ECLI:NL:RBNHO:2026:5356

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
HAA 25/2907
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet bibobArt. 4 Wet bibobArt. 7 Wet bibobArt. 7a Wet bibobArt. 31 Alcoholwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking horeca- en Alcoholwetvergunning en sluiting horecagelegenheid wegens niet-naleving informatieplicht Wet bibob

Eiser exploiteerde een horecabedrijf in Zaandam en kreeg op 18 januari 2024 bericht van de burgemeester over het voornemen tot intrekking van zijn horeca-exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning. Na een zienswijze van eiser en een besluit van de burgemeester op 13 mei 2024 werden de vergunningen ingetrokken met ingang van 5 juni 2024. Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten en tegen de sluiting van het pand op 19 juni 2024, welke bestuursdwang was toegepast vanwege exploitatie zonder vergunning.

De rechtbank oordeelt dat de burgemeester terecht de vergunningen heeft ingetrokken omdat eiser niet voldeed aan de informatieplicht uit de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob). Ondanks herhaalde verzoeken heeft eiser cruciale informatie niet aangeleverd, waardoor sprake is van ernstig gevaar voor misbruik van de vergunningen. De rechtbank wijst het verweer van eiser af dat hij afhankelijk was van zijn boekhouder en dat er geen sprake was van ernstig gevaar.

Ook de sluiting van het horecabedrijf wordt door de rechtbank gerechtvaardigd. Het rapport van toezichthouders toont aan dat het bedrijf op 19 juni 2024 open was en geëxploiteerd werd, ondanks de intrekking van de vergunningen. De belangen van de openbare orde wegen zwaarder dan de financiële gevolgen voor eiser.

Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, hij krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter I.M. Ludwig op 13 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de vergunningen en de sluiting van het horecabedrijf.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2907

