Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.[gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
1.[gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure in de hoofdzaak
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij mr. Sinnige en mr. Tillemans beiden gebruik hebben gemaakt van door hen overgelegde spreekaantekeningen.
2.De procedure in de vrijwaringszaak
3.De feiten
waren echter al door [eiser] genomen (materiaal en arbeidskosten), maar cliënte heeft er uiteindelijk in bewilligd uw cliënten hierin het voordeel van de twijfel te geven en aan te nemen dat uw cliënten voor deze kosten een beroep op bevrijdende betaling toekomt.
is akkoord.
4.Het geschil in de hoofdzaak
- werkzaamheden aan de badkamer conform de factuur van onderaannemer [bedrijf 1] aan [eiser] van 25 januari 2021 plus 10% opslag en 21% btw;
- werkzaamheden aan het boothuis en voor het plaatsen van een boiler en Quooker als door onderaannemer [bedrijf 1] aan [eiser] gefactureerd op 31 mei 2021 en
- door werknemers van [eiser] verricht meerwerk.
5.Het geschil in de vrijwaring
6.De beoordeling in de hoofdzaak
De vordering tot betaling van € 41.622,79 (de offerte van 14 april 2021)
een aantalkosten [onderstreping door de rechtbank] onder de offerte al door [eiser] waren ‘genomen’. Daaruit komt naar voren dat [eiser] niet alle kosten had genomen. Dit zijn ook aanwijzingen dat [eiser] geen kosten heeft gehad in verband met het leveren en aanbrengen van het buitengevelisolatiesysteem.
De vordering tot betaling van € 2.665,70 (de factuur van [bedrijf 1] van 25 januari 2021 + 10%)
[betrokkene 3] is akkoord– nog een mail aan [betrokkene 3] heeft gezonden waarin hij om bevestiging vroeg en dat mr. Sinnige vervolgens namens [eiser] (en [betrokkene 3]) heeft meegedeeld dat [eiser] vasthield aan haar vordering op dit punt. Daarbij komt dat het WhatsApp-bericht waarop [betrokkene 2] reageert met de mededeling dat [betrokkene 3] akkoord is meer dan een voorstel bevat, zodat niet direct duidelijk is waarop [betrokkene 3] akkoord heeft gegeven. Ook [gedaagde 2] zag in het bericht (toen) kennelijk niet voldoende bevestiging van afstand van recht. Hij deed navraag. Daarmee is geen sprake van een eenduidige verklaring die nodig is voor een afstand van recht. Conclusie is dat [gedaagden] onvoldoende onderbouwd hebben gesteld dat [eiser] afstand heeft gedaan van haar recht alsnog betaling te vorderen dan wel haar rechten op dat punt heeft verwerkt.
De vordering tot betaling van € 4.639,24 (de factuur van [bedrijf 1] van 31 mei 2021 plus 10% plus 21% btw)