ECLI:NL:RBNHO:2026:534

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
HAA 24/8381
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor samenvoegen van gemeentelijke monumenten in Haarlem

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, gedateerd 21 januari 2026, wordt de weigering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem om een omgevingsvergunning te verlenen voor het samenvoegen van twee gemeentelijke monumenten beoordeeld. Eisers, bestaande uit twee natuurlijke personen en een B.V., hebben bezwaar aangetekend tegen de afwijzing van hun aanvraag, die oorspronkelijk op 30 november 2021 was ingediend. Het college heeft de aanvraag op 4 augustus 2023 afgewezen, en na bezwaar is deze afwijzing op 20 november 2024 bevestigd. De rechtbank oordeelt dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan, dat het samenvoegen van de woningen niet toestaat. De rechtbank constateert dat eiseres sub 2, de B.V., ten onrechte als belanghebbende in bezwaar is ontvangen, en verklaart haar niet-ontvankelijk. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het griffierecht en proceskosten aan eisers worden vergoed. De rechtbank benadrukt dat de motivering van het college gebrekkig was, vooral met betrekking tot de stedenbouwkundige argumenten en de goede procesorde.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/8381

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

1. [eiser] en [eiseres 1]uit [plaats] ,
2. [eiseres 2] B.V.eisers
(gemachtigde: mr. F.W. Horstman),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college
(gemachtigde: mr. J.C. Sumter).

Inleiding

1. Het gaat in deze uitspraak om de vraag of het college een omgevingsvergunning kon weigeren voor het samenvoegen van twee woningen (gemeentelijke monumenten) op het perceel [adres 1] in [plaats] . Eisers sub 1 en 2 zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

