ECLI:NL:RBNHO:2026:54

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
C/15/345083/HA ZA 23-576
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot nakoming van sloop- en ontruimingsverplichting door de gemeente Zandvoort

In deze civiele zaak vordert de gemeente Zandvoort nakoming van de sloop- en ontruimingsverplichting door [gedaagde] B.V. van twee percelen die in erfpacht zijn gegeven. De erfpachttermijn is inmiddels verstreken, en de gemeente stelt dat [gedaagde] B.V. verplicht is de opstallen te slopen en de percelen in onbebouwde toestand op te leveren. [gedaagde] B.V. voert verweer en stelt dat zij niet kan worden verplicht tot sloop zolang er nog onderhandelingen gaande zijn over herontwikkeling van het gebied. De rechtbank oordeelt dat de vordering van de gemeente toewijsbaar is, omdat de erfpachtrechten zijn geëindigd en [gedaagde] B.V. niet kan blijven rekenen op verlenging van deze rechten. De rechtbank wijst de vordering van de gemeente toe en stelt een termijn van 12 maanden voor de sloop en 16 maanden voor de oplevering van de percelen. Tevens wordt [gedaagde] B.V. veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/345083 / HA ZA 23-576
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
GEMEENTE ZANDVOORT,
te Zandvoort,
eisende partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. P.F.P. Nabben,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] B.V.,
advocaat: mr. B.P. van Overeem.
De zaak in het kort
In 2002 heeft [gedaagde] B.V. de rechten van erfpacht verkregen van twee percelen (bekend als het voormalige Dolfirama) in [plaats]. De erfpachttermijn is inmiddels verstreken en tussen partijen bestaat al jaren discussie over (onder meer) de vraag of de erfpachtrechten van [gedaagde] B.V. na het einde van de erfpachttermijn zijn geëindigd.
Op grond van de erfpachtakte en de toepasselijke algemene bepalingen vordert de gemeente in deze procedure dat [gedaagde] B.V. de opstallen op de percelen sloopt en de percelen (ontruimd en in onbebouwde toestand) aan de gemeente oplevert. De gemeente wil het gebied waarin de percelen zijn gelegen (het Entreegebied) namelijk herontwikkelen en ziet zich daarbij belemmerd door de aanspraken van [gedaagde] B.V. De gemeente wil vrij kunnen onderhandelen (met [gedaagde] B.V. en ook met andere partijen) en zij wil dat de besluitvorming over de herontwikkeling op eerlijke en transparante wijze plaatsvindt zonder dat enige partij daarbij een (schijnbaar) voordeel krijgt.
[gedaagde] B.V. doet een beroep op een recht tot verlenging, althans voortzetting van de rechten van erfpacht. Ook doet [gedaagde] B.V. een beroep op het recht van zelfrealisatie. Verder betoogt [gedaagde] B.V. dat zij niet verplicht kan worden tot sloop en ontruiming zolang zij nog serieus met de gemeente in onderhandeling is over herontwikkeling en zolang de herontwikkelingsplannen nog niet zijn uitgekristalliseerd. [gedaagde] B.V. voert aan dat van haar nu niet verwacht kan worden dat zij aanzienlijke sloopkosten maakt terwijl nog niet vaststaat dat (een deel van) de opstallen niet opnieuw gebruikt kunnen worden bij de herontwikkeling.
De rechtbank wijst de vordering van de gemeente toe. Anders dan [gedaagde] B.V. betoogt, kon en mocht zij er niet vanuit gaan dat de erfpachtrechten zouden worden verlengd en heeft de gemeente bij haar niet het vertrouwen gewekt dat dit wel zou gebeuren. Ook komt aan [gedaagde] B.V. als gewezen erfpachter geen beroep op zelfrealisatie toe. Verder staan algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet in de weg aan toewijzing van de vordering van de gemeente en staat het de gemeente vrij haar vordering door te zetten ook al lopen er onderhandelingen met een aan [gedaagde] B.V. gelieerde vennootschap.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 augustus 2025;
- producties 1 tot en met 11 van [gedaagde] B.V.;
- de mondelinge behandeling van 10 november 2025, waarbij de advocaten het woord hebben gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft van de zitting aantekeningen bijgehouden.
1.2.
Op verzoek van partijen is de zaak twee weken aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen verder met elkaar te overleggen over een eventuele minnelijke oplossing.
Op 26 november 2025 hebben beide advocaten de rechtbank laten weten dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid en hebben zij vonnis gevraagd, waarna vonnis is bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] B.V. heeft bij akte van levering van 3 juni 2002 door koop de volgende erfpachtrechten verkregen op de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie C, nummers [kadaster nummer 1] en [kadaster nummer 2], bekend als het voormalige Dolfirama in [plaats] (hierna ook: de percelen):
het erfpachtrecht, eindigende op één en dertig mei tweeduizend zeventien, van een perceel grond te [plaats] aan het [adres], eigendom van de gemeente [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie C, nummer [kadaster nummer 1], groot zeventien are drie en tachtig centiare, met de rechten van de erfpachter op de daarop gestichte opstallen van het voormalig Dolfirama, plaatselijk bekend als [adres] [nummer] te (…) [plaats] en omvattende trappenhuizen, gangen, dienstruimten en verdere aanhorigheden;
het erfpachtrecht, eindigende op acht en twintig februari tweeduizend dertien, van een perceel grond gelegen te [plaats] en grenzend aan het hiervoor sub a. omschreven perceel, eigendom van de gemeente [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie C nummer [kadaster nummer 2], groot acht en veertig centiare.
2.2.
De notariële akte van levering houdt verder, voor zover relevant, het volgende in:
ERFPACHT
De erfpacht is tijdelijk en loopt voor wat betreft het sub a. vermelde erfpacht tot één en dertig mei tweeduizend zeventien en voor wat betreft het sub b. vermelde erfpachtrecht tot acht en twintig februari tweeduizend dertien.
2.3.
Artikel 10 van de akte van 31 mei 1967, waarbij de erfpacht van perceel C-[kadaster nummer 1] in een groter geheel oorspronkelijk is gevestigd, luidt:
Gedurende een termijn, aanvangende op heden en eindigende tien jaar na heden, zal de erfpachter, eventueel haar opvolgers in het erfpachtrecht, het recht van koop hebben van de bij deze akte in tijdelijke erfpacht uitgegeven en aanvaarde grond en wel voor een koopsom van tweehonderd duizend gulden (f. 200.000,- -)
2.4.
