Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5483

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
C/15/366529 en C/15/373906
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:230g BWArt. 6:119 BWArt. 7:750 BWArt. 7:752 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling aannemingswerkzaamheden en precontractuele informatieverplichtingen bij woningrenovatie

In deze civiele zaak vordert eiser betaling van drie bedragen voor aannemingswerkzaamheden aan gedaagden, eigenaren van een woning die zij lieten renoveren. Partijen sloten in april 2021 een aannemingsovereenkomst, maar gedaagden stelden dat deze met wederzijds goedvinden was beëindigd en dat de werkzaamheden daarna door een andere partij werden uitgevoerd. De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst inderdaad eind mei 2021 is beëindigd op basis van mededelingen van de toenmalige bestuurder van eiser, die ook namens eiser handelde.

De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd welke werkzaamheden zij na die beëindiging heeft verricht en dat gedaagden daarom niet gehouden zijn tot betaling van het grootste deel van de gevorderde bedragen. Wel is vastgesteld dat gedaagden €3.711,39 verschuldigd zijn voor werkzaamheden zoals de installatie van een boiler, uitgevoerd door een onderaannemer van eiser. De rechtbank past een sanctie toe wegens schending van precontractuele informatieverplichtingen door eiser, waardoor de hoofdsom met 20% wordt verminderd.

In de vrijwaringszaak tussen gedaagden en de voormalige bestuurder van eiser, die ook een persoonlijke houdstervennootschap heeft, wijst de rechtbank de vorderingen af wegens onvoldoende onderbouwing van aansprakelijkheid. De proceskosten worden grotendeels aan eiser opgelegd, maar een volledige vergoeding van de werkelijke kosten wordt afgewezen wegens het ontbreken van misbruik van procesrecht. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden moeten €3.711,39 betalen aan eiser voor onderaannemerswerkzaamheden, overige vorderingen en vrijwaring worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer hoofdzaak: C/15/366529 / HA ZA 25-363 en
Zaaknummer vrijwaringszaak: C/15/373906 / HA ZA 26-53
Vonnis van 20 mei 2026
in de hoofdzaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. I.M. Sinnige,
tegen

1.[gedaagde 1],

te [plaats 2],
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 2],
gedaagde partijen,
hierna ieder voor zich te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. B.P.J. Tillemans,
en in de vrijwaringszaak van

1.[gedaagde 1],

te [plaats 2],
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 2],
eisende partijen,
hierna ieder voor zich te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. B.P.J. Tillemans,
tegen
[gedaagde 3] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats 3], kantoorhoudende te [plaats 4],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 3],
advocaat: mr. L.J. van Gastel.
De zaak in het kort
In de hoofdzaak vordert [eiser] om [gedaagden] te veroordelen een drietal bedragen te betalen voor aannemingswerkzaamheden. De rechtbank wijst de eerste (en hoogste) vordering af. [eiser] heeft onderbouwd dat partijen in april 2021 een aannemingsovereenkomst zijn aangegaan voor de werkzaamheden waarvan [eiser] nu betaling vordert. [gedaagden] hebben echter voldoende onderbouwd dat deze aannemingsovereenkomst door hen en een vorige bestuurder van [eiser] met wederzijds goedvinden is geëindigd en dat de werkzaamheden daarna door een andere partij zijn uitgevoerd. [gedaagden] hebben aan die partij betaald en hoeven [eiser] niet te betalen. Wel moeten zij [eiser] € 3.711,39 betalen voor diverse werkzaamheden als de installatie van een boiler die een onderaannemer van [eiser] eerder voor [gedaagden] heeft uitgevoerd.
[gedaagden] hebben [gedaagde 3] in vrijwaring geroepen. [gedaagde 3] was de bestuurder van [eiser] met wie zij zaken deden en ook de partij die op een later moment de werkzaamheden heeft uitgevoerd die [gedaagden] in april 2021 aan [eiser] hebben opgedragen. De rechtbank wijst de vorderingen in vrijwaring af. Er is geen grond om [gedaagde 3] te veroordelen door het [gedaagden] aan [eiser] te betalen bedrag van € 3.711,39 aan [gedaagden] te betalen.

1.De procedure in de hoofdzaak

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 juni 2025 met 14 producties,
- de conclusie van antwoord met een eis in incident met 9 producties,
- de conclusie van antwoord in het incident,
- de akte overlegging producties van [eiser] met producties 15 tot en met 18,
- het incidenteel vonnis van 12 november 2025 waarbij de rechtbank toestaat dat [gedaagden] [gedaagde 3] in vrijwaring oproepen,
- de akte in het geding brengen producties van [gedaagden] met producties 10 en 11,
- het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte wijziging eis en overlegging productie 12 van [gedaagden],
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij mr. Sinnige en mr. Tillemans beiden gebruik hebben gemaakt van door hen overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.
Het verloop van de procedure in de vrijwaring blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 december 2025 met 13 producties,
- de conclusie van antwoord met 3 producties,
- het tussenvonnis van 18 maart 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij mr. Tillemans gebruik heeft gemaakt van door haar overgelegde spreekaantekeningen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald

3.De feiten

Partijen
3.1.
[eiser] drijft een schilders-, afwerkings- en glaszetbedrijf met aanverwante werkzaamheden.
3.2.
[gedaagde 3] is de persoonlijke houdstervennootschap van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]).
3.3.
[betrokkene 1] was van 18 maart 2020 tot 1 juni 2021 via [gedaagde 3] statutair bestuurder van [eiser]. [gedaagde 3] was ook medeaandeelhouder van [eiser].
3.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn ex-echtgenoten. Zij waren van 2020 tot in 2025 gezamenlijk eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [plaats 5] (hierna: de woning).
Verbouwing/renovatie woning
3.5.
[gedaagden] hebben in 2020 [eiser] benaderd voor de verbouwing/renovatie van de woning.
3.6.
Nadat hij de woning heeft bezocht, heeft [betrokkene 1] op 15 december 2020 namens [eiser] een offerte uitgebracht voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden aan de woning, waaronder door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) conform haar offerte uit te voeren loodgieterswerk. Die offerte van [eiser] sloot op een bedrag van € 39.500,00 exclusief btw. Een prijs inclusief btw is niet vermeld. [gedaagden] hebben deze offerte geaccepteerd, waarna de werkzaamheden zijn gestart.
3.7.
[eiser] heeft bij factuur van 4 januari 2021 bestelde bouwmaterialen in rekening gebracht aan de besloten vennootschap van [gedaagde 2]. Deze factuur is betaald. [eiser] heeft bij factuur van 6 januari 2021 € 43.055,00 bij [gedaagden] in rekening gebracht voor uitgevoerde werkzaamheden. Dit bedrag is gespecificeerd als € 39.500,00 exclusief en € 43.055,00 inclusief 9% btw. [gedaagden] hebben deze factuur voldaan.
3.8.
Op 14 april 2021 heeft [betrokkene 1] namens [eiser] aan [gedaagden] een offerte uitgebracht voor € 32.500,00 exclusief btw voor onder meer het leveren en aanbrengen van een buitengevelisolatiesysteem conform een offerte van [bedrijf 2], het leveren en plaatsen van waterslagen, verspringing/lambrisering van de buitengevels en dorpels.
3.9.
Op 3 juni 2021 heeft [betrokkene 1] namens [gedaagde 3] aan [gedaagden] een offerte uitgebracht die inhoudelijk gelijk is aan de offerte van [eiser] van 14 april 2021.
3.10.
[gedaagden] hebben de offerte van [gedaagde 3] geaccepteerd.
3.11.
[gedaagde 3] heeft op grond van de geaccepteerde offerte in drie facturen in totaal € 39.325,00 (inclusief 21% btw) bij [gedaagden] in rekening gebracht. [gedaagden] hebben die facturen voldaan.
Vaststellingsovereenkomst [eiser]/[gedaagde 3]
3.12.
[betrokkene 1] en [gedaagde 3] enerzijds en [eiser] en haar overige aandeelhouders anderzijds hebben in 2021 naar aanleiding van een tussen hen in de eerste helft van 2021 gerezen geschil een vaststellingsovereenkomst gesloten over het vertrek van [betrokkene 1] bij [eiser] per 1 juni 2021.
Discussie tussen [eiser] en [gedaagden]
3.13.
In 2022 heeft de heer [betrokkene 2], aandeelhouder en voormalig bestuurder van [eiser], (hierna: [betrokkene 2]) in persoon en per brief contact opgenomen met [gedaagden] en hen meegedeeld dat de werkzaamheden onder de offerte van april 2021 ten onrechte nog niet aan [gedaagden] waren gefactureerd.
3.14.
[gedaagden] hebben zich op het standpunt gesteld dat zij bevrijdend aan [gedaagde 3] hebben betaald en dat zij aan [eiser] niets meer verschuldigd zijn.
3.15.
Bij e-mail van 13 juli 2023 heeft [betrokkene 2] onder meer geschreven dat [gedaagden] over het loodgieterswerk van [bedrijf 1] in de offerte van 15 december 2020 nog 10% opslag moeten betalen en dat [gedaagden] [eiser] ook nog moeten betalen voor door [bedrijf 1] in de woning uitgevoerde werkzaamheden en geleverde materialen. Het gaat om werkzaamheden en materialen die [bedrijf 1] bij facturen van 25 januari en 31 mei 2021 bij [eiser] in rekening heeft gebracht van respectievelijk € 2.002,78 en € 3.485,53, te vermeerderen met een door [gedaagden] aan [eiser] te betalen opslag per factuur van 10%.
3.16.
Op 17 augustus 2023 heeft mr. Tillemans namens [gedaagden] aan [betrokkene 2] meegedeeld dat [gedaagden] uitdrukkelijk betwisten dat zij tot enige betaling aan [eiser] gehouden zouden zijn, dat een deugdelijke onderbouwing van de vordering ontbreekt en dat het geen pas geeft een geschil met [betrokkene 1] af te wentelen op [gedaagden]
3.17.
[eiser] heeft [gedaagden] op 11 september 2023 een factuur gestuurd voor in totaal € 33.104,05 met het verzoek deze binnen veertien dagen te betalen. Deze factuur bevat onder meer de onder 3.15 bedoelde twee facturen van [bedrijf 1] plus 10% opslag en acht posten uit de offerte van 14 april 2021. Het in de offerte van 14 april 2021 genoemde leveren en aanbrengen van het buitengevelisolatiesysteem wordt niet gefactureerd.
3.18.
[gedaagden] hebben de factuur niet betaald.
3.19.
Met een brief van 10 december 2024 heeft mr. Sinnige namens [eiser] met mr. Tillemans contact opgenomen over de door [eiser] gestelde vorderingen. In die brief schrijft mr. Sinnige onder meer:
Wat ten tijde van uw correspondentie met de heer [betrokkene 2] al wel helder was: het project [adres] heeft de heer [betrokkene 1] – zonder medeweten, laat staan instemming van [eiser] – naar zijn eigen BV ([gedaagde 3] BV) toegetrokken, daarbij aan uw cliënten voorhoudend dat dit met [eiser] was geregeld. Het gehele project dat op dat moment liep, is door [gedaagde 3] BV gefactureerd, terwijl kosten door [eiser] zijn gedragen.
Op zich begrijpelijk dat uw cliënten de heer [betrokkene 1] op zijn woord hebben geloofd toen hij hen vertelde dat hij het project had overgenomen.
(…)
Een aantal kosten[onder de offerte van 14 april 2021, rb.]
waren echter al door [eiser] genomen (materiaal en arbeidskosten), maar cliënte heeft er uiteindelijk in bewilligd uw cliënten hierin het voordeel van de twijfel te geven en aan te nemen dat uw cliënten voor deze kosten een beroep op bevrijdende betaling toekomt.
Maar het is mijn cliënte nu gebleken dat er ook werkzaamheden zijn verricht door haar onderaannemers, die niet onder deze offerte (of een andere offerte) vallen en waar uw cliënten dus geen ‘bevrijdend betaald-verweer’ hebben. Het gaat om[de facturen van 25 januari en 31 mei 2021 van [bedrijf 1] plus 10 % opslag voor in totaal € 7.304,94 inclusief btw, rb].
3.20.
[gedaagden] hebben bij e-mail van 7 januari 2025 aan een kantoorgenoot van mr. Sinnige meegedeeld dat zij niets aan [eiser] zijn verschuldigd. Over de twee facturen van [bedrijf 1] schrijven zij:
De door u verzonden stukken betreffen facturen van een onderaannemer aan jullie, welke wij als eindklant nooit te zien krijgen. Mocht u van mening zijn dat deze werkzaamheden in opdracht van ons zijn uitgevoerd en niet zijn betaald, dan zie ik graag de factuuropdracht tegemoet die wij hebben geaccordeerd alsook de factuur aan ons gericht.
3.21.
Nadat [eiser] de dagvaarding heeft uitgebracht hebben [gedaagde 2] en [betrokkene 2] onder meer via WhatsApp contact gehad over de mogelijkheid tot een minnelijke regeling te komen. [gedaagde 2] bericht [betrokkene 2] dat hij het een heel goed voorstel vond van [betrokkene 2] om de twee facturen van [bedrijf 1] ‘uit de procedure te houden en weg te strepen’. [gedaagde 2] stelde daarbij voor om nog contact te hebben over mogelijke vervolgstappen in de vorm van een second opinion als alternatief voor de lopende rechtszaak. [betrokkene 2] antwoordt [gedaagde 2] dat hij alles wel in overleg met [betrokkene 3] [[betrokkene 3], rb.], de bestuurder van [eiser], moet doen. Op 2 juli 2025 schrijft [betrokkene 2] als antwoord op de vraag of [betrokkene 3] akkoord is met ‘het bovenstaande’:
is akkoord.