Procesverloop

2.1
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 november 2024 op het bezwaar van eisers sub 1 en 2 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2
Hiertegen is door eisers sub 1 en 2 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers sub 1, de gemachtigde van eisers, [adviseur] (adviseur omgevingsrecht namens eisers) en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 november 2021 Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Voorts is het tot die datum als bestemmingsplan geldende plan “Kleverpark/Frans Hals” van toepassing, dat vanaf die datum onderdeel is van het omgevingsplan.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4.1
De aanvraag ziet op het (ver)bouwen van een bouwwerk, het bouwen en/of gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan en het wijzigen van een beschermd monument. [1]
4.2
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Kleverpark/Frans Hals”. Op de betreffende gronden gelden de bestemmingen “Tuin-2” en “Wonen” met de specifieke bouwaanduiding “Specifieke bouwaanduiding – orde 2” en de dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie 5” en “Waarde – beschermd stadsgezicht”. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan waarin staat opgenomen dat gebouwen niet
mogen worden samengevoegd. [2]
4.3
Met het primaire besluit van 4 augustus 2023 heeft het college de aanvraag om een omgevingsvergunning geweigerd. Het college stelt onder meer dat zij gelet op de strijd met het bestemmingsplan heeft getoetst of zij voor de aangevraagde activiteit de vergunning alsnog kan verlenen. Dat is niet het geval wegens strijd met de goede ruimtelijke ordening, en door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit is negatief geadviseerd. Ook moet de omgevingsvergunning worden geweigerd indien de activiteit niet voldoet aan het in de monumentenverordening van de gemeente gestelde toetsingskader. De aanvraag is voorgelegd en het belang van de monumentenzorg verzet zich tegen het verlenen van de vergunning. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op het advies van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed.
4.4
Eisers zijn het niet eens met de weigering en hebben op 12 september 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
4.5
Bij brief van 1 december 2023 hebben eisers de gronden van bezwaar ingediend. Op 18 december 2023 hebben eisers verzocht om aanhouding en een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de activiteit bouwen.
4.6
Op 3 april 2024 hebben eisers telefonisch – en op 27 mei 2024 per brief – doorgegeven dat voor de activiteit bouwen een omgevingsvergunning is verleend, de bezwaren (en het beroep) zien daarom niet meer op de activiteit “bouwen” en “gemeentelijk monument”.
Het bestreden besluit
5. Met het bestreden besluit van 20 november 2024 is het college bij de weigering van de omgevingsvergunning gebleven, onder aanvulling van de motivering overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften. Er is sprake van strijd met het bestemmingsplan omdat het gaat om het samenvoegen van panden, het plan past niet binnen de binnenplanse afwijking. Het college stelt, onder verwijzing naar het advies van de stedenbouwkundige, niet te willen meewerken aan het plan.
Goede procesorde
6. Op 26 september 2025, dertien dagen voor de zitting, heeft de gemachtigde van eisers een uitgebreid aanvullend beroepschrift ingediend met daarbij een viertal bijlagen waaronder een tegenadvies van een planoloog van 16 pagina’s. Gelet op artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot 10 dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State moeten onder nadere stukken worden begrepen stukken ter (nadere) toelichting van de eerder voorgedragen beroepsgronden. Het eerste lid van artikel 8:58 van de Awb voorziet dus niet in de mogelijkheid om nog tot tien dagen voor de zitting geheel nieuwe beroepsgronden aan te voeren of de materiële invulling van eerder slechts formeel aangeduide beroepsgronden te geven. Die mogelijkheden worden dus niet begrensd door het artikel, maar door de goede procesorde. Aldus handelend kan dus sprake zijn van strijd met de goede procesorde. De rechtbank heeft kennis kunnen nemen van deze stukken en ook het college heeft er kennis van genomen. Ter zitting is opgemerkt dat het niet mogelijk was de stedenbouwkundige mee te nemen naar de zitting. Het standpunt ter zitting is dat het college blijft bij de motivering in de beslissing op bezwaar, zonder nadere reactie op de door eisers ingediende stukken. Het college heeft niet verzocht deze stukken niet bij de beoordeling te betrekken, noch is verzocht om aanhouding. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om de stukken buiten beschouwing te laten.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