In de op de erfpacht toepasselijke Algemene Bepalingen voor tijdelijke erfpacht voor industriële doeleinden 1937 (hierna: AB37) (perceel C-[kadaster nummer 2]) en Algemene Bepalingen voor tijdelijke erfpacht voor industriële doeleinden 1955 (hierna: AB55) (perceel C-[kadaster nummer 1]) zijn de volgende, gelijkluidende, bepalingen opgenomen:
Artikel 7
1. De erfpachter kan (…) uiterlijk drie jaren vóór het einde van het erfpachtsrecht, van den Gemeenteraad een beslissing vorderen omtrent de verlenging van het erfpachtsrecht met een termijn, ten hoogste gelijk aan dien, welke reeds sedert de erfpachtuitgifte (…) is verstreken.
2. Hij richt daartoe een met redenen omkleed schrijven tot Burgemeester en Wethouders, onder vermelding van het aantal jaren, waarvoor de verlenging gevraagd wordt (…)
(…)
Artikel 15
Indien het erfpachtsrecht eindigt door het verstrijken van den termijn, waarvoor het recht is verleend, kan de Gemeente vorderen, dat het terrein alsdan wordt opgeleverd, ontdaan van opstallen en zoveel mogelijk in den toestand waarin het werd uitgegeven.
(…)
Artikel 21
1. In geval van beëindiging van het erfpachtsrecht door het verstrijken van den termijn, als bedoeld in art. 15 (…) kan de erfpachter ontheven worden van de verplichting tot slooping der opstallen.
2 Hij richt daartoe een schriftelijk verzoek tot het Gemeentebestuur uiterlijk drie jaren vóór het verstrijken van den termijn, bedoeld in art. 15 (…)
(…)
2.5.
De percelen zijn blijkens de uitgifteakten destijds als onbebouwde grond in erfpacht uitgegeven.
Een aan [gedaagde] B.V. gelieerde vennootschap is erfpachter van het nabij de percelen gelegen Palace Hotel.
2.6.
Bij brief van 21 november 2016 heeft de gemeente aan [gedaagde] B.V. medegedeeld dat het recht van erfpacht op perceel C-[kadaster nummer 1] op 31 mei 2017 zal eindigen, dat de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheid om op grond van artikel 15 AB55 te vorderen dat het terrein leeg en dus vrij van opstallen wordt opgeleverd en dat ze aan [gedaagde] B.V. een sloopverplichting oplegt.
2.7.
Bij brief van haar (toenmalig) advocaat van 19 december 2016 heeft [gedaagde] B.V. (de advocaat van) de gemeente bericht dat [gedaagde] B.V. de opstallen niet zal slopen en het perceel niet zal opleveren. In deze brief heeft [gedaagde] B.V., onder meer, een beroep gedaan op verlenging van de erfpachtrechten, althans op een recht op voortzetting daarvan tenzij een (dringend) gemeentelijk belang zich daartegen verzet.
2.8.
Bij brief van 15 maart 2017 heeft de advocaat van de gemeente gereageerd dat de gemeente haar standpunt handhaaft.
2.9.
Bij brief van 20 april 2017 heeft de gemeente aan de heer [gedaagde] geschreven:
Op 22 maart 2017 heeft u samen met uw architect, de heer [betrokkene 1] van ONX Architecten, een toelichting gegeven aan wethouder [betrokkene 2] en de heer [betrokkene 3] (projectleider Entree Zandvoort) op een ontwikkelplan op de locatie van het huidige Dolfirama.
Wij waarderen dat u uw bijdrage wilt leveren aan de herontwikkeling van het Palacegebied en dat u daarvoor een ontwikkelplan heeft opgesteld. Tijdens het gesprek hebben wij echter ook aangegeven dat de eerdere procesafspraken van kracht blijven. Wij hebben samen met u tot 1 juli 2016 een verkenning uitgevoerd om binnen de stedenbouwkundige, financiële en juridische kaders tot een haalbaar planconcept te komen. Zoals wij in onze brief van 11 juli 2016 hebben bevestigd, is deze verkenning helaas niet geslaagd. Ook is in de brief aangegeven dat de gemeente [plaats] daarom doorgaat met de herontwikkelingsopgave op de ‘locatie Dolfirama’ en dat de erfpacht (die op 31 mei 2017 afloopt) op reguliere wijze zal worden beëindigd.
Het op 22 maart 2017 door u gepresenteerde ontwikkelplan, verandert de situatie niet. De gemeente [plaats] gaat door met haar voorbereidingen om het Palacegebied te herontwikkelen. Te zijner tijd kunt u (net als alle andere geïnteresseerde marktpartijen) in het kader van de aanbesteding een inschrijving indienen.
2.10.
Bij brief van 13 oktober 2017 aan (de toenmalig advocaat van) [gedaagde] B.V. heeft de gemeente geschreven dat de erfpacht is geëindigd op 31 mei 2017, dat de gemeente de erfpacht op die datum als geëindigd beschouwt en de op [gedaagde] B.V. rustende sloopverplichting handhaaft.
2.11.
Bij brief van haar (toenmalig) advocaat van 15 november 2017 heeft [gedaagde] B.V. geschreven dat zij zich niet gehouden acht de percelen op te leveren, dat zij met de gemeente wil overleggen over hernieuwde erfpachtuitgifte of overdracht van de percelen en daartoe binnen twee weken een concreet voorstel aan de gemeente zal doen.
Bij brief van 15 december 2017 heeft (de toenmalig advocaat van) [gedaagde] B.V. aan de gemeente voorgesteld dat zij ([gedaagde] B.V.) op de percelen een hotel in de vier sterren categorie realiseert en daartoe de percelen van de gemeente koopt voor € 1.200.000,00 k.k.
2.12.
Bij brief (van haar advocaat) van 17 april 2018 heeft de gemeente het bod van [gedaagde] B.V. van 15 december 2017 afgewezen.
2.13.