4.Het geschil in de hoofdzaak

4.1.
[eiser] vordert na vermindering van eis dat [gedaagden] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van:
€ 41.622,79 (de offerte van 14 april 2021)
€ 2.665,70 (de factuur van [bedrijf 1] van 25 januari 2021 plus 10%)
€ 4.639,24 (de factuur van [bedrijf 1] van 31 mei 2021 plus 10%)
alle bedragen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 september 2023 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.
4.2.
[eiser] voert samengevat het volgende aan. Na het vertrek van [betrokkene 1] per
1 juni 2021 is gebleken dat hij (of zijn holding) [eiser] heeft benadeeld. Voor meerdere projecten heeft hij de kosten bij [eiser] gelaten, maar de omzet doorgesluisd naar [gedaagde 3]. Na een eerdere klus, heeft [eiser] op 14 april 2021 een offerte uitgebracht aan [gedaagden] voor verdere werkzaamheden voor € 32.500,00 exclusief btw. [eiser] is deze werkzaamheden ook gestart. Pas begin 2022 is [eiser] gebleken dat de werkzaamheden van de offerte niet zijn gefactureerd aan [gedaagden] Daarna is [eiser] duidelijk geworden dat [gedaagde 3] op 3 juni 2021 een factuur heeft uitgebracht aan [gedaagden] die gelijk is aan de offerte van [eiser] van 14 april 2021 en dat [gedaagde 3] de werkzaamheden aan [gedaagden] heeft gefactureerd. [eiser] begrijpt niet dat [gedaagden] daaraan meewerken. Naast de werkzaamheden van de offerte van 14 april 2021 zijn er nog meer werkzaamheden die niet aan [gedaagden] zijn doorgelegd:
  • werkzaamheden aan de badkamer conform de factuur van onderaannemer [bedrijf 1] aan [eiser] van 25 januari 2021 plus 10% opslag en 21% btw;
  • werkzaamheden aan het boothuis en voor het plaatsen van een boiler en Quooker als door onderaannemer [bedrijf 1] aan [eiser] gefactureerd op 31 mei 2021 en
  • door werknemers van [eiser] verricht meerwerk.
Uitgangspunt is dat voor de in april geoffreerde werkzaamheden een overeenkomst bestond en dat [gedaagden] moeten betalen. Zij mochten er niet van uitgaan dat betaling van deze werkzaamheden aan [gedaagde 3] hen zou bevrijden. Daarom moeten zij het volledige bedrag van de offerte plus btw betalen. [bedrijf 1] heeft ook werkzaamheden voor [gedaagden] uitgevoerd. [eiser] heeft de facturen die [bedrijf 1] daarvoor gestuurd heeft betaald. Deze kosten moeten voor rekening van [gedaagden] komen.
4.3.
[gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de daadwerkelijke kosten van deze procedure. Zij voeren (samengevat) het volgende aan.
[gedaagden] worden ten onrechte meegetrokken in de ellende tussen [eiser] en [gedaagde 3]. Het doel van [eiser] is kennelijk om via [gedaagden] [gedaagde 3] in rechte te betrekken, nadat [eiser] in een overeenkomst afstand heeft gedaan van de mogelijkheid [gedaagde 3] direct aan te spreken. Dit is een schoolvoorbeeld van misbruik van procesrecht. Om die reden moet [eiser] worden veroordeeld in de werkelijk door [gedaagden] gemaakte proceskosten.
Nadat [gedaagden] de offerte van april 2021 hebben geaccepteerd, bleef het stil. [betrokkene 1] liet weten dat hij niet langer aan [eiser] verbonden zou zijn en dat niet [eiser] maar zijn bedrijf de klus zou uitvoeren. Daarmee eindigde de overeenkomst met [eiser] met wederzijds goedvinden zonder dat er uitvoering aan was gegeven. Dat [eiser] dat accepteert blijkt uit de brief van 10 december 2024 waarin [eiser] meedeelt aan te nemen dat [gedaagden] een beroep op bevrijdende betaling toekomt. Daarmee heeft [eiser] het beroep van [gedaagden] op bevrijdende betaling feitelijk al gehonoreerd.
Daarbij komt dat [eiser] niet heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen. Daarbij past een sanctie in de vorm van een gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst.
Voor de facturen van [bedrijf 1] geldt dat [eiser] haar rechten heeft verwerkt, dan wel afstand heeft gedaan van haar rechten door de bevestiging – mondeling en per WhatsApp – dat deze doorgehaald zouden worden. Als de rechtbank oordeelt dat [eiser] geen afstand heeft gedaan van haar aanspraken inzake de [bedrijf 1]-facturen, dan geldt dat [gedaagden] niet hoeft te betalen, omdat zij geen opdracht hebben gegeven.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.Het geschil in de vrijwaring