7. De bestuursrechter heeft bij herhaling ondervonden dat bij de behandeling van zaken met de gemeente Haarlem , stukken die bij de behandeling door de bezwaarcommissie worden overgelegd, niet in het aan de rechtbank te overleggen procesdossier terechtkomen. Dit is ten onrechte, want dit zijn immers op de zaak betrekking hebbende stukken. Ook in deze zaak deed dit zich opnieuw voor. Ter zitting is ook vastgesteld dat de aanvraag niet compleet aan het dossier is toegevoegd. Artikel 8:42 van de Awb verplicht het bestuursorgaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te sturen aan de bestuursrechter. Deze verplichting strekt er mede toe om zeker te stellen dat de rechter volledig wordt voorgelicht over de zaak. Het bestuursorgaan mag in de op de zaak betrekking hebbende stukken geen selectie maken. De beoordeling of de inhoud van het betreffende stuk voor de besluitvorming in de zaak van belang is (geweest), kan niet geschieden zonder kennisneming van die inhoud door de rechter. De ontbrekende stukken zijn met instemming van de wederpartij op 14 oktober 2025 alsnog aan de rechtbank toegezonden.
Ontvankelijkheid in bezwaar
8. De rechtbank stelt aan de hand van het aanvraagformulier vast dat eiseres sub 2 [eiseres 2] B.V. niet de aanvrager van deze omgevingsvergunning is, maar slechts optrad als gemachtigde. De rechtbank constateert dat bezwaar is gemaakt door eisers sub 1 [eiser] en [eiseres 1] , maar ook door eiseres sub 2. Het college had zich in bezwaar moeten afvragen of eiseres sub 2 wel belanghebbende is bij dit besluit. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Alhoewel eiseres sub 2 als architect ontegenzeggelijk een belang heeft bij deze zaak, is dat geen rechtstreeks belang dat haar tot bezwaarmaker kan maken. De rechtbank concludeert dat het college eiseres sub 2 ten onrechte in haar bezwaar heeft ontvangen. Het beroep is reeds daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen. Doende hetgeen het college zou behoren te doen, verklaart de rechtbank eiseres sub 2 alsnog niet-ontvankelijk in haar bezwaar. De rechtbank stelt deze beslissing in zoverre in de plaats van het besluit.
Bespreken van de beroepsgronden van eisers sub 1 (hierna: eisers)
Is Reparatieplan C van toepassing op het perceel?
9.1
Eisers voeren aan dat Reparatieplan C (het ‘jongere’ bestemmingsplan) van toepassing is. In beide bestemmingsplannen staat een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor het samenvoegen van woningen. Door het college wordt overwogen dat omdat de voorgevels een breedte hebben van 14 meter dit de toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid belet, omdat deze maximaal 11 meter mag zijn. In Reparatieplan C is echter 15 meter toegestaan. In de toelichting op dit bestemmingsplan staat ondubbelzinnig vermeld dat het plan van toepassing is op heel Haarlem . Er staat ook in dat dit bestemmingsplan voorrang heeft boven bestaande bestemmingsplannen en bestaande voorschriften worden vervangen door de voorschriften uit Reparatieplan C. Tot slot voeren eisers aan dat de gevelbreedtevoorwaarde uitgaat van de situatie dat een aanvrager voor samenvoegingen van woningen, een gevelwijziging aanbrengt in het kader van die samenvoeging. Het gaat om visuele wijzigingen in het straatbeeld te beperken en/of beperkt mogelijk te maken. De individuele voorgevels veranderen in dit plan niet en worden niet samengevoegd tot één nieuwe voorgevel; de bestaande individuele voorgevels worden behouden waardoor niet gesproken kan worden van één totale nieuwe voorgevelbreedte.
9.2
Artikel 25.9 van Repartieplan C bepaalt dat alleen de planregels 7 en 14 zijn herzien. Uit de tabel blijkt evident dat alleen het sublid b1 wordt toegevoegd aan artikel 20.2 van het bestemmingsplan Frans Hals / Kleverpark. Als de wettekst van het Reparatieplan duidelijk is, kan de toelichting niet anders bepalen. Gelet op de tabel en de artikelen zelf moet hierin gelezen wordt dat het Reparatieplan alleen betrekking heeft op de bepaling artikel 20.2 en de toevoeging van sublid b1. De toepassing van Reparatieplan C is beperkt tot bepaalde artikelen, de bepaling over samenvoeging van panden is niet meegenomen in de wijziging. De oorspronkelijke regels uit het bestemmingsplan ten aanzien van samenvoegen blijven daarom gelden.