Bij brief (van haar advocaat) van 14 november 2019 heeft de gemeente [gedaagde] B.V. uitgenodigd in overleg te treden over de wijze van uitvoering van de sloopverplichting van [gedaagde] B.V. en een eventuele verdeling van daarmee gemoeide kosten.
2.14.
In december 2021 heeft de gemeenteraad de “Stedebouwkundige Visie Entreegebied Zandvoort” vastgesteld. Onderdeel van dit plan is uitbreiding van het Palace Hotel.
2.15.
Bij brief (van haar advocaat) van 27 september 2022 heeft de gemeente het volgende geschreven aan (de advocaat van) [gedaagde] B.V.:
In deze brief geef ik namens de gemeente de stand van zaken m.b.t. de oplevering van de Dolfirama-locatie en het overleg over de uitbreidingsplannen voor het Palace Hotel van uw cliënte.
Dolfirama
In het geschil over de oplevering van de voormalige erfpacht van de locatie die bij partijen bekend is als “Dolfirama” komen we in een beslissende fase. De dringendheid is sterk toegenomen vanwege de veiligheidsrisico’s die onlangs in volle omvang duidelijk zijn geworden. Van een ‘ontwikkelrecht’ of andere aanspraken van uw cliënt is niets gebleken. De herontwikkeling van het gebied komt dichterbij.
Anderzijds zal de oplevering (met name de sloop en/of sanering) nog geruime tijd vragen. Een en ander brengt de gemeente ertoe om op korte termijn aan te sturen op de oplevering van de Dolfirama-locatie.
Uit ons recent overleg maakte ik op dat uw cliënt desondanks plannen wil voorleggen waarin herbestemming van de Dolfirama-locatie wordt betrokken. Dat is uiteraard mogelijk, maar de gemeente laat weten dat het voorbereiden van de procedure intussen doorgaat en dat zij vooralsnog streeft naar feitelijke oplevering voor het einde van dit jaar. (…)

3.Het geschil

3.1.
De gemeente vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] B.V. veroordeelt om binnen 60 dagen na betekening van dit vonnis de opstallen die zich bevinden op de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie C nummer [kadaster nummer 1] en [kadaster nummer 2], voortvarend en in één stroom, te slopen, het sloopafval te verwijderen en aansluitend aan de sloop, maar in ieder geval binnen 6 maanden na betekening van dit vonnis, genoemde percelen leeg en ontruimd aan de gemeente op te leveren, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] B.V. in de proceskosten.
3.2.
De gemeente legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de erfpachtrechten van [gedaagde] B.V. zijn geëindigd en dat [gedaagde] B.V. op grond van de oorspronkelijke erfpachtakte en de toepasselijke algemene bepalingen verplicht is de percelen te ontruimen, de op de percelen aanwezige opstallen en andere werken voor eigen rekening te slopen en de percelen in onbebouwde toestand aan de gemeente op te leveren. Mede gelet op de voortgang in de herontwikkeling wil de gemeente de handen vrij hebben en niet gehinderd worden door (vermeende) aanspraken van [gedaagde] B.V.
Ter zitting heeft de gemeente verklaard dat zij begrijpt dat voor de sloop mogelijk een langere termijn nodig zal zijn dan 60 dagen en dat de termijn voor sloop mag worden bepaald op 12 maanden na betekening van het vonnis.
3.3.
[gedaagde] B.V. concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de gemeente in haar vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de gemeente in de proceskosten. Zij voert hiervoor de volgende verweren aan:
[gedaagde] B.V. kon en mocht verwachten dat haar erfpachtrecht zou worden verlengd,
Op grond van artikel 10 van de erfpachtakte mocht [gedaagde] B.V. uitgaan van een voortdurend erfpachtrecht,
De belangen van de gemeente rechtvaardigen niet de beëindiging van het erfpachtrecht; dat geldt temeer omdat [gedaagde] B.V. meewerkt aan de door de gemeente ter plaatse voorgestane ontwikkeling,
[gedaagde] B.V. wil zelf realiseren wat de gemeente ter plaatse wenst en doet daarom een beroep op zelfrealisatie,
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur staan aan toewijzing van de vorderingen van de gemeente in de weg.
Voor de onderbouwing van deze verweren verwijst [gedaagde] B.V. naar de inhoud van de door de gemeente overgelegde correspondentie.
Verder (6) voert [gedaagde] B.V. aan dat de regels uit de Didam-rechtspraak niet in de weg staan aan voortgezet gebruik van de percelen door [gedaagde] B.V. (op basis van een nader te bepalen titel), omdat [gedaagde] B.V. als de enige serieuze gegadigde kan worden gezien en bovendien met recht kan worden volgehouden dat zij al rechten op de percelen heeft verworven.
Ook (7) voert [gedaagde] B.V. aan dat zij niet kan worden verplicht over te gaan tot sloop en ontruiming zolang partijen nog serieus in gesprek zijn over de herontwikkeling en zolang de herontwikkelingsplannen nog niet zijn uitgekristalliseerd, en het dus ook niet duidelijk is of de opstallen nog (deels) gebruikt kunnen worden bij de herontwikkeling.
Subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] B.V. gehouden is de percelen aan de gemeente op te leveren, voert [gedaagde] B.V. (nogmaals) aan dat hij niet kan worden verplicht de opstallen te slopen zolang niet vaststaat dat de betreffende opstallen niet (deels) kunnen worden hergebruikt; bij die stand van zaken heeft de gemeente geen rechtens te respecteren belang bij sloop terwijl de belangen van [gedaagde] B.V. rechtvaardigen dat zij niet onnodig hoeft te slopen en op kosten gejaagd wordt.
Verder heeft [gedaagde] B.V. aangevoerd dat de in de dagvaarding genoemde termijn van 60 dagen om de sloopwerkzaamheden te realiseren te kort is.
Tot slot heeft [gedaagde] B.V. verzocht een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader in.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de termijnen (van 50 jaar) waarvoor de erfpachtrechten zijn uitgegeven zijn verstreken op 28 februari 2013 respectievelijk 31 mei 2017. Hetgeen [gedaagde] B.V. heeft aangevoerd maakt niet dat de erfpachtrechten zijn verlengd of dat [gedaagde] B.V. andere aanspraken heeft met betrekking tot de percelen. Verder staat het gegeven dat [gedaagde] B.V. en/of (een) aan haar gelieerde partij(en) nog in onderhandeling is/zijn met de gemeente over de herontwikkeling van het Entreegebied niet in de weg aan de vordering van de gemeente tot sloop en oplevering in onbebouwde toestand. De rechtbank licht dit hierna toe aan de hand van de door [gedaagde] B.V. aangevoerde verweren.