5.1.
[gedaagden] vorderen om [gedaagde 3] te veroordelen om aan [gedaagden] te betalen datgene, waartoe [gedaagden] als gedaagde partijen in de hoofdzaak jegens [eiser] mochten worden veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling, en met veroordeling van [gedaagde 3] in de kosten van de procedure, voorwaardelijk te vermeerderen met wettelijke rente.
5.2.
Zij voeren het volgende aan. [gedaagden] hebben voor de werkzaamheden vermeld in de offerte van april 2021 bevrijdend betaald aan [gedaagde 3]. Zij hebben gerechtvaardigd vertrouwd op mededeling van [gedaagde 3]. Als de rechtbank anders oordeelt, dan moet [gedaagde 3] daarvoor opdraaien. Als [gedaagden] moeten betalen voor de werkzaamheden die [bedrijf 1] aan [eiser] in rekening heeft gebracht, moeten die kosten ook voor rekening van [gedaagde 3] komen. Zij heeft dan kennelijk een onderaannemer ingeschakeld en is verantwoordelijk voor betaling van die onderaannemer.
5.3.
[gedaagde 3] concludeert tot afwijzing van de vordering. Zij voert vooral aan dat [eiser] ten onrechte betaling vordert van [gedaagden] [eiser] heeft achteraf facturen opgesteld voor werkzaamheden die [eiser] niet heeft verricht en kosten die zij niet heeft gemaakt. Voor de meerwerkkosten van [bedrijf 1] is kennelijk al afgesproken dat deze niet betaald hoeven te worden. De vorderingen van [eiser] moeten daarom worden afgewezen en daarmee de vordering in vrijwaring ook.
Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 3] nog gezegd dat zij geen aanspraak wil maken op vergoeding van proceskosten als de vordering van [gedaagden] tegen haar wordt afgewezen.

