Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5662

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
C/15/364314
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 3:172 BWArt. 130 RvArt. 87 lid 6 RvArt. 2.26 Landelijk procesreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling gemeenschappelijke goederen en kosten na beëindiging samenwoning

Partijen, ex-samenwoners zonder huwelijk of geregistreerd partnerschap, waren gezamenlijk eigenaar van een woning en een auto. Na beëindiging van hun relatie in april 2024 is de woning verkocht en de auto verdeeld. De rechtbank beoordeelde de verdeling van inboedel, de auto, investeringen in de woning, en diverse kostenposten.

De rechtbank oordeelde dat alle inboedel gemeenschappelijk eigendom is, wees de vorderingen toe en legde vergoedingen vast voor onder meer het matras, wasmachine, droger, tuinset, auto en cryptobelegging. De auto werd toegewezen aan de gedaagde onder de voorwaarde dat deze schadevrij is, met medewerking van eiser voor tenaamstelling.

Verder werd vastgesteld dat partijen ieder voor de helft moeten bijdragen aan de eigenaars- en gebruikerslasten van de woning tot de verkoop, en dat de eiser een bedrag aan de gedaagde moet betalen voor belastingaanslagen, kosten van de belastingadviseur, en Ziggo-abonnement. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst deels de vorderingen van eiser en gedaagde toe en bepaalt de verdeling van goederen, investeringen en kosten met wederzijdse betalingsverplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/364314 / HA ZA 25-239
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J.H.M. de Boer,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. E.A. Slappendel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 december 2025
- de akte houdende wijziging van eis in reconventie met aanvullende producties 14 t/m 27 van [gedaagde]
- de akte houdende wijziging van eis met aanvullende producties 10 t/m 14 van [eiser]
- de aanvullende producties 28 t/m 35 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is door [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de akte houdende wijziging van eis met producties van de zijde van [eiser], nu deze volgens [gedaagde] te laat zou zijn ingediend waardoor hij in zijn procespositie is geschaad. De rechtbank heeft ter zitting beslist dat de wijziging van eis met producties wordt toegestaan, nu [eiser] deze tien dagen vóór de mondelinge behandeling heeft toegestuurd en zij deze ook overigens niet in strijd acht met de eisen van een goede procesorde [1] , omdat [gedaagde] daarop met het indienen van eigen aanvullende producties en op de mondelinge behandeling voldoende heeft kunnen reageren.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, die in april 2024 is geëindigd. Partijen waren niet gehuwd, hadden geen geregistreerd partnerschap en hebben ook geen samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.2.
Partijen waren gezamenlijk eigenaar van een woning in [plaats] (hierna: de woning). De woning is inmiddels verkocht en in maart 2026 geleverd aan een derde.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een Smart Forfour (hierna: de auto).
2.4.
Op 10 april 2025 heeft [bedrijf 1] [plaats] (hierna: [bedrijf 1]) [gedaagde] de volgende e-mail gezonden: ‘
Bij deze de mail betreffende de taxatie van de Smart FourFour. Na de Smart[…]
uitvoerig te hebben bekeken kunnen wij 6500 euro bieden op de auto. (..)
2.5.
Op 29 april 2025 heeft [bedrijf 1] [eiser] de volgende e-mail gezonden: ‘
Zoals besproken hebben wij een prijs genoemd van 6500 euro die wij kunnen bieden voor het voertuig, als we een beetje mazzel hebben kunnen we daar misschien nog wat uittrekken tot hopelijk 7.000. Let op, dit is dus niet zeker, zoals ook telefonisch besproken. Wanneer een garagebedrijf zoals wij een dergelijke auto verkopen met 12 maanden garantie en benodigd onderhoud ligt de verkoopprijs inderdaad tussen de 8500 en 9000 euro. Let op: dat is dus volledig rijklaar met garantie’.
2.6.
Op 31 maart 2026 heeft [gedaagde], in reactie op de hiervoor onder 2.4. genoemde e-mail, de volgende email aan [bedrijf 1] gezonden: ‘
Zou je mij een geschatte dagwaarde kunnen sturen voor de SmartFourFour? Sinds onderstaande is de auto een jaar ouder met wat meer km op de teller.’[bedrijf 1] heeft hier bij e-mail van diezelfde datum aan [gedaagde] op gereageerd: ‘
Onderstaande is nog steeds van toepassing, ik zou zeggen dat de auto inmiddels ongeveer 500 euro minder waard is geworden, dan zitten we dus op 6000 euro.’
2.7.
Op 27 maart 2024 heeft [bedrijf 2] (hierna: de belastingadviseur) partijen een e-mail gezonden met daarin, onder meer:
‘[…]
ik[heb]
nog berekend hoe de belastingaanslagen worden verdeeld als de eigen woning aftrek en bijtelling worden toegepast conform jullie bijdrage 2/3 [gedaagde] – 1/3 [eiser].Op basis van de concept aangifte en de optimalisatie van deze per saldo aftrekpost zijn de uitkomsten:
[gedaagde] betalen: € 9.948
[eiser] ontvangen: € 7.231
Per saldo betalen: € 2.717
(..)
Ik hoor van jullie of de aangifte kan worden ingediend conform concept.
Zoals met [gedaagde] besproken nemen we de voorlopige teruggave 2024 nog onder de loep om zoveel mogelijk te anticiperen op bijbetaling na afloop van het jaar. (..)’
2.8.
Op 27 maart 2024 heeft [gedaagde] de belastingadviseur en [eiser] een e-mail gezonden met daarin: ‘
Dank [bedrijf 2], graag indienen conform het concept. @[eiser] graag bevestiging hiervoor.’
2.9.
Op 17 april 2024 heeft [eiser] de belastingadviseur en [gedaagde] een e-mail gezonden met daarin, onder meer: ‘
(..) We hebben het er thuis over gehad, maar ik heb niet gereageerd op deze mail. Wellicht dat jullie mijn akkoord reeds van [gedaagde] hebben vernomen, zo niet.. Hierbij!’