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en

de burgemeester van de gemeente Zaanstad,

(gemachtigde: mr. F.P. Brouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de horeca-exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning van eiser en de beslissing tot sluiting van het bedrijf aan [adres] in [plaats] . Eiser is het niet eens met deze beslissingen. De rechtbank beoordeelt deze besluiten aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat deze besluiten stand kunnen houden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eiser exploiteerde het horecabedrijf [naam bedrijf] aan [adres] in [plaats] . Op 18 januari 2024 heeft de burgemeester aan eiser bericht voornemens te zijn de aan hem verleende horeca-exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning in te trekken.
2.1.
Op 14 februari 2024 heeft eiser op het voornemen gereageerd met een zienswijze.
2.2.
Met het besluit van 13 mei 2024 heeft de burgemeester besloten om de aan eiser verleende vergunningen in te trekken met ingang van 5 juni 2024.
2.3.
Hiertegen heeft eiser op 26 mei 2024 bezwaar gemaakt.
2.4.
Op 19 juni 2024 heeft de burgemeester het pand aan [adres] met toepassing van spoedeisende bestuursdwang direct en voor onbepaalde duur gesloten. Het besluit daartoe is 3 juli 2024 op schrift gesteld. Het bezwaar van eiser is mede daartegen gericht.
2.5.
Met het bestreden besluit van 16 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij deze besluiten gebleven.
2.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van de burgemeester, bijgestaan door [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
3. De van belang zijnde bepalingen uit de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob), Alcoholwet en de Algemene Plaatselijke Verordening Zaanstad 2013 (hierna: APV) zijn opgenomen in de aangehechte bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het bestreden besluit
4. De burgemeester stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar het advies van de externe hoor- en adviescommissie van de gemeente Zaanstad, dat terecht is overgegaan tot het intrekken van de horeca-exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning van eiser. De kern hiervan luidt dat eiser desgevraagd het formulier van artikel 7a, vijfde lid, van de Wet bibob niet volledig heeft ingevuld. Artikel 4 van Pro de wet bepaalt dan dat sprake is van “ernstig gevaar” als bedoeld in artikel 3 van Pro de wet. Dit laatste levert grond op voor intrekking van zowel de horeca-exploitatievergunning (artikel 7 van Pro de Wet bibob) als van de Alcoholwetvergunning (artikel 31). Verder constateert de burgemeester, eveneens onder verwijzing naar dat advies, dat gezien het gebrek aan transparantie van eiser en de onduidelijkheden over de bedrijfsvoering het risico voor misbruik van de vergunningen groot is. Een lichtere maatregel, zoals een tijdelijke intrekking of een waarschuwing, kan het risico niet voldoende afdekken. Verder is het bedrijf van eiser terecht gesloten, omdat hij voortging dit te exploiteren ondanks de intrekking van de exploitatievergunning.
Aanleiding voor het onderzoek
5. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat het onderzoek op grond van de Wet bibob onrechtmatig is omdat daarvoor geen aanleiding bestond. De – terechte –aanleiding bestond in de in de beslissing in primo gememoreerde gegevens en bescheiden verstrekt door de Belastingdienst over de jaren 2021, 2022 en 2023.
De intrekking van de vergunningen
6. Eiser stelt dat hij voldoende informatie heeft overgelegd om een inhoudelijke beoordeling van het al dan niet bestaan van “ernstig gevaar” in de zin van artikel 3 van Pro de wet mogelijk te maken. De burgemeester heeft zijns inziens niet concreet aangegeven welke informatie nog ontbrak. Daarom heeft de burgemeester ten onrechte aangenomen dat sprake is van een weigering van het voldoen aan de informatieplicht. Zodoende is volgens eiser ook geen sprake van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid. Verder stelt hij dat hij voor de aanlevering van de gevraagde informatie afhankelijk is van zijn boekhouder die zijn administratie niet goed op orde heeft gehouden.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 7a, derde lid, van de Wet bibob en dat daarom, op grond van artikel 4 van Pro de wet, sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van die wet. Eiser is immers verzocht om informatie aan te leveren, niet alleen op 7 juli 2023, maar ook nog daarna, op 14 september 2023 en 26 oktober 2023. Daarbij is uitvoerig uiteengezet welke informatie reeds was aangeleverd en welke informatie nog ontbrak. Daarover kan dan ook geen onduidelijkheid hebben bestaan bij eiser. De rechtbank wijst erop dat eiser ook ten tijde van de zitting een deel van deze informatie nog altijd niet heeft overgelegd, ondanks toezeggingen van de gemachtigde van eiser in het beroepschrift. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat hij in een situatie van overmacht verkeerde omdat hij voor de aanlevering van deze informatie afhankelijk is van zijn boekhouder. Zij wijst er op dat eiser eindverantwoordelijk is voor het bijhouden van zijn eigen administratie en dus ook voor het werk van zijn boekhouder.
6.2.
Omdat sprake is van ernstig gevaar, was de burgemeester bevoegd de horeca-exploitatievergunning alsmede de Alcoholwetvergunning van eiser in te trekken. Dat niet volstaan kon worden met een lichtere maatregel, omdat cruciale gegevens voor het beoordelen van het risico op misbruik van het bedrijf voor – kortweg – ongewenste of illegale activiteiten ontbreken, acht de rechtbank afdoende gemotiveerd. De maatregel was derhalve evenredig als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de wet.
Sluiting van het bedrijf
7. Eiser stelt ten slotte dat de sluiting van het horecabedrijf op 19 juni 2024 onterecht was. Het bedrijf was immers, anders dan de toezichthouders zeggen te hebben geconstateerd, niet open voor publiek.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Het rapport van de toezichthouders van 19 juni 2024 toont genoegzaam aan dat het bedrijf op 19 juli 2024 geopend was voor het publiek en dus werd geëxploiteerd. De betwisting van eiser geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De burgemeester heeft terecht aanleiding gezien om het bedrijf met toepassing van spoedeisende bestuursdwang te sluiten. Het was immers eiser na de intrekking van de horeca-exploitatievergunning al reeds per 5 juni 2024 niet langer toegestaan om het horecabedrijf te exploiteren.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Wet bibob
Artikel 3
1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij (…) een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
b. strafbare feiten te plegen.
(…)
5. De (…) intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van het gevaar en
b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
(…)
Artikel 4
1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 7a, derde lid, wordt de weigering van de vergunninghouder (…) om een formulier als bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, volledig in te vullen, aangemerkt als ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
(…)
Artikel 7
1. Een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan door (…) de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.
(…)
Artikel 7a
(…)
3. De betrokkene verschaft het bestuursorgaan (…) de gegevens en bescheiden, indien onderzoek wordt gedaan met het oog op een beslissing ter zake van de intrekking van een beschikking (…).
(…)
5. Bij ministeriele regeling worden een of meer formulieren vastgesteld voor het verstrekken van de in het (…) derde lid bedoelde gegevens en bescheiden (…).
Alcoholwet
Artikel 31
(…)
3. Een vergunning kan (…) door de burgemeester worden ingetrokken, indien a. er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. (…)
APV Zaanstad 2013
Artikel 2:28 Exploitatievergunning Pro horecabedrijf
1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
(…)
Artikel 2:30a Sluiting horecabedrijf
1. De burgemeester kan een horecabedrijf tijdelijk of voor onbepaalde tijd sluiten indien:
a. dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;
(…)