6.De beoordeling in de hoofdzaak

6.1.
[eiser] vordert op grond van volgens haar met [gedaagden] gesloten overeenkomsten betaling van drie bedragen vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank zal de vorderingen hierna achtereenvolgens bespreken.
1.
De vordering tot betaling van € 41.622,79 (de offerte van 14 april 2021)
6.2.
[eiser] stelt dat [gedaagden] de offerte van 14 april 2021 tot onder meer het leveren en aanbrengen van buitengevelisolatie hebben geaccepteerd en dat [eiser] de overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd. [eiser] zegt dat op het bedrag dat in de offerte genoemd staat voor het door [bedrijf 2] leveren en aanbrengen van het buitengevelisolatiesysteem door [gedaagden] – als gebruikelijk – een opslag van 10% is verschuldigd, die ten onrechte niet in de offerte is opgenomen. Vermeerderd met die opslag en btw komt het volgens [eiser] door [gedaagden] verschuldigde bedrag dan uit op € 41.622,79.
6.3.
In de conclusie van antwoord hebben [gedaagden] wisselende standpunten ingenomen waar het gaat om de vraag of zij de offerte van 14 april 2021 van [eiser] hebben geaccepteerd. Enerzijds zeggen zij dat de overeenkomst is beëindigd “voor zover de Offerte d.d. 14 april 2021 door [gedaagde 2]-[gedaagde 1] op enig moment (al dan niet omstreeks 16 april 2021) zou zijn geaccordeerd”. Anderzijds staat in randnummer 20 van de conclusie van antwoord dat [gedaagden] de offerte op of omstreeks 16 april 2021 hebben geaccordeerd en zij toen verwachtten dat de voorbereidende werkzaamheden per 19 mei 2021 zouden beginnen, maar het daarna lange tijd stil bleef vanuit [eiser].
6.4.
Desgevraagd heeft [gedaagde 1] op de mondelinge behandeling toegelicht dat [gedaagden] de offerte van 14 april 2021 inderdaad (mondeling) hebben geaccepteerd. Dat betekent dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [eiser] tegen betaling door [gedaagden] werkzaamheden aan de woning zou uitvoeren. Belangrijk onderdeel van de uit te voeren werkzaamheden was het door [bedrijf 2] leveren en aanbrengen van buitengevelisolatie. Die post is in de offerte opgenomen voor € 18.995,00 exclusief btw (op een totaal van € 32.500,00 exclusief btw).
6.5.
Bij die stand van zaken is het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] dat de overeenkomst voordat daaraan uitvoering is gegeven met wederzijds goedvinden is beëindigd op grond van mededelingen van [betrokkene 1] waarop [gedaagden] zijn afgegaan. Dat verweer slaagt. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] dit verweer als volgt toegelicht. [betrokkene 1] heeft [gedaagden] eind mei 2021 ingelicht over een geschil tussen hem en [eiser]. Daarbij heeft [betrokkene 1] gezegd dat hij bij [eiser] zou vertrekken en dat hij bereid was de werkzaamheden onder de offerte van 14 april 2021 op zich te nemen, waarbij de offerte van [eiser] zou vervallen. [gedaagden] zijn daarmee akkoord gegaan omdat er al weken waren verstreken zonder dat er iets gebeurd was en zij zo snel mogelijk de woning wilden betrekken en omdat [betrokkene 1] altijd hun enige contactpersoon bij [eiser] is geweest.
[betrokkene 1] heeft desgevraagd ter zitting deze gang van zaken beaamd. [eiser] heeft dit vervolgens niet meer (voldoende) betwist. Zij heeft enkel de vraag opgeworpen of in de door [gedaagden] gestelde feiten en omstandigheden een ontbinding van de overeenkomst kan worden gezien.
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] voldoende hebben onderbouwd dat [eiser] en [gedaagden] eind mei 2021 zijn overeengekomen om de overeenkomst van aanneming die zij met de acceptatie van de offerte van april 2021 zijn aangegaan te beëindigen. Eind mei 2021 was [betrokkene 1] middellijk nog (enig) bestuurder van [eiser]. Hij was dan ook bevoegd om [eiser] te vertegenwoordigen bij de afspraak om de overeenkomst te beëindigen. [gedaagden] mochten de mededeling van [betrokkene 1] dat de offerte van april 2021 zou vervallen begrijpen als een mededeling van [eiser] dat de overeenkomst op basis van die overeenkomst zou komen te vervallen als [gedaagden] de opdracht niet in stand wilden laten. [gedaagden] hebben daarop besloten met [gedaagde 3] in zee te gaan. Daarmee is de overeenkomst met [eiser] met wederzijds goedvinden beëindigd.
6.7.
Uitgaande van de beëindiging van de overeenkomst per eind mei 2021 kunnen onder die overeenkomst nog wel werkzaamheden zijn uitgevoerd waarvoor [gedaagden] [eiser] moeten betalen. Volgens [eiser] is dat ook het geval, [gedaagden] betwisten dat. [eiser] heeft haar stellingen op dit punt echter onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Voor dat oordeel is het volgende van belang.
6.8.
[eiser] heeft niet goed duidelijk weten te maken welke werkzaamheden namens haar zijn verricht en of die werkzaamheden onder de werkzaamheden vielen die staan genoemd in de offerte. [gedaagden] hebben daarbij onweersproken aangevoerd dat het aanbrengen van de buitengevelisolatie het voornaamste onderdeel van de offerte was en dat de andere werkzaamheden die daarop stonden vermeld daaraan waren gerelateerd en dat die werkzaamheden pas vanaf medio juni 2021 zijn uitgevoerd. [betrokkene 1] heeft desgevraagd toegelicht dat hij [bedrijf 2] de opdracht heeft gegeven het buitengevelisolatiesysteem te leveren en aan te brengen, dat hij althans [gedaagde 3] daarvoor door [bedrijf 2] is gefactureerd en dat hij vervolgens weer facturen heeft verzonden aan [gedaagden] en dat zij die facturen hebben voldaan.
6.9.
[eiser] heeft weliswaar urenstaten in het geding gebracht en toegelicht dat haar oud-werknemer [betrokkene 4] (onder andere) van 19 tot en met 26 april 2021 bij [gedaagden] heeft gewerkt en een e-mail uit 2025 van hem overgelegd, maar daaruit volgt niet welke werkzaamheden Borst toen aan of bij de woning heeft verricht en of die werkzaamheden verband houden met de offerte van 14 april 2021. [gedaagden] zeggen dat zij die overzichten niet eerder hebben gezien en ook niet te kunnen controleren wanneer de urenstaten zijn opgesteld. Conclusie is dat [eiser] haar stelling onvoldoende heeft toegelicht en met stukken onderbouwd. Daarom is niet komen vast te staan dat [eiser] in april 2021 werkzaamheden heeft uitgevoerd op grond van de door [gedaagden] geaccepteerde offerte waarvoor [gedaagden] nog moeten betalen.
6.10.
[eiser] heeft ook aangevoerd dat (een deel van) de werkzaamheden die na eind mei 2021 zijn uitgevoerd en die [gedaagde 3] aan [gedaagden] heeft gefactureerd door twee van haar medewerkers zijn uitgevoerd. [eiser] zegt dat dit voor [gedaagden] kenbaar moet zijn geweest omdat deze medewerkers in kleding van [eiser] werkten. [gedaagde 3] ontkent niet dat er twee medewerkers van [eiser] hebben gewerkt aan de door [gedaagde 3] aangenomen klus, maar zegt dat er enkel sprake was van een vriendendienst van twee medewerkers. [eiser] heeft daarop stukken ingebracht waaruit naar voren lijkt te komen dat die twee medewerkers voor die werkzaamheden wel uren hebben geschreven bij [eiser]. Dit alles doet er echter niet aan af dat de aanneemovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagden] eind mei 2021 met wederzijds goedvinden is beëindigd. Ook als na mei 2021 krachten van [eiser] hebben gewerkt aan het begin juni 2021 door [gedaagde 3] aangenomen werk, maakt dat niet dat [gedaagden] daarvoor een vergoeding aan [eiser] verschuldigd zijn. Daardoor is geen (nieuwe) overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagden] ontstaan.
6.11.
Het voorgaande betekent dat niet is vast komen te staan dat [gedaagden] op grond van de door hen geaccepteerde offerte van 14 april 2021 enig bedrag aan [eiser] zijn verschuldigd. Daarom zal de vordering worden afgewezen, inclusief de daarover gevorderde wettelijke rente. De rechtbank overweegt ten overvloede nog het volgende.
6.12.
De overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagden] kwalificeert als een overeenkomst tussen een handelaar en consument zoals bedoeld in artikel 6:230g BW en verder. [gedaagden] hebben zich erop beroepen dat [eiser] niet heeft voldaan aan de op haar rustende precontractuele informatieverplichtingen zoals in die afdeling bedoeld. Zij hebben daarbij onder verwijzing naar de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten aangegeven dat de rechter hier een sanctie aan moet verbinden in de vorm van een (gedeeltelijke) vernietiging van de overeenkomst. Ook bij de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] – door de rechtbank gevraagd naar de door hen gewenste gevolgen van een eventuele schending van de informatieplichten – verwezen naar de sancties van de richtlijn.
6.13.
