Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.[eiser 1],2. [eiser 2],
[bedrijf],
1.De procedure
2.De feiten
Offerte 2021/36 inzake schuur leefruimte creëren & kozijnen kunstof
3.Het geschil
4.De beoordeling
allang voor hebben betaald”. Alleen al daarom heeft [gedaagde] er niet op mogen vertrouwen dat [eisers] ermee instemden dat dit werk niet meer zou worden uitgevoerd, tegen het wegstrepen van het (gestelde) meerwerk.
Garage renoveren: isoleren en aftimmeren tot extra leefruimte” voor een bedrag van € 11.000,-. Ter zitting hebben [eisers] hierover gesteld dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met [gedaagde] door de schuur zijn gelopen, met [gedaagde] hebben besproken welk eindresultaat zij voor ogen hadden en vervolgens met [gedaagde] hebben afgesproken dat alle benodigde werkzaamheden onderdeel uitmaakten van de overeenkomst. Zij hebben dat betoog echter onvoldoende concreet onderbouwd. Zij hebben geen toereikende verklaring gegeven voor het feit dat de in 4.26 genoemde concrete werkzaamheden - zoals het leveren en plaatsen van op maat gemaakte meubels en een trap, het aanleggen van elektrakabels en internetkabels, het plaatsen en aansluiten van een keukenblok, het leveren en plaatsen van op maat gemaakte openslaande deuren en het realiseren van een lattenwand buiten - niet in de offerte zijn vermeld. Zij hebben vervolgens wel met de offerte ingestemd.
isoleren en aftimmeren” van de schuur. [gedaagde] heeft voldoende toegelicht dat “
isoleren en aftimmeren” inhoudt het verwijderen van oude wandplaten, het plaatsen van raggelwerk en isolatie en het plaatsen gipsplaten voor de muren en plafonds, op beide verdiepingen van de schuur. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat de omvang van de in 4.26 genoemde werkzaamheden, bovenop het daadwerkelijk isoleren en aftimmeren van de schuur, zo omvangrijk zijn, dat hij daarvoor nooit een bedrag van in totaal € 11.000,- zou hebben kunnen offreren, ook gelet op de hoge materiaalkosten. Ook daarom hebben [eisers] niet mogen verwachten dat de in 4.26 genoemde werkzaamheden onderdeel uitmaakten van de afgesproken aanneemsom. Het verweer van [eisers] dat geen sprake is van meerwerk omdat alle verrichte werkzaamheden zijn inbegrepen in de aanneemsom van € 55.055,- slaagt dus niet.
hoogtevan de meerkosten. Ook is voor het meerwerk geen richtprijs overeengekomen. Anders dan [eisers] veronderstellen kan de aanneemsom van de hoofdopdracht niet (ook) worden aangemerkt als een richtprijs voor de meerwerkopdracht. Daarover zijn tussen partijen geen afspraken gemaakt. Daarom zijn [eisers] in beginsel in verband met de toevoegingen een redelijke prijs verschuldigd (artikelen 7:755 en 7:752 BW).
5.De beslissing
1 april 2026voor:
- akte van [gedaagde] met de in 4.37 genoemde inhoud;
- akte van beide partijen gelijktijdig, met de in 4.39 genoemde inhoud;
.