3.3.[gedaagde] B.V. concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de gemeente in haar vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de gemeente in de proceskosten. Zij voert hiervoor de volgende verweren aan:
[gedaagde] B.V. kon en mocht verwachten dat haar erfpachtrecht zou worden verlengd,
Op grond van artikel 10 van de erfpachtakte mocht [gedaagde] B.V. uitgaan van een voortdurend erfpachtrecht,
De belangen van de gemeente rechtvaardigen niet de beëindiging van het erfpachtrecht; dat geldt temeer omdat [gedaagde] B.V. meewerkt aan de door de gemeente ter plaatse voorgestane ontwikkeling,
[gedaagde] B.V. wil zelf realiseren wat de gemeente ter plaatse wenst en doet daarom een beroep op zelfrealisatie,
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur staan aan toewijzing van de vorderingen van de gemeente in de weg.
Voor de onderbouwing van deze verweren verwijst [gedaagde] B.V. naar de inhoud van de door de gemeente overgelegde correspondentie.
Verder (6) voert [gedaagde] B.V. aan dat de regels uit de Didam-rechtspraak niet in de weg staan aan voortgezet gebruik van de percelen door [gedaagde] B.V. (op basis van een nader te bepalen titel), omdat [gedaagde] B.V. als de enige serieuze gegadigde kan worden gezien en bovendien met recht kan worden volgehouden dat zij al rechten op de percelen heeft verworven.
Ook (7) voert [gedaagde] B.V. aan dat zij niet kan worden verplicht over te gaan tot sloop en ontruiming zolang partijen nog serieus in gesprek zijn over de herontwikkeling en zolang de herontwikkelingsplannen nog niet zijn uitgekristalliseerd, en het dus ook niet duidelijk is of de opstallen nog (deels) gebruikt kunnen worden bij de herontwikkeling.
Subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] B.V. gehouden is de percelen aan de gemeente op te leveren, voert [gedaagde] B.V. (nogmaals) aan dat hij niet kan worden verplicht de opstallen te slopen zolang niet vaststaat dat de betreffende opstallen niet (deels) kunnen worden hergebruikt; bij die stand van zaken heeft de gemeente geen rechtens te respecteren belang bij sloop terwijl de belangen van [gedaagde] B.V. rechtvaardigen dat zij niet onnodig hoeft te slopen en op kosten gejaagd wordt.
Verder heeft [gedaagde] B.V. aangevoerd dat de in de dagvaarding genoemde termijn van 60 dagen om de sloopwerkzaamheden te realiseren te kort is.
Tot slot heeft [gedaagde] B.V. verzocht een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.