[eiser] heeft in haar dagvaarding niet gesteld en onderbouwd dat zij haar essentiële informatieverplichtingen is nagekomen en, zo niet, welke sanctie daaraan volgens haar dan moet worden verbonden, het laatste zoals voorgeschreven in de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten. [1]
6.14.
Uit de stukken en wat partijen daarover op de mondelinge behandeling hebben verklaard, maakt de rechtbank op dat in dit geval sprake is van ‘enige andere overeenkomst dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte’ zoals bedoeld in artikel 6:230l BW. [eiser] is in de persoon van [betrokkene 1] bij [gedaagden] langs gegaan voordat zij de door [gedaagden] aanvaarde offerte uitbracht. In artikel 6:230l BW is bepaald welke informatie een handelaar voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst met een consument aan die consument moet verstrekken.
6.15.
[gedaagden] brengen naar voren dat [eiser] heeft verzuimd om voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst [gedaagden] duidelijk te informeren over (onder meer) de identiteit en contactgegevens van het bedrijf, de wijze van de uitvoering van de werkzaamheden, de wijze van betaling en de duur van de overeenkomst. De rechtbank volgt [gedaagden] hier deels in. Anders dan [gedaagden] aanvoeren bevat de offerte van 14 april 2021 wel de nodige informatie over (de identiteit en contactgegevens van) [eiser] en het uit te voeren werk. De offerte bevat echter niet de door [gedaagden] te betalen prijs inclusief btw. Daartoe is [eiser] wel verplicht (zie artikel 6:230l aanhef en onder c BW). [eiser] heeft ook niet gesteld dat aan [gedaagden] vóór het accepteren van de offerte is meegedeeld dat naast het bedrag in de offerte een niet in die offerte genoemde opslag van 10% over de werkzaamheden van [bedrijf 2] van toepassing is.
6.16.
Omdat de rechtbank tot het oordeel komt dat niet is komen vast te staan dat [gedaagden] op grond van de geaccepteerde offerte van 14 april 2021 nog betalingsverplichtingen hebben en onder die overeenkomst door [gedaagden] ook geen betalingen zijn gedaan aan [eiser], kan een sanctie wegens het niet naleven van precontractuele informatieverplichtingen achterwege blijven.
6.17.
De rechtbank overweegt over de offerte van 14 april 2021 tot slot dat nergens uit blijkt dat [eiser] [bedrijf 2] opdracht heeft gegeven de buitengevelisolatie aan te brengen en dat [eiser] [bedrijf 2] daarvoor heeft betaald. Dit onderdeel vertegenwoordigt de grootste post van de offerte. [gedaagden] hebben betwist dat [eiser] die werkzaamheden heeft laten uitvoeren. Bestuurder van [eiser] [betrokkene 3] verklaarde desgevraagd op de zitting dat hij niet wist of [eiser] [bedrijf 2] opdracht heeft gegeven en heeft betaald. Hij zei dat dit een goede vraag was. Dit antwoordt wijst erop dat [eiser], anders dan zij stelt, in dit verband geen kosten heeft gedragen. De rechtbank merkt voorts op dat in de factuur die [eiser] eerder (op 11 september 2023) aan [gedaagden] heeft gezonden, de buitengevelisolatie ook helemaal niet is opgenomen. Ook heeft mr. Sinnige op 10 december 2024 aan mr. Tillemans geschreven dat [eiser]
een aantalkosten [onderstreping door de rechtbank] onder de offerte al door [eiser] waren ‘genomen’. Daaruit komt naar voren dat [eiser] niet alle kosten had genomen. Dit zijn ook aanwijzingen dat [eiser] geen kosten heeft gehad in verband met het leveren en aanbrengen van het buitengevelisolatiesysteem.
6.18.
Omdat de rechtbank tot het oordeel komt dat [gedaagden] geen verplichtingen hebben uit de overeenkomst op basis van de offerte van april 2021, hoeft de rechtbank de overige verweren van [gedaagden] tegen deze vordering niet meer te bespreken.
2.
De vordering tot betaling van € 2.665,70 (de factuur van [bedrijf 1] van 25 januari 2021 + 10%)
6.19.
De rechtbank begrijpt [eiser] aldus dat zij aan deze vordering ten grondslag legt dat [gedaagden] [eiser] na het accepteren van de offerte van 15 december 2020 op enig moment opdracht hebben gegeven voor de werkzaamheden en het leveren van materiaal genoemd in de factuur van [bedrijf 1] van 25 januari 2021 aan [eiser] en dat [eiser] de werkzaamheden heeft verricht en het materiaal heeft geleverd. Volgens [eiser] gaat het om werkzaamheden in en materiaal voor de badkamer van de woning.
6.20.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] is dat, voor zover zij [eiser] daartoe al opdracht zouden hebben gegeven, [eiser] op een later moment afstand heeft gedaan van haar recht betaling te vorderen. [gedaagden] verwijzen naar het WhatsApp-verkeer tussen [gedaagde 2] en [betrokkene 2] na het uitbrengen van de dagvaarding door [eiser]. Dit verweer slaagt niet.
6.21.
Namens [eiser] is op de mondelinge behandeling onweersproken toegelicht dat [gedaagde 2] na het WhatsApp-bericht van 2 juli 2025 – waarin [betrokkene 2] schrijft:
[betrokkene 3] is akkoord– nog een mail aan [betrokkene 3] heeft gezonden waarin hij om bevestiging vroeg en dat mr. Sinnige vervolgens namens [eiser] (en [betrokkene 3]) heeft meegedeeld dat [eiser] vasthield aan haar vordering op dit punt. Daarbij komt dat het WhatsApp-bericht waarop [betrokkene 2] reageert met de mededeling dat [betrokkene 3] akkoord is meer dan een voorstel bevat, zodat niet direct duidelijk is waarop [betrokkene 3] akkoord heeft gegeven. Ook [gedaagde 2] zag in het bericht (toen) kennelijk niet voldoende bevestiging van afstand van recht. Hij deed navraag. Daarmee is geen sprake van een eenduidige verklaring die nodig is voor een afstand van recht. Conclusie is dat [gedaagden] onvoldoende onderbouwd hebben gesteld dat [eiser] afstand heeft gedaan van haar recht alsnog betaling te vorderen dan wel haar rechten op dat punt heeft verwerkt.
6.22.
[gedaagden] betwisten opdracht te hebben gegeven tot het verrichten van de in de factuur genoemde arbeid en het leveren van de daarin genoemde materialen. De rechtbank overweegt als volgt. De factuur van [bedrijf 1] dateert van enkele weken na de door [gedaagden] geaccepteerde offerte van 15 december 2020. In die offerte is voor € 14.000,00 aan installatiewerkzaamheden (uit te voeren door [bedrijf 1]) opgenomen. [eiser] heeft voor die geaccepteerde offerte een factuur gestuurd en [gedaagden] hebben die factuur voldaan. Kennelijk is er volgens [eiser] sprake van meer- of extra werk ten opzichte van de offerte van 15 december 2020, maar dat heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Daarvoor is relevant dat [eiser] in het geheel niet heeft geconcretiseerd wat de werkzaamheden aan de badkamer precies inhielden en waartoe het daarvoor geleverde materiaal diende. Het is niet aan de rechtbank om dat op basis van de overgelegde producties zelf vast te stellen.
6.23.
Maar ook als wel sprake zou zijn van meerwerk ten opzichte van de geaccepteerde offerte van 15 december 2020 betekent dat niet dat [eiser] zonder meer aanspraak kan maken op een prijsverhoging. Artikel 7:755 BW Pro bepaalt dat de aannemer bij door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk slechts een verhoging van de prijs kan vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] [gedaagden] voor extra kosten heeft gewaarschuwd. Ook heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat [gedaagden] de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf hadden moeten begrijpen. Dat kan de rechtbank bij gebrek aan concretisering van die werkzaamheden ook niet vaststellen. Als de rechtbank weet welke werkzaamheden staan in de offerte van [bedrijf 1] van € 14.000,00 die ten grondslag lag aan de offerte van [eiser] van 15 december 2020, zou zij die kunnen afzetten tegen de facturen van [bedrijf 1] om te zien of de in die facturen opgenomen werkzaamheden zodanig afwijken van de offerte dat [gedaagden] moesten uit zichzelf hadden moeten begrijpen dat die werkzaamheden een verhoging van de prijs met zich zouden brengen. Maar het is niet duidelijk welke werkzaamheden voor die € 14.000,00 zijn verricht. Daarbij komt dat het bedrag van de factuur van [bedrijf 1] relatief laag is vergeleken met het in de offerte opgenomen bedrag van € 14.000,00 exclusief btw. Dat maakt dat het om relatief beperkte werken ging waarbij het minder voor de hand ligt dat [gedaagden] hadden moeten begrijpen dat extra kosten in rekening gebracht zouden worden.
6.24.
Omdat [eiser] niet voldoende heeft onderbouwd dat zij [gedaagden] tijdig heeft gewezen op een prijsverhoging en ook niet voldoende heeft onderbouwd dat [gedaagden] de prijsverhoging uit zichzelf hadden moeten begrijpen, zal de vordering worden afgewezen. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de ambtshalve te beoordelen vraag of en zo ja in hoeverre [eiser] heeft voldaan aan op haar rustende precontractuele informatieverplichtingen (zie ook hiervoor 6.12 e.v.).
3.
De vordering tot betaling van € 4.639,24 (de factuur van [bedrijf 1] van 31 mei 2021 plus 10% plus 21% btw)