Een eventuele toezegging door de toenmalig wethouder aan de voorgangers van [gedaagde] B.V. heeft geen gerechtvaardigde verwachtingen bij [gedaagde] B.V. kunnen wekken dat haar erfpachtrechten zouden worden verlengd
4.2.
[gedaagde] B.V. voert aan dat zij kon en mocht verwachten dat de erfpachtrechten zouden worden verlengd omdat in de jaren ’60 van de vorige eeuw, voorafgaand aan de uitgifte van de erfpachtrechten, toenmalig wethouder [betrokkene 4] aan de rechtsvoorgangers van [gedaagde] B.V., de heren [betrokkene 5] en [betrokkene 6], heeft toegezegd dat uitgifte in tijdelijke erfpacht geen effect had voor het voortdurend gebruik van de percelen, dat het evengoed eeuwigdurende erfpacht had kunnen zijn en dat het niet de bedoeling was om de percelen die in erfpacht werden uitgegeven weer terug te halen.
4.3.
De gemeente heeft betwist dat deze toezegging is gedaan. Als de wethouder de toezegging zou hebben gedaan, zou hij daartoe bovendien niet bevoegd zijn geweest. En als hij die bevoegdheid wel zou hebben gehad, zou die toezegging bovendien een louter obligatoir karakter hebben gehad waaraan alleen de toenmalige erfpachters rechten hadden kunnen ontlenen, omdat er niets van terug te vinden is in de akte van erfpacht.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de voorwaarden waaronder een perceel in erfpacht wordt gegeven worden bepaald door de notariële vestigingsakte, de daarop toepasselijke algemene bepalingen en de wettelijke bepalingen. De rechtszekerheid vereist dat een notariële vestigingsakte objectief wordt uitgelegd in het licht van de gehele inhoud van de akte. Met de gemeente is de rechtbank van oordeel dat, als de toezegging indertijd al zou zijn gedaan (hetgeen de rechtbank in het midden laat, evenals de vraag of de toenmalig wethouder bevoegd was een dergelijke toezegging te doen), de toezegging hoogstens een obligatoir karakter kan hebben gehad zodat alleen de oorspronkelijke erfpachters daarop een beroep zouden hebben kunnen doen. Noch in de notariële vestigingsakte noch in de notariële akte tot levering van de erfpachtrechten aan [gedaagde] B.V. is de toezegging als bedoeld door [gedaagde] B.V. terug te vinden. Om die reden faalt dit verweer van [gedaagde] B.V.
[gedaagde] B.V. kon en mocht op grond van artikel 10 van de oorspronkelijke erfpachtakte niet uitgaan van een voortdurend erfpachtrecht
4.5.
[gedaagde] B.V. voert aan dat zij op grond van artikel 10 van de (oorspronkelijke) erfpachtakte, dat de erfpachter gedurende de eerste 10 jaar een recht van koop geeft (zie r.o. 2.3), mocht aannemen dat feitelijk sprake was van een voortdurend erfpachtrecht. Als de toenmalige erfpachter of diens rechtsopvolger van dat kooprecht gebruik had gemaakt, zou de gemeente op dit moment alleen over het perceel kunnen beschikken door onteigening, aldus [gedaagde] B.V.
4.6.
De gemeente heeft bestreden dat het bestaan van een kooprecht in de erfpachtakte de door [gedaagde] B.V. gewenste betekenis heeft. Het kooprecht is niet uitgeoefend zodat het erfpachtrecht een tijdelijk erfpachtrecht is gebleven. Dat het om een tijdelijk erfpachtrecht gaat wordt onderstreept door artikel 7 AB55 (en AB37) (zie r.o. 2.4), dat voorziet in de mogelijkheid om bij de gemeente een verzoek om verlenging in te dienen, aldus de gemeente.
4.7.
Ook dit verweer van [gedaagde] B.V. faalt. Artikel 10 van de oorspronkelijke erfpachtakte heeft niet de betekenis die [gedaagde] B.V. daaraan wenst te geven. Tussen partijen is niet in geschil dat de toenmalige erfpachter(s) geen gebruik hebben gemaakt van het kooprecht binnen de in artikel 10 van de erfpachtakte genoemde termijn, waarna dit kooprecht (vanaf 1 juni 1977) dus was uitgewerkt. Mede in het licht van de verlengingsprocedure van artikel 7 AB55 (en AB37) valt niet in te zien dat [gedaagde] B.V. er op grond van een niet gebruikte en inmiddels verlopen koopoptie van uit mocht gaan dat sprake was van een voortdurend erfpachtrecht.
De stelling dat de belangen van de gemeente niet de beëindiging van het erfpachtrecht rechtvaardigen, temeer omdat [gedaagde] B.V. meewerkt aan de door de gemeente ter plaatse voorgestane ontwikkeling, gaat niet op
4.8.
[gedaagde] B.V. voert aan dat de belangen van de gemeente niet het beëindigen van het erfpachtrecht rechtvaardigen en dat dit temeer geldt omdat [gedaagde] B.V. meewerkt aan de door de gemeente ter plaatse voorgestane ontwikkeling. [gedaagde] B.V. legt hieraan ten grondslag dat ten opzichte van haar rechtsvoorgangers, [betrokkene 5] en [betrokkene 6], steeds als uitgangspunt is gehanteerd dat zij aanspraak konden maken op verlenging van de erfpachtrechten tenzij een gemeentebelang zich daartegen zou verzetten. Volgens [gedaagde] B.V. vormen de door de gemeente aangevoerde herinrichtingsplannen niet een dergelijk (dringend) gemeentelijk belang op grond waarvan voortzetting van de erfpachtrechten (door verlenging of heruitgifte) kan worden geweigerd. [gedaagde] B.V. benadrukt daarbij dat zij bereid en in staat is tot de herontwikkeling die de gemeente wenst te realiseren.
