Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5547

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
C/15/376745
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming en betredingsverbod woning ex-partner toegewezen

De vrouw, als enige huurster van de woning, vordert dat haar ex-partner de woning verlaat en dat hem wordt verboden de woning na ontruiming opnieuw te betreden. De man verblijft zonder recht of titel in de woning sinds de beëindiging van hun relatie ruim een jaar geleden en weigert te vertrekken ondanks herhaalde verzoeken.

Tijdens mediationgesprekken gaf de man aan bereid te zijn te vertrekken, maar vroeg om een termijn van ongeveer vijf maanden. De vrouw stelde een uiterste vertrekdatum van 22 april 2026 voor, welke niet werd geaccepteerd door de man. De voorzieningenrechter oordeelt dat de man de woning binnen twee weken na betekening van het vonnis moet ontruimen, gelet op de langdurige situatie en het ontbreken van concrete acties van de man om vervangende woonruimte te vinden.

Het verbod om de woning opnieuw te betreden zonder toestemming van de vrouw wordt eveneens toegewezen, met een gematigde dwangsom. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en kan met behulp van de sterke arm worden uitgevoerd indien de man niet vrijwillig vertrekt.

Uitkomst: De ex-partner wordt veroordeeld tot ontruiming binnen twee weken en het verbod om de woning zonder toestemming te betreden wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/376745 / KG ZA 26-191
Vonnis in kort geding (bij vervroeging) van 19 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats], gemeente [gemeente],
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. B.J. den Hartog,
tegen
[gedaagde],
te [plaats], gemeente [gemeente],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
in persoon.

1.De zaak in het kort

De vrouw is huurster van een woning. Zij vordert dat de man, haar ex-partner, de woning verlaat. De voorzieningenrechter wijst de vordering toe. Ook het gevorderde verbod om de woning na ontruiming weer te betreden wijst de voorzieningenrechter toe. De omstandigheden van het geval geven aanleiding om de ontruimingstermijn op twee weken na betekening van het vonnis te bepalen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met twee producties
- de mondelinge behandeling van 15 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnota van de advocaat van de vrouw.

3.De feiten

3.1.
De vrouw is huurster van de woning gelegen aan het adres [adres], [postcode], [plaats] (hierna: de woning). Het huurcontract staat uitsluitend op haar naam.
3.2.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samen een bijna 12-jarige dochter (hierna: de dochter).
3.3.
De relatie tussen partijen is ruim een jaar geleden geëindigd. De man verblijft sindsdien nog in de woning.
3.4.
De vrouw heeft de man herhaaldelijk verzocht de woning te verlaten, maar de man weigert hieraan gehoor te geven.
3.5.
Tussen 15 januari en 18 februari 2026 hebben partijen (mediation)gesprekken gevoerd. In het eerste gesprek, op 15 januari 2026, heeft de man gezegd dat hij bereid is uit de woning te vertrekken, maar dat hij daar ongeveer vijf maanden de tijd voor nodig heeft. In het laatste gesprek, op 18 februari 2026, heeft de vrouw 22 april 2026 als uiterste datum voor het vertrek van de man uit de woning voorgesteld. De man heeft herhaald bereid te zijn om uit de woning te vertrekken, maar heeft daarbij gezegd dat hij niet kan afspreken dat dat uiterlijk op 22 april 2026 wordt.

4.Het geschil

4.1.
De vrouw vordert – samengevat – I. veroordeling van de man tot ontruiming van de woning binnen achtenveertig uur na betekening van het te wijzen vonnis, zo nodig te doen bewerkstelligen door een gerechtsdeurwaarder, zonodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, en II. een verbod aan de man om de woning na ontruiming opnieuw te betreden, op straffe van een dwangsom. De vrouw vordert tot slot dat de man in de kosten van de procedure wordt veroordeeld. De in de pleitnota van haar advocaat onder III geformuleerde vordering heeft de vrouw ter zitting ingetrokken.
4.2.
De vrouw legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de man zonder recht of titel in de woning verblijft. Hij is geen medehuurder van de woning en heeft geen zelfstandig huurrecht. Hij verbleef in de woning op grond van de affectieve relatie met de vrouw, maar de relatie is al ruim een jaar geleden geëindigd. Het voortgezette verblijf van de man in de woning levert, door verbale mishandeling en bedreiging door de man, een onhoudbare situatie op en is onrechtmatig jegens de vrouw in de zin van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
4.3.
De man voert verweer. Hij stelt dat het juist de vrouw is die hem onheus bejegent en dat hij wel bereid is te vertrekken, maar dat hij daar wat langer de tijd voor nodig heeft.
4.4.
Op de stellingen van partijen gaat de voorzieningenrechter hierna, voor zover van belang, nader in.