6.25.
[eiser] stelt dat zij in opdracht van [gedaagden] [bedrijf 1] in de woning een boiler en een Quooker hebben laten installeren en de aansluiting hebben laten verzorgen van het bij de woning behorende boothuis op de riolering. [gedaagden] hebben bevestigd, althans niet (voldoende) betwist, dat deze werkzaamheden zijn uitgevoerd en hebben ook niet naar voren gebracht dat deze werkzaamheden vielen onder de offerte van 15 december 2020. Dat ligt, anders dan bij de hiervoor besproken vordering, ook niet voor de hand nu de factuur dateert van eind mei 2021.
6.26.
[gedaagden] hebben op de mondelinge behandeling nog toegelicht dat zij [bedrijf 1] ook rechtstreeks opdrachten hebben gegeven en rechtstreeks facturen van [bedrijf 1] hebben betaald. Dat [bedrijf 1] ook de in 6.25 genoemde werkzaamheden direct aan [gedaagden] heeft gefactureerd en dat zij die hebben betaald, hebben zij echter niet gesteld of niet onderbouwd.
6.27.
Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat [bedrijf 1] de werkzaamheden in de factuur van 31 mei 2021 als onderaannemer van [eiser] heeft verricht, die het werk heeft aangenomen van [gedaagden] zullen dan in beginsel voor het werk moeten betalen. Het gaat ook om zodanige werkzaamheden én de levering van een boiler dat [gedaagden] moesten begrijpen dat zij hiervoor (extra) moesten betalen. Er is sprake van een overeenkomst tot aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 BW Pro. Niet gesteld of gebleken is dat partijen voor deze werkzaamheden (vooraf) een prijs zijn overeengekomen. Dat betekent dat [gedaagden] op grond van artikel 7:752 BW Pro een redelijke prijs zijn verschuldigd aan [eiser]. De rechtbank is van oordeel dat het factuurbedrag van [bedrijf 1] vermeerderd met 10% een redelijke prijs is. [gedaagden] hebben zich ook niet op het standpunt gesteld dat niet zo is. In beginsel zijn [gedaagden] dus gehouden [eiser] nog € 4.639,24 te betalen.
6.28.
Voor deze vordering zal de rechtbank wél moeten beoordelen of [eiser] heeft voldaan aan de op haar rustende precontractuele informatieverplichtingen. [eiser] heeft niets gesteld over hoe de overeenkomst precies tot stand is gekomen en of zij heeft voldaan aan de hiervoor bedoelde verplichtingen. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat in dit geval sprake is van een overeenkomst op afstand dan wel een overeenkomst buiten de verkoopruimte. [eiser] is voor het sluiten van deze overeenkomst (of eerdere overeenkomsten) bij [gedaagden] geweest om de werkzaamheden door te spreken. Daarom gaat de rechtbank bij de verdere beoordeling uit van ‘enige andere overeenkomst dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte’ zoals bedoeld in artikel 6:230l BW en de in dat artikel genoemde informatieverplichtingen.
6.29.
[gedaagden] hebben de opdracht aan [eiser] verstrekt gedurende de renovatie van hun woning. Aan hen waren door [eiser] al twee offertes uitgebracht en zij hebben de eerste offerte geaccepteerd en de daarvoor door [eiser] verzonden factuur voldaan. Zij waren dus al bekend met [eiser] en beschikten over haar (contact)gegevens. Die staan in de offerte van 15 december 2020 en op de betaalde facturen. Gelet op het verstrekken van de opdracht moeten [gedaagden] ook bekend zijn geweest met de aard en omvang van de werkzaamheden waarvoor zijn opdracht gaven (het aansluiten van het boothuis op de riolering en het installeren van een te leveren boiler en een al aanwezige Quooker).
6.30.
Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] voor deze werkzaamheden vooraf een prijs heeft verstrekt aan [gedaagden] of heeft meegedeeld hoe [gedaagden] die prijs zouden kunnen vaststellen. Daartoe was [eiser] wel gehouden. Dat betekent dat [eiser] op het punt van de prijs een zogeheten essentiële informatieverplichting heeft geschonden (art. 6:230l aanhef en onder c BW).
6.31.
[gedaagden] hebben in hun conclusie van antwoord al naar voren gebracht dat [eiser] de informatieplicht heeft geschonden. Zij heeft daarbij verwezen naar de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten. Bij de mondelinge behandeling heeft [eiser] op dit punt kunnen reageren. Ook heeft de rechtbank bij de mondelinge behandeling partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag wat het gevolg zou moeten zijn van een eventuele schending van de informatieplicht. [gedaagden] hebben daarop verwezen naar de gebruikelijke sanctie van de richtlijn. Omdat [gedaagden] naar de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten verwijzen en [eiser] hiertegen geen verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank daaraan toepassing geven en gelet op de vastgestelde schending conform de richtlijn een sanctie toe passen van een vermindering van de hoofdsom met 20%. Dat betekent dat de rechtbank de uit de overeenkomst voor [gedaagden] voortvloeiende betalingsverplichting gedeeltelijk vernietigt, in die zin dat van de oorspronkelijke betalingsverplichting 80% resteert. Dat betekent dat [gedaagden] [eiser] nog € 3.711,39 moeten betalen (€ 4.639,24 minus 20%).
6.32.
De rechtbank zal [gedaagden] veroordelen om € 3.711,39 aan [eiser] te betalen.
Tegen de vordering dit bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 september 2023 is geen verweer gevoerd. Die vordering wordt toegewezen.
Geen veroordeling in de werkelijke proceskosten
6.33.
[eiser] is voor het grootste gedeelte in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Anders dan door [gedaagden] gevorderd, zal de rechtbank [eiser] niet veroordelen in de werkelijk door [gedaagden] gemaakte proceskosten.
6.34.
[gedaagden] voeren aan dat [eiser] om de volgende redenen veroordeeld moeten worden om de werkelijke proceskosten van [gedaagden] te vergoeden. [eiser] heeft hun laten weten dat zij per se [gedaagde 3] wil aanspreken, maar dat een vaststellingsovereenkomst daaraan in de weg staat. Kennelijk spreekt [eiser] [gedaagden] nu aan in de verwachting dat [gedaagden] [gedaagde 3] in vrijwaring oproept. Dit is een schoolvoorbeeld van misbruik van procesrecht. Daarbij komt dat evident sprake is van ongegronde vorderingen. Door deze toch in te stellen, handelt [eiser] onrechtmatig, aldus [gedaagden] De rechtbank volgt [eiser] daarin niet.
6.35.
Uitgangspunt is dat de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij het vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Alleen in geval van buitengewone omstandigheden, waarbij gedacht moet worden aan misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad, kan een volledige proceskostenveroordeling worden uitgesproken. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatige handelen is sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. [2] Hiervan kan eerst sprake zijn als de eiser zijn vorderingen baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand had moeten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De rechtbank moet gelet op het door artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, terughoudendheid betrachten bij toewijzing van een reële proceskostenveroordeling.
6.36.
Ook als [eiser] aan [gedaagden] heeft gezegd dat zij de procedure start omdat zij (eigenlijk) [gedaagde 3] wil aanspreken, is dat geen bijzondere omstandigheid die maakt dat [eiser] de volledige proceskosten van [gedaagden] moet betalen. Daarbij is allereerst van belang dat [eiser] in de dagvaarding vorderingen uiteenzet die zij meende te hebben op [gedaagden] Ook als zij verwacht (en misschien hoopt) dat [gedaagden] die doorlegt naar [gedaagde 3], heeft zij een voldoende belang bij de procedure. Daarbij komt dat voor doorleggen naar een andere partij eerst de vorderingen op [gedaagden] moeten worden toegewezen en dat kan alleen als het reële vorderingen zijn. Zoals blijkt uit de uiteenzetting hiervoor, waren de vorderingen van [eiser] niet bij voorbaat zonder kans. Zo is niet eerder dan bij de mondelinge behandeling duidelijk geworden dat de overeenkomst die tot stand is gekomen na de offerte van april 2021 in mei 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. [eiser] heeft haar vorderingen niet gebaseerd op feiten of omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen. Tussen partijen is niet in geschil dat het huidige bestuur van [eiser] niet bekend was met de beëindiging van de overeenkomst, die maakt dat [eiser] geen aanspraken kan doen gelden op betalingen uit die overeenkomst. Daarbij komt nog dat een van de vorderingen van [eiser] gedeeltelijk zal worden toegewezen. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is daarmee niet gebleken
6.37.
De door [eiser] te vergoeden proceskosten worden begroot op:
- griffierecht
- salaris advocaat
1.374,00
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.143,00