4.9.
De gemeente heeft er in de eerste plaats op gewezen dat [gedaagde] B.V. geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 7 AB55 (en AB37) vastgelegde procedure die erin voorziet dat een erfpachter tot 3 jaar voor het einde van de erfpacht een verlengingsverzoek kan indienen. In de tweede plaats voorziet de verlengingsprocedure van artikel 7 AB55 (en AB37) volgens de gemeente niet in de regel dat verlenging wordt toegewezen ‘tenzij het gemeentebelang zich daartegen verzet’. Voor zover [gedaagde] B.V. dit baseert op stukken die ter sprake zijn gekomen in een procedure tussen de gemeente en andere erfpachters (van de kiosken aan de Passage) gaat dat beroep niet op omdat het in die procedure om een andere uitgifte ging. Het raadsbesluit (van 12 december 1962) waar in die procedure een beroep op werd gedaan wordt in de considerans van de erfpachtakten van de percelen waar het in deze procedure om gaat niet genoemd. Bovendien was het raadsbesluit slechts gericht op interne besluitvorming van de gemeente. Tot slot is geen van de bepalingen uit het raadsbesluit opgenomen in de erfpachtakte of in de AB55, zodat ze geen onderdeel uitmaken van de toepasselijke erfpachtbepalingen, aldus de gemeente.
4.10.
De rechtbank stelt ook hier voorop dat de voorwaarden waaronder een perceel in erfpacht wordt gegeven worden bepaald door de notariële vestigingsakte, de daarop toepasselijke algemene bepalingen en de wettelijke bepalingen en dat de rechtszekerheid vereist dat een notariële vestigingsakte objectief wordt uitgelegd in het licht van de gehele inhoud van de akte. De rechtbank constateert dat artikel 7 AB55 (en AB37) voorziet in een duidelijk omschreven procedure, met duidelijke termijnen, voor de erfpachter om een verzoek tot verlenging van de erfpacht in te dienen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] B.V. geen verlengingsverzoek heeft ingediend op grond van artikel 7 AB55 (en AB37). Reeds op die grond luidt de conclusie dat de erfpachtrechten door tijdsverloop zijn geëindigd; er is geen sprake van een door de gemeente te beoordelen verlengingsverzoek.
Bovendien bepaalt artikel 7 AB55 (en AB37) niet dat de gemeente een verlengingsverzoek in beginsel moet toewijzen tenzij het gemeentebelang zich daartegen verzet. Ook hier geldt dat eventuele toezeggingen aan rechtsvoorgangers van [gedaagde] B.V. hoogstens een obligatoir karakter kunnen hebben gehad ten opzichte van de rechtsvoorgangers en dat [gedaagde] B.V. er geen beroep op kan doen omdat deze (vermeende) toezeggingen niet zijn terug te vinden in de notariële vestigingsakte noch in de notariële akte tot levering van de erfpachtrechten aan [gedaagde] B.V.
Het beroep van [gedaagde] B.V. op zelfrealisatie gaat niet op
4.11.
[gedaagde] B.V. beroept zich op zelfrealisatie en legt hieraan - naar de rechtbank begrijpt - ten grondslag dat zij bereid en in staat is tot de herontwikkeling die de gemeente wenst te realiseren.
4.12.
De gemeente betoogt dat een beroep op zelfrealisatie is voorbehouden aan de eigenaar van een perceel die dreigt te worden onteigend, en niet toekomt aan een (gewezen) erfpachter. Volgens de gemeente kan een erfpachter ook niet zelf realiseren omdat hij de gemeente als eigenaar van de grond nodig zal hebben voor het verkrijgen van een nieuwe gebruiksbestemming en omdat ook niet vaststaat dat een nieuwe bestemming past binnen de grenzen van de erfpachtgrond.
4.13.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] B.V. geen beroep toekomt op zelfrealisatie. Zoals de gemeente onbestreden naar voren heeft gebracht, is zelfrealisatie een begrip uit het onteigeningsrecht: de mogelijkheid en bereidheid tot zelfrealisatie (door de eigenaar van een perceel) kan meebrengen dat er geen noodzaak tot onteigening bestaat. In het onderhavige geval is de situatie anders. [gedaagde] B.V. is immers geen eigenaar van de percelen. De erfpachtrechten van [gedaagde] B.V. zijn bovendien door tijdsverloop geëindigd, zodat de gemeente weer de volledige eigendom heeft van de percelen. Uitgangspunt is dat de gemeente als eigenaar van de grond zelf mag beschikken over de invulling van het gebruik van de grond, en dus zelf kan kiezen welke partij(en) zij inschakelt voor de herontwikkeling. Dat (een aan) [gedaagde] B.V. (gelieerde vennootschap) in de loop der jaren verschillende plannen heeft ingediend bij de gemeente, daarvoor de nodige kosten heeft gemaakt en daarover met de gemeente heeft onderhandeld maakt niet dat [gedaagde] B.V. als gewezen erfpachter een recht op (zelf)realisatie heeft verworven en dat de gemeente haar in staat moet stellen deze plannen te realiseren. De vraag of algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de gegeven omstandigheden meebrengen dat de gemeente de herontwikkeling door [gedaagde] B.V. (of een aan haar gelieerde vennootschap) moet laten uitvoeren komt hierna aan de orde.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur staan niet aan toewijzing van de vordering van de gemeente in de weg
4.14.
[gedaagde] B.V. voert aan dat de gemeente op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur de erfpacht had moeten verlengen. Het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel brengen volgens [gedaagde] B.V. mee dat het belang van de gemeente om een bepaalde ontwikkelaar het perceel te laten ontwikkelen, als dat al een publiek belang is, niet opweegt tegen de schade die [gedaagde] B.V. als gevolg daarvan leidt; [gedaagde] B.V. loopt dan niet alleen de mogelijkheid mis de door haar gedane investeringen in de aankoop van het erfpachtrecht en de ontwikkelplannen die zij heeft gemaakt terug te verdienen, maar wordt ook de mogelijkheid ontnomen om daarop winst te maken. Verder brengen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, volgens [gedaagde] B.V. mee dat de gemeente geen beroep op artikel 7 AB55 (en AB37) toekomt, omdat de gemeente in de Notitie Erfpacht Middenboulevard van 24 januari 2009 heeft gesteld dat de erfpachtrechten niet zullen worden verlengd, maar dat de gemeente tot heruitgifte wilde overgaan. Indien de gemeente nu wel een beroep op artikel 7 AB55 (en AB37) doet heeft zij [gedaagde] B.V. op het verkeerde been gezet, terwijl artikel 7 AB55 (en AB37) ook wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is, aldus [gedaagde] B.V.