Er kan niet binnenplans worden afgeweken, om reden dat de gevelbreedte meer dan 11 meter bedraagt. Aan de andere drie vereisten voor binnenplans afwijken wordt voldaan.
10. De rechtbank stelt vast dat de gevraagde omgevingsvergunning is geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met artikel 20.2, aanhef en onder b, van de regels van het bestemmingsplan Kleverpark/Frans Hals waarin is bepaald dat gebouwen niet mogen worden samengevoegd. Het verlenen van medewerking aan afwijking van het
bestemmingsplan is een discretionaire bevoegdheid van het college. Het bestuursorgaan heeft daarbij beoordelingsruimte: de vrijheid om binnen de wettelijke kaders voor deze situatie een eigen belangenafweging te maken. Vanwege deze beoordelingsvrijheid mag de rechtbank het besluit slechts terughoudend toetsen. Dit laat onverlet dat het besluit om deze bevoegdheid niet toe te passen een deugdelijke en dragende motivering moet bevatten.
Afwijken van het bestemmingsplan
11.1.1
Eisers voeren aan dat het college in beginsel een discretionaire bevoegdheid heeft bij het afwijken van het bestemmingsplan. Deze bevoegdheid wordt echter wel beperkt door beleid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een weigering dient het college deugdelijk te motiveren. Het advies van de commissie voor bezwaarschriften – waar het college zich op heeft gebaseerd bij het bestreden besluit – is gebrekkig. Het weigeren op een stedenbouwkundig advies omdat i) sprake zou zijn van aantasting van het karakter van de straat voor wat betreft de functionele opbouw ervan en ii) sprake zou zijn van ongewenste woningonttrekking is niet deugdelijk.
Eiser voert aan dat door de stedenbouwkundige overwegingen in het advies worden betrokken die helemaal niet stedenbouwkundig zijn. Er is én geen sprake van woningonttrekking en bovendien is dat geen stedenbouwkundig belang. De deskundige had zich moeten beperken tot ruimtelijke overwegingen. Omdat het college zich heeft gebaseerd op dit advies, heeft het besluit een ondeugdelijke motivering.
11.1.2
Eisers bestrijden dat de samenvoeging leidt tot een ongewenste verandering van het karakter van de straat. Uit de overgelegde bouw- en geveltekeningen volgt dat eisers geen wijziging van de opzet van de individuele voordeuren, trappen of voorgevel hebben aangevraagd. Een louter inpandige samenvoeging levert geen enkel van buitenaf merkbare (ruimtelijke) invloed op het karakter van de straat of het behoud van cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden. Tot slot voeren eisers aan dat hun standpunt – dat het samenvoegen van de woningen niet leidt tot een wijziging van het karakter van de straat en de functionele opbouw ervan – wordt ook onderbouwd in een onafhankelijk advies van een stedenbouwkundig bureau dat eisers hebben ingewonnen.
De weigeringsgrond
12. Vanuit Stedenbouw is voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit het volgende advies uitgebracht:
“De aanvraag betreft de gemeentelijke monumenten [adres 1]
De aanvraag is in strijd met het vigerend bestemmingsplan “Kleverpark/Frans Hals” omdat
het samenvoegen van de woningen niet is toegestaan. De twee panden die worden
samengevoegd hebben een breedte van 14 meter. De binnenplanse afwijkingsmogelijkheid
staat maximaal 11 meter toe. Het ensemble [adres 2] is ontworpen als twee vrijwel identieke twee-onder-één kap panden. Ieder woning heeft hierbij een duidelijke eigen voordeur met trap. Waarbij iedere woning los goed herkenbaar is. Het samenvoegen van deze woningen zou de historische opzet van het ensemble wijzigen. De samengevoegde woning heeft dan namelijk geen duidelijke voordeur of hoofd opstap meer. Hier gaan dan dus cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarde verloren, dit is onwenselijk. De beide woning zijn van goede kwaliteit en formaat om zelfstandig te kunnen functioneren als losse woning. Het samenvoegen is dus vanuit functioneel gebruiksperspectief niet noodzakelijk. Het samenvoegen van de woningen zou juist een goede woning onttrekken uit de Haarlemse woningvoorraad. Juist op een moment dat er een groot tekort is aan woningen. Dit is onwenselijk. Het samen voegen van de woningen is dus niet acceptabel. Op basis van het voorgaande geldt er een negatief stedenbouwkundig advies ten aanzien van het samen voegen van de woningen.”
12.1
Het college heeft de hierboven opgenomen stedenbouwkundig advies als weigeringsgrond gebruikt in het primaire besluit. Het bestuursorgaan moet het primaire besluit in de bezwaarprocedure volledig heroverwegen. Dit geldt ook voor de bezwaarcommissie. In het advies van de bezwaarschriften commissie wordt opgemerkt dat:

Het bouwplan niet voorziet in de wijziging van de voorgevels van de panden. Het bouwplan heeft dus geen invloed op de voorgevels. De commissie kan het stedenbouwkundig advies dan ook niet volgen voor zover daarin is gesteld dat de samengevoegde woning geen duidelijke voordeur of hoofdsopstap meer heeft en dat hierdoor cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden verloren gaan. Hetzelfde geldt voor het standpunt dat de historische tussenmuur niet verloren mag gaan. (..), de doorbraken juist in samenspraak met team Erfgoed zijn ingetekend.’
Uit het vorenstaande blijkt dat het stedenbouwkundig advies in zoverre niet is gehandhaafd staat en niet meer aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, nu het college het advies van de bezwaarcommissie heeft overgenomen.
12.2
Het college heeft voor de stedenbouwkundige afwijzing het volgende in de plaats gesteld (p.7 advies bezwaarcommissie):

wat betreft de parcellering merkt de commissie op dat in het verweerschrift is gesteld: ‘Het gaat niet alleen over het behoud van de stedenbouwkundige opzet van het gebied, maar ook over de functionele opbouw. De verscheidenheid in schaal van de verschillende functies vormt ook een onderdeel van het beschermd stadsgezicht en is mede een aspect dat behouden dient te blijven’. De commissie begrijpt hieruit dat het vanuit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst is dat in het beschermd stadsgezicht woningen worden samengevoegd, omdat samenvoeging leidt tot vermindering van het aantal huishoudens en daarmee tot een verandering van het karakter van het straat en het beschermd stadsgezicht.’
12.3
De rechtbank merkt hierover het volgende op. Het standpunt van het college over de functionele opbouw en het behoud van verschillende functies kan de rechtbank niet volgen; het gebruik is wonen en blijft ook wonen. De feiten sporen dus niet met de motivering van het college. Zoals ook in het tegenadvies van de adviseur omgevingsrecht wordt opgemerkt is in het onderhavige geval het argument van woningonttrekking geen stedenbouwkundig belang. Volgens het bestemmingsplan betreffen de voorwaarden voor samenvoeging enkel het behoud van het straatbeeld. Woningonttrekking is geen onderdeel van dit straatbeeld, intern gebruik is niet significant waarneembaar van buitenaf, en gaat dus verder dan de limitatieve toets die het bestemmingsplan moet maken. De stedenbouwkundige toets ziet op goede ruimtelijke ordening, niet op woningonttrekking op microniveau. Het college vervlecht argumenten als beheer van de woonvoorraad en zaken als woningonttrekking in het kader van de Huisvestingsverordening bij stedenbouw. Dat is expliciet niet de bedoeling en het college treedt hiermee buiten het toetsingskader voor wat betreft de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een plan. Om deze reden kan het besluit geen stand houden. Door het college wordt het tegenadvies niet weersproken. Een belangenafweging kan niet gemaakt worden nu er geen goede motivering aan het besluit ten grondslag ligt. De rechtbank vernietigt in zoverre het bestreden besluit vanwege een motiveringsgebrek.
Overige beroepsgronden
13. Gelet op het voorgaande bespreekt de rechtbank de overige beroepsgronden slechts summier. Voor zover door eisers een beroep wordt gedaan op het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de vaste gedragslijn kan de rechtbank de motivering van het college in het bestreden besluit volgen.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond omdat aan het bestreden besluit een ontvankelijkheidsgebrek en motiveringsgebrek kleeft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dat ziet op de ontvankelijkheid van eiseres sub 2 in bezwaar en de gebruikte weigeringsgrond. De rechtbank ziet voor wat betreft de materiele beslissing geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien. Er kan (nog) niet zonder meer worden aangenomen dat er maar één conclusie mogelijk is en de rechtbank kan geen oordeel vormen in de plaats van een stedenbouwkundig advies. Vervolgens zal een belangenafweging moeten worden gemaakt. Het is aan het college om die afweging (opnieuw) te maken en te motiveren.
15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
16. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eisers hebben in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.
17. Eisers hebben op het door hen bij de rechtbank ingediende formulier proceskosten voorts te kennen gegeven dat zij kosten hebben gemaakt in verband met de door adviseur omgevingsrecht aan hun uitgebrachte deskundigenrapport. De kosten van een deskundige komen op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb dient het bedrag van de te vergoeden deskundigenkosten te worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Ingevolge artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt voor werkzaamheden waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, een (uur)tarief van maximaal € 162,63. [3] Eisers hebben geen kostenberekening en urenspecificatie overgelegd. De rechtbank stelt dit daarom vast op 8 uren, afgerond tot een bedrag van € 1300,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 20 november 2024 voor zover eiseres sub 2 daarbij in bezwaar is ontvangen en zoals hiervoor in 12.3 is overwogen;
- verklaart eiseres sub 2 niet-ontvankelijk in haar bezwaar en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het bestreden besluit;
- draagt het college overigens op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van €4.500,- (€ 3.200,- + € 1300,-) aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, onder a en c en artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
2.Artikel 20.2 sub b van het bestemmingsplan.
3.Staatsblad 2024, 381.