5.De beoordeling

Spoedeisend belang
5.1.
Het spoedeisend belang volgt voldoende uit de geschetste omstandigheden. De man heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.
Ontruiming en verbod om woning opnieuw te betreden
5.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vrouw de huurster van de woning is en dat de man geen medehuurder is. De vrouw heeft dus het huurrecht en daarmee het recht om in de woning te wonen en de man heeft een dergelijk recht niet. De man verblijft dus zonder recht of titel in de woning, hetgeen de man overigens niet ontkent. De voorzieningenrechter zal de vordering tot ontruiming dan ook, inclusief de gevorderde machtiging tot ontruiming met behulp van de sterke arm, toewijzen. De vraag die in dit kort geding centraal staat is op welke termijn de man de woning moet verlaten.
5.3.
De man heeft aangevoerd dat hij meer tijd nodig heeft om zich te herpakken, geld te verdienen en vervangende woonruimte te vinden. Hij denkt aan twee tot drie maanden. Ook is het volgens de man noodzakelijk dat de vrouw in de tussentijd op een prettige manier met hem blijft communiceren. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij twee tot drie maanden te lang vindt gelet op de volgens haar al zo lang durende gespannen situatie in de woning.
5.4.
In de omstandigheden van het geval ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat de man de woning binnen twee weken na betekening van dit vonnis moet ontruimen. De voorzieningenrechter acht dit een redelijke termijn gelet op de omstandigheid dat partijen het er al maanden over eens lijken te zijn dat de man de woning moet verlaten en dat de man tijdens het eerste mediation gesprek, in januari 2026, heeft gezegd bereid te zijn te vertrekken en daar ongeveer vijf maanden voor nodig te hebben, hetgeen zou neerkomen op een vertrek omstreeks half juni 2026. Verder heeft de vrouw op 18 februari 2026 uitdrukkelijk de datum 22 april 2026 voorgesteld als vertrekdatum. De man heeft hier niet mee ingestemd, en heeft ook geen andere concrete datum genoemd. Intussen is men maanden verder en is niet gebleken dat de man enige concrete actie heeft ondernomen om vervangende woonruimte te vinden. Dat hij singer/songwriter is en – zo begrijpt de voorzieningenrechter – sinds de Coronatijd geen tot weinig inkomsten heeft, maakt het oordeel niet anders. Dat is een situatie die in de gegeven omstandigheden voor rekening en risico van de man komt. De man heeft bovendien gezegd dat hij mogelijk tijdelijk bij één van zijn contacten in de muziekwereld kan verblijven totdat hij eigen woonruimte heeft gevonden. Ten slotte erkent de vrouw het belang van contact tussen de man en de dochter van partijen en heeft zij verklaard bereid te zijn om mee te werken aan een omgangs- en bezoekregeling zodra de man over acceptabele en zelfstandige woonruimte beschikt. Een belangenafweging staat de toewijzing van de vordering tot ontruiming dus niet in de weg.
5.5.
Omdat de man de woning moet ontruimen, zal de voorzieningenrechter hem ook verbieden om na ontruiming de woning opnieuw te betreden, tenzij de vrouw daar toestemming voor verleent. De voorzieningenrechter zal deze vordering daarom ook toewijzen. Ook de gevorderde dwangsom bij het verbod om de woning na ontruiming opnieuw te betreden zal de voorzieningenrechter toewijzen. De voorzieningenrechter zal de dwangsom wel matigen.
Proceskosten
5.6.
Gelet op de relatie tussen partijen zal de voorzieningenrechter de proceskosten tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt de man om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning aan het adres [adres], te ([postcode]) [plaats] te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden,
6.2.
verbiedt de man de woning aan het adres [adres], [postcode], [plaats], na ontruiming opnieuw te betreden, behoudens toestemming van de vrouw, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat de man dit verbod overtreedt, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,
6.3.
machtigt de vrouw om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien de man in gebreke blijft aan het onder 6.1 van dit vonnis bepaalde te voldoen,
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.5.
verklaart 6.1, 6.2 en 6.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.
1621