4.15.
De gemeente heeft ter weerlegging van dit verweer bestreden dat zij jegens [gedaagde] B.V. de legitieme verwachting heeft gewekt dat de erfpachtrechten zullen worden verlengd op basis van de in de erfpachtakte opgenomen koopoptie. Verder heeft de gemeente aangevoerd dat zij moet kunnen deelnemen aan het gewone civiele rechtsverkeer en er dus op moet kunnen vertrouwen dat een door haar uitgegeven tijdelijk gebruiksrecht ook daadwerkelijk eindigt na het verstrijken van de overeengekomen bepaalde tijd.
Over de Notitie Erfpacht Middenboulevard van 24 januari 2009 heeft de gemeente (in de brief van haar advocaat van 15 maart 2017) betoogd dat deze notitie geen besluiten of toezeggingen bevat, dat de gemeente haar beleid mag wijzigen, dat in deze notitie slechts (drie) ‘mogelijkheden’ worden beschreven die de gemeente ten dienste staan na beëindiging van de erfpacht en dat geen van deze mogelijkheden betrekking heeft op een aanbod tot heruitgifte aan bestaande erfpachters. Als er al gehoudenheid bestond tot onderhandelen met de bestaande erfpachter, heeft dat volgens de gemeente niet tot overeenstemming geleid.
4.16.
De rechtbank is van oordeel dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet aan toewijzing van de vordering van de gemeente in de weg staan.
Het door [gedaagde] B.V. aangehaalde zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat elk besluit door de overheid zorgvuldig wordt voorbereid en dat alle relevante feiten en belangen worden afgewogen voordat er een besluit wordt genomen. Het door [gedaagde] B.V. aangehaalde evenredigheidsbeginsel houdt in dat de overheid ervoor moet zorgen dat de lasten of nadelige gevolgen van een overheidsbesluit voor een burger niet onevenredig zijn aan de met dat besluit te dienen doelen. Hetgeen [gedaagde] B.V. aanvoert leidt niet tot de conclusie dat de gemeente deze beginselen heeft geschonden. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de gemeente een duidelijk belang heeft bij herontwikkeling van het gebied waarin de percelen zijn gelegen. De gemeente heeft in deze procedure verder toegelicht dat zij in het proces van herontwikkeling open staat voor onderhandelingen met [gedaagde] B.V. of een aan [gedaagde] B.V. gelieerde vennootschap, maar dat zij tegelijkertijd in dit proces niet wil worden beperkt door (vermeende) aanspraken van [gedaagde] B.V. en vrij wil zijn om ook met een derde partij te onderhandelen. Anders dan [gedaagde] B.V. betoogt, brengen het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel niet mee dat het belang van de gemeente om zelf een ontwikkelaar te kiezen voor de percelen niet opweegt tegen de schade die [gedaagde] B.V. als gevolg daarvan leidt en de winst die [gedaagde] B.V. dan mogelijk misloopt. [gedaagde] B.V. heeft er immers zelf voor gekozen de erfpachtrechten op de percelen in 2002 te kopen en voor [gedaagde] B.V. had het van meet af aan duidelijk moeten zijn dat de erfpachtrechten die zij kocht tijdelijk van aard waren en dat deze respectievelijk in 2013 (perceel C-[kadaster nummer 2]) en 2017 (perceel C-[kadaster nummer 1]) zouden aflopen. Dit blijkt immers, zoals hiervoor overwogen, uit de leveringsakte en de daarop van toepassing zijnde algemene bepalingen. De gemeente heeft [gedaagde] B.V. er bovendien meermalen op gewezen dat zij weliswaar met haar of een met haar gelieerde vennootschap in gesprek wilde over herontwikkelingsplannen, maar dat zij tegelijkertijd [gedaagde] B.V. hield aan haar verplichting tot sloop en ontruiming van de percelen; de afwikkeling van de erfpachtrechten en de herontwikkeling van het gebied waren voor de gemeente steeds twee afzonderlijke trajecten. Aangezien, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen (zie r.o. 4.4), niet is gebleken van een toezegging door de gemeente waar [gedaagde] B.V. zich op kan beroepen, gaat het betoog van [gedaagde] B.V. dat de gemeente geen beroep op artikel 7 AB55 (en AB37) toekomt ook niet op.
De Notitie Erfpacht Middenboulevard 2009 leidt niet tot een ander oordeel. De gemeente heeft de door [gedaagde] B.V. daaraan toegekende strekking gemotiveerd betwist. Het had gelet op deze gemotiveerde betwisting op de weg van [gedaagde] B.V. gelegen haar verweer op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Dat de gemeente artikel 7 AB55 (en AB37) voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze bepaling bedoeld is, heeft [gedaagde] B.V. niet toegelicht en de rechtbank ziet ook niet in op grond waarvan dat het geval zou zijn.
De betekenis van het Didam-arrest op de rechtsverhouding tussen partijen
4.17.
[gedaagde] B.V. voert aan dat de regels van de Didam-arresten niet in de weg staan aan het voortgezet gebruik van de percelen door [gedaagde] B.V. op basis van een nader te bepalen titel. Gelet op de discussie tussen partijen over de aanspraken van [gedaagde] B.V. bestaat er voldoende aanleiding voor de gemeente om de percelen niet opnieuw in de markt aan te bieden. [gedaagde] B.V. heeft aangevoerd dat zij niet alleen kan worden gezien als de enige serieuze gegadigde, maar dat ook met recht kan worden volgehouden dat zij reeds rechten op de bestaande percelen heeft verworven.
4.18.
De gemeente stelt dat [gedaagde] B.V. twee dingen miskent, namelijk: 1. dat het bestaan van discussie over de vraag of aanspraak bestaat op verlenging van de erfpacht geen grond is voor een uitzondering op de Didam-regels en 2. dat een eventuele uitzondering op de Didam-regels een bevoegdheid schept om van de hoofdregels af te wijken, maar geen plicht om daarvan af te wijken.