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert, na wijziging van eis, kort gezegd:
  • [gedaagde] te veroordelen [eiser] een bedrag van € 500,00 te voldoen voor de eettafel;
  • te bepalen dat de inboedelzaken zoals genoemd onder punt 11 van de akte wijziging van eis (met uitzondering van de televisie) aan [eiser] worden toebedeeld met afgifte aan haar, en subsidiair [gedaagde] te veroordelen [eiser] een bedrag van € 820,62 te voldoen als vervangende waarde van deze inboedel;
  • te bepalen dat de televisie en de tuinset door [gedaagde] aan een derde zullen worden verkocht en de opbrengst bij helfte zal worden verdeeld;
  • te bepalen dat de auto aan [gedaagde] wordt toebedeeld voor een bedrag van € 7.500,00 en [gedaagde] te veroordelen de helft daarvan aan [eiser] te voldoen;
  • [gedaagde] te veroordelen [eiser] een bedrag van € 626,11 te voldoen voor betaalde kosten van de auto;
  • [gedaagde] te veroordelen om, primair, aan [eiser] te voldoen de waarde van de door [eiser] ingelegde crypto van € 1.000,00 per de datum van de dagvaarding, althans per de datum van het te wijzen vonnis wanneer de waarde op die datum hoger is, en subsidiair om [gedaagde] te veroordelen [eiser] haar inleg van € 1.000,00 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en meer subsidiair [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van gegevens waaruit de waarde van de inleg van [eiser] per datum dagvaarding en datum vonnis blijkt en [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te voldoen de waarde per datum dagvaarding, althans per datum vonnis wanneer de waarde op die datum hoger is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
  • [gedaagde] te veroordelen [eiser] een bedrag van € 4.913,57, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te voldoen voor betaalde investeringen in de woning;
  • met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
3.2.
[eiser] legt hieraan, samengevat, het volgende ten grondslag. Er zijn na verkoop van de woning nog een aantal inboedelgoederen (c.q. de opbrengst van verkoop daarvan) die verdeeld moeten worden. De eettafel is inmiddels verkocht voor € 1.000,00, waarvan partijen beide de helft hebben ontvangen. De eettafel is echter aangeschaft door [eiser] en was daarmee volledig haar eigendom. [gedaagde] dient het bedrag van € 500,00 dat hij uit de verkoop van de eettafel heeft ontvangen, nog aan [eiser] te betalen. De televisie is gezamenlijk aangeschaft. Het is voor [eiser] akkoord dat [gedaagde] de televisie verkoopt en haar de helft van de opbrengst betaalt. Het matras, de wasmachine en de droger zijn door [eiser] aangeschaft en dus volledig haar eigendom. [gedaagde] dient deze zaken aan [eiser] af te geven. Ten aanzien van de tuinset stelt [eiser] in haar akte wijziging van eis zowel dat deze gezamenlijk eigendom is, als dat deze door haar is gekocht en daarmee haar persoonlijk eigendom is. Subsidiair vordert [eiser] de vervangende waarde van de inboedelgoederen die haar persoonlijk eigendom zijn. De vervangende waarde stelt zij op de helft van de aankoopwaarde. Voor de wasmachine, droger en het matras is dit tezamen € 820,62.
[eiser] heeft ter zitting erkend dat de auto gemeenschappelijk eigendom is en is ermee akkoord deze aan [gedaagde] toe te bedelen, met vergoeding van de helft van de waarde aan haar. Bij verkoop via een garage ligt de waarde tussen € 8.500,00 en € 9.000,00. [eiser] is echter bereid uit te gaan van een waarde van € 7.500,00.
[eiser] heeft na het einde van de relatie tussen partijen nog een bedrag van € 1.252,22 aan kosten voor de auto betaald. Dit betreft € 777,22 aan verzekeringskosten, driemaal een bedrag van € 88,00 aan wegenbelasting, een naheffingsaanslag van € 143,00 en schorsingskosten. [gedaagde] dient [eiser] nog de helft van deze kosten te betalen.
[eiser] heeft [gedaagde] verder een bedrag van € 1.000,00 betaald om te investeren in crypto. [eiser] dient de huidige waarde hiervan toe te komen, of althans in ieder geval haar inleg terug te ontvangen.
Tot slot vordert [eiser] een bedrag aan gedane investeringen in de woning. [eiser] heeft € 16.863,25 geïnvesteerd. Uit de laatste akte van [gedaagde] volgt dat ook hij een aantal investeringen in de woning heeft betaald. Met door [gedaagde] onderbouwde kosten ten bedrage van € 7.036,11 kan [eiser] instemmen. Het door haar te vorderen bedrag is daarmee nu nog € 4.913,57 ( (€ 16.863,25 - € 7.036.11)/2.)
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.
in reconventie
3.4.
[gedaagde] heeft op zijn beurt vorderingen in reconventie ingesteld. Hij vordert, na wijziging van eis, kort gezegd:
  • te bepalen dat zonder nadere verrekening aan [eiser] de inboedelgoederen worden toebedeeld die zij reeds onder zich houdt, alsmede het stoomapparaat en de gouden Brabantiaprullenbak;
  • te bepalen dat zonder nadere verrekening aan [gedaagde] de inboedelgoederen worden toebedeeld die hij reeds onder zich houdt, met uitzondering van de televisie die [gedaagde] zal verkopen, waarna hij de helft van de opbrengst aan [eiser] zal voldoen;
  • de auto aan [gedaagde] toe te delen, onder vergoeding van de helft van de door de rechtbank te bepalen waarde van de auto aan [eiser], onder de opschortende voorwaarde dat de auto vrij is van schade, en te bepalen dat [eiser] haar medewerking zal verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling en afgifte van het kentekenbewijs en onder afgifte van alle (reserve)sleutels van de auto aan [gedaagde];
  • [eiser] te veroordelen om ten aanzien van de aanslag IB 2023 een bedrag van € 8.589,59 aan [gedaagde] te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • [eiser] te veroordelen om ten aanzien van de aanslag IB 2024 - in het geval partijen opteren voor fiscaal partnerschap - de helft van de teruggave op haar naam aan [gedaagde] te voldoen en vast te stellen dat op [eiser] de draagplicht rust voor de helft van de aanslag op naam van [gedaagde] dan wel - voor het geval partijen niet opteren voor fiscaal partnerschap - [eiser] te veroordelen om de helft van de door haar genoten (voorlopige) hypotheekrenteaftrek ten bedrage van € 5.057,00 aan [gedaagde] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • [eiser] te veroordelen om de helft van de factuur van de belastingadviseur ten bedrage van € 1.023,00 aan [gedaagde] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente,
  • [eiser] te veroordelen een bedrag van € 2.464,81 aan [gedaagde] te voldoen ten aanzien van gezamenlijke woon-, eigenaars- en gebruikerslasten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • [eiser] te veroordelen een bedrag van € 676,561 aan [gedaagde] te voldoen ten aanzien van het Ziggo-abonnement over de periode van januari 2024 tot en met september 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.
3.5.
[eiser] voert verweer en concludeert in reconventie tot niet-ontvankelijk verklaring, dan wel afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze hierna gezamenlijk behandeld worden.
Inboedelgoederen
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat met de door partijen overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken naar haar oordeel voldoende is komen vast te staan dat partijen ten tijde van hun relatie beide inboedelgoederen aanschaften en dit (al dan niet grofweg) met elkaar verrekenden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende komen vast te staan dat alle inboedel gemeenschappelijk eigendom is en zij volgt [eiser] niet in haar standpunt dat door haar betaalde inboedelgoederen haar persoonlijk eigendom zijn.
4.3.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de inboedel reeds in overleg verdeeld is en dat aan partijen, zonder nadere verrekening, kan worden toebedeeld wat zij onder zich hebben. Tegenover de gemotiveerde stellingen van [eiser] dat de door haar genoemde inboedelgoederen nog niet in onderling overleg zijn verdeeld, heeft [gedaagde] zijn standpunt in dit kader naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal over de opgevoerde inboedelgoederen dus een beslissing geven en de verdeling daarvan vaststellen..
De eettafel
4.4.
De eettafel is voor € 1.000,00 aan een derde verkocht en beide partijen hebben daarvan de helft ontvangen. Nu de rechtbank zoals hiervoor onder 4.2. overwogen van oordeel is dat de eettafel een gemeenschappelijk goed was, is de opbrengst daarmee op de juiste wijze verdeeld. De rechtbank zal de vordering van [eiser] ten aanzien van de eettafel afwijzen.
De televisie
4.5.
Ter zitting is duidelijk geworden dat tussen partijen het erover eens zijn dat de televisie door [gedaagde] zal worden verkocht en dat de verkoopopbrengst bij helfte zal worden gedeeld. De rechtbank zal de vordering van [eiser] in die zin toewijzen.
Het stoomapparaat en de gouden Brabantiaprullenbak
4.6.
[gedaagde] heeft gesteld dat hij het stoomapparaat en de gouden Brabantieprullenbak heeft opgeslagen maar dat [eiser] deze, zonder nadere verrekening, mag hebben. [eiser] heeft op de zitting aangegeven deze inboedelgoederen te willen ontvangen, maar heeft geen vordering ingesteld tot toedeling van deze goederen aan haar. De rechtbank kan daarom daarover niet