7.De beoordeling in de vrijwaring

7.1.
In de hoofdzaak is overwogen dat [gedaagden] ter zake van de overeenkomst volgend op de offerte van 14 april 2021 niet zullen worden veroordeeld enig bedrag te betalen aan [eiser]. Er is wat betreft die overeenkomst dan ook geen grond om [gedaagde 3] tot betaling van enig bedrag aan [gedaagden] te veroordelen.
7.2.
Voor zover het gaat om de twee ‘[bedrijf 1]’-facturen is de rechtbank met [gedaagde 3] van oordeel dat [gedaagden] onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat – als [gedaagden] voor deze facturen enig bedrag aan [eiser] zouden moeten betalen – [gedaagde 3] gehouden is om een gelijk bedrag aan [gedaagden] te betalen.
7.3.
[gedaagden] hebben alleen aangevoerd dat als zij voor deze facturen moeten betalen, [gedaagde 3] dan kennelijk onderaannemer [bedrijf 1] heeft ingeschakeld voor de uitvoering van werkzaamheden en aansprakelijk is voor de afspraken met en betalingen aan de onder aannemer. Daarin kunnen zij niet worden gevolgd. [gedaagden] zijn gehouden € 3.711,39 aan [eiser] te betalen omdat [eiser] daarvoor werkzaamheden heeft verricht. Dat [gedaagde 3] als bestuurder van [eiser] afspraken heeft gemaakt met de onderaannemer, maakt niet dat zij tot enige vergoeding gehouden is. Daarbij komt dat de werkzaamheden die [bedrijf 1] met de factuur van mei 2021 in rekening heeft gebracht bij [eiser] andere werkzaamheden zijn dan de werkzaamheden die [gedaagde 3] in juni 2021 aan [gedaagden] heeft geoffreerd. Deze werkzaamheden maakten dan ook geen deel uit van de werkzaamheden waarvoor [gedaagden] aan [gedaagde 3] hebben betaald. Van een vordering uit onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking is dan ook geen sprake.
7.4.
De vordering in de vrijwaringszaak zal daarom worden afgewezen.
7.5.
[gedaagde 3] heeft verklaard dat zij geen aanspraak wil maken op een proceskostenvergoeding ten laste van [gedaagden] als de vorderingen in vrijwaring worden afgewezen. De rechtbank zal daarom de kosten van de procedure compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
8.1.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] € 3.711,39 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 25 september 2023 tot de dag van volledige betaling,
8.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden] van € 4.143,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
8.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaring
8.5.
wijst het gevorderde af,
8.6.
compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
8.7.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
1998

Voetnoten

2.Hoge Raad 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828