4.19.
Met de gemeente is de rechtbank van oordeel dat voor zover er sprake zou zijn van een uitzondering op de Didam-regels (waarbij de rechtbank in het midden laat of die situatie zich hier voordoet), dit niet een
verplichtingzou scheppen voor de gemeente om die uitzondering te maken. Het verweer van [gedaagde] B.V. gaat om die reden niet op.
De betekenis van de lopende onderhandelingen en van de nog bestaande onduidelijkheid over het lot van de betonnen bak voor de verplichting van [gedaagde] B.V. tot sloop en ontruiming
4.20.
[gedaagde] B.V. voert aan dat het de gemeente niet vrijstaat om haar tot sloop en ontruiming van de percelen te dwingen zolang er tussen partijen nog serieuze gesprekken gaande zijn over herontwikkeling ter plaatse. Zolang niet duidelijk is wat er ter plaatse gerealiseerd gaat worden (en of de opstallen voor de herontwikkeling zouden kunnen worden gebruikt) kan [gedaagde] B.V. bovendien niet worden verplicht om tot kostbare sloop over te gaan, aldus [gedaagde] B.V.
4.21.
De gemeente betwist dat de lopende onderhandelingen in de weg staan aan de verplichting van [gedaagde] B.V. tot sloop en ontruiming. Voor sloop en ontruiming is alleen vereist dat de erfpacht is geëindigd, tenzij er juist wèl duidelijkheid zou bestaan over nieuwe plannen en de uitvoering daarvan aanstaande is. En die duidelijkheid is er juist niet, zoals [gedaagde] B.V. ook erkent. De consequentie van het honoreren van het verweer van [gedaagde] B.V. zou kunnen zijn dat de gemeente nog jarenlang inbreuk op haar eigendomsrecht zou moeten dulden. Die consequentie is volgens de gemeente onaanvaardbaar. De gemeente wil komen tot vrije, eerlijke en transparante besluitvorming en wil daarin niet worden belemmerd door beweerdelijke aanspraken van [gedaagde] B.V. Ter zitting heeft de gemeente verder verklaard dat zij wel oog heeft voor het belang van [gedaagde] B.V. om onnodige kapitaalvernietiging tegen te gaan, maar dat zij tegelijkertijd ook een eind wil maken aan de onduidelijkheid over de verplichting tot ontruiming en sloop, juist ook, zo begrijpt de rechtbank, om voortvarender te kunnen optreden in de onderhandelingen over de herontwikkeling.
4.22.
De rechtbank stelt bij de bespreking van deze verweren van [gedaagde] B.V. voorop dat uit hetgeen hiervoor in dit vonnis is overwogen volgt dat de erfpachtrechten op de percelen door tijdsverloop zijn geëindigd en dat geen sprake is van verlenging. Op grond van artikel 15 AB55 en AB37 (r.o. 2.4) kan de gemeente daarom in beginsel vorderen dat de percelen ontdaan van opstallen worden opgeleverd. Tussen partijen is bovendien niet in geschil dat [gedaagde] B.V. niet op grond van artikel 21 AB55 en AB37 uiterlijk drie jaren vóór het verstrijken van de erfpachttermijnen een schriftelijk verzoek heeft gedaan aan het gemeentebestuur om te worden ontheven van de sloopverplichting.
4.23.
De rechtbank heeft ter zitting geconstateerd dat de sloop van het Dolfirama en meer in het bijzonder die van de betonnen bak in perceel C-[kadaster nummer 1] een heet hangijzer is tussen partijen. [gedaagde] B.V. voorziet dat zij voor de sloop van deze betonnen bak hoge kosten zal moeten maken en wil daarom voorkomen dat zij tot sloop wordt gedwongen zolang niet duidelijk is wat het lot zal zijn van de betonnen bak. Dit acht de rechtbank begrijpelijk, en tegelijkertijd is het van belang onderscheid te maken tussen enerzijds de onderhandelingen over de herontwikkeling van het Entreegebied en anderzijds de verplichtingen van [gedaagde] B.V. in verband met het eindigen van de erfpacht. Gelet op het partijdebat en de link die [gedaagde] B.V. legt tussen de onderhandelingen en haar verplichtingen uit hoofde van het eindigen van de erfpacht, benadrukt de rechtbank dat de gemeente de onderhandelingen over de herontwikkeling niet voert met [gedaagde] B.V., maar met (de aan [gedaagde] B.V. gelieerde vennootschap) Palace Hotel Zandvoort B.V. Deze twee vennootschappen kunnen – hoewel ze aan elkaar gelieerd zijn – niet vereenzelvigd worden. Dit brengt met zich dat [gedaagde] B.V. aan deze onderhandelingen in beginsel geen rechten kan ontlenen. Dit geldt temeer omdat de gemeente er, zoals gezegd, vanaf het begin duidelijk over is geweest dat de kwestie van de afwikkeling van de erfpacht los moet staan van de gesprekken over de herontwikkeling en dat zij [gedaagde] B.V. zou houden aan haar sloop- en ontruimingsverplichting. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het betoog van [gedaagde] B.V. dat door de gebeurtenissen van de afgelopen jaren en met name van het afgelopen jaar (waarmee [gedaagde] B.V. kennelijk doelt op het overleg over de planvorming) de juridische positie van partijen anders is geworden.
De rechtbank zal partijen dan ook niet in de gelegenheid stellen een nadere conclusie te nemen om de voortgezette besprekingen juridisch te duiden in relatie tot het einde van het erfpachtrecht. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding [gedaagde] B.V. in de gelegenheid te stellen het parkeerplan nader toe te laten lichten en/of de gemeente te laten reageren op het concrete voorstel van [gedaagde] B.V. over de afwikkeling van het erfpachtrecht. Voorafgaande aan en tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten voldoende kunnen toelichten en de rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om dit vonnis te kunnen wijzen.
4.24.
