tewerkgesteld. Op 25 oktober 2024 sloten eiser en Create een vaststellingsovereenkomst waarin het dienstverband per 1 februari 2025 zou eindigen met een overeengekomen beëindigingsvergoeding. Eiser ontving echter geen betaling uit hoofde van deze overeenkomst en ook geen salaris over december 2024 en januari 2025.
Eiser dagvaardde Create en V.O.F. en stelde dat sprake was van een overgang van onderneming, waardoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de nakoming van de vaststellingsovereenkomst en loonbetaling. Create verscheen niet, waardoor verstek werd verleend. V.O.F. voerde verweer dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd en dat er geen overgang van onderneming had plaatsgevonden.
De kantonrechter oordeelde dat V.O.F. onvoldoende had onderbouwd dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd en dat de stellingen van eiser niet waren weersproken. Gezien de omstandigheden werd aangenomen dat eiser bij Create in dienst was getreden en dat V.O.F. hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en vaststellingsovereenkomst.
De kantonrechter veroordeelde Create en V.O.F. hoofdelijk tot betaling van de beëindigingsvergoeding, achterstallig loon met wettelijke verhoging, wettelijke rente vanaf de dagvaarding, een eindafrekening en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.