Rest de vraag of [gedaagde] B.V. verplicht kan worden tot sloop over te gaan zolang niet duidelijk is wat er ter plaatse gerealiseerd gaat worden, en met name: of de betonnen bak en andere opstallen voor de herontwikkeling zouden kunnen worden gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat het gegeven dat het nog niet duidelijk is of de opstallen van het voormalig Dolfirama een rol krijgen in de herontwikkeling er niet toe kan leiden dat [gedaagde] B.V. wordt ontheven van haar sloop- en ontruimingsverplichting, zodat de rechtbank ook dit (subsidiaire) verweer van [gedaagde] B.V. verwerpt. Nogmaals zij hier herhaald dat [gedaagde] B.V. toen zij de tijdelijke erfpachtrechten in 2002 kocht uit de stukken kon opmaken wat haar rechten en plichten zijn. Hieronder valt ook de verplichting tot sloop nadat de erfpachtrechten door tijdsverloop zijn geëindigd. In dit verband weegt de rechtbank mee dat de gemeente gemotiveerd heeft aangevoerd waarom zij duidelijkheid wil over de sloop- en ontruimingsverplichting: de gemeente wil – na een jarenlange discussie met [gedaagde] B.V. over haar aanspraken en nadat de procedure een tijd heeft stilgelegen – tot vrije, eerlijke en transparante besluitvorming komen zonder daarbij beperkt te worden door beweerdelijke aanspraken van [gedaagde] B.V., juist ook – zo begrijpt de rechtbank – om voortvarender te kunnen optreden in de onderhandelingen over de herontwikkeling. Bovendien heeft de gemeente gemotiveerd uiteengezet dat zij oog heeft voor het belang van [gedaagde] B.V. om onnodige kapitaalvernietiging tegen te gaan en dat zij ook ingeval er een veroordelend vonnis komt zal dooronderhandelen met Palace Hotel Zandvoort B.V.
Termijn sloop
4.25.
[gedaagde] B.V. heeft het verweer gevoerd dat in redelijkheid niet van haar kan worden verlangd binnen 60 dagen na betekening van het vonnis – op verbeurte van dwangsommen – tot sloop van het Dolfirama over te gaan. Ook bestaan er volgens [gedaagde] B.V. praktische onmogelijkheden om aan een dergelijk ontruimingsvonnis te voldoen, omdat het Hoogheemraadschap nog een oordeel moet vellen over eventuele sloopwerkzaamheden omdat de bak zich bevindt in de waterkering.
4.26.
Naar aanleiding van dit verweer heeft de gemeente verklaard dat zij begrijpt dat voor de sloop mogelijk een langere termijn nodig zal zijn dan 60 dagen en dat de termijn voor sloop mag worden bepaald op 12 maanden na betekening van het vonnis.
4.27.
Aangezien [gedaagde] B.V. niet heeft gemotiveerd dat de ter zitting door de gemeente genoemde termijn van 12 maanden na betekening van dit vonnis te kort is om aan verplichting tot sloop te kunnen voldoen zal de rechtbank de termijn om tot sloop over te gaan stellen op 12 maanden en die termijn laten ingaan op de dag dat de gemeente het vonnis aan [gedaagde] B.V. doet betekenen. Aangezien de vordering in de dagvaarding erop neer komt dat [gedaagde] B.V. de percelen leeg en ontruimd aan de gemeente oplevert binnen 4 maanden na de sloop, zal de rechtbank [gedaagde] B.V veroordelen de percelen uiterlijk binnen 16 maanden na betekening van dit vonnis leeg en ontruimd aan de gemeente op te leveren.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.28.
[gedaagde] B.V. heeft de rechtbank tot slot verzocht het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gemeente heeft hiertegen bezwaar gemaakt en gesteld dat zij belang heeft bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis om te voorkomen dat de procedure nog langer in de lucht blijft hangen waardoor zij nog altijd niet vrij zal zijn om te beslissen over de percelen, die haar eigendom zijn.
4.29.
Bij de vraag of een vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard moet de rechtbank de belangen van partijen afwegen in het licht van de omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van de gemeente om duidelijkheid te krijgen over het einde van de erfpachtrechten en de verplichtingen tot sloop, ontruiming en oplevering zwaarder dan het belang van [gedaagde] B.V. bij behoud van de bestaande toestand tot op een eventueel rechtsmiddel is beslist. De gemeente heeft gemotiveerd uiteen gezet dat uitvoerbaarheid bij voorraad van belang is om te voorkomen dat de procedure langer in de lucht blijft hangen; de gemeente wil in het belang van een vrije, eerlijke en transparante besluitvorming vrij zijn om te beslissen over de percelen. Ook in dit verband weegt de rechtbank mee dat de gemeente heeft aangevoerd dat zij oog heeft voor het belang van [gedaagde] B.V. om onnodige kapitaalvernietiging tegen te gaan en dat zij ook ingeval er een veroordelend vonnis komt zal dooronderhandelen met Palace Hotel Zandvoort B.V. De rechtbank zal het vonnis daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Conclusie
4.30.
De rechtbank zal de vorderingen van de gemeente toewijzen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en beslist.
Dwangsom
4.31.
De rechtbank zal de gevorderde dwangsom, die de rechtbank niet onredelijk of disproportioneel voorkomt, als prikkel tot nakoming toewijzen. Hiertegen heeft [gedaagde] B.V. ook geen inhoudelijk verweer gevoerd.
Proceskosten
4.32.
De rechtbank zal [gedaagde] B.V. als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op:
dagvaarding € 132,42
griffierecht € 676,00
salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten à € 614,-)
nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.214,42

5.De beslissing

5.1.
veroordeelt [gedaagde] B.V. om
- binnen 12 maanden na betekening van dit vonnis de opstallen die zich bevinden op de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie C nummer [kadaster nummer 1] en nummer [kadaster nummer 2], voortvarend en in één stroom, te slopen, het sloopafval te verwijderen, en
- de genoemde percelen aansluitend aan de sloop, maar uiterlijk binnen 16 maanden na betekening van dit vonnis leeg en ontruimd aan de gemeente op te leveren,
- een en ander op straffe van een aan de gemeente te verbeuren dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [gedaagde] B.V. hiermee na ommekomst van de genoemde termijnen in gebreke blijft, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 250.000,00,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] B.V. in de proceskosten van de gemeente van € 2.214,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] B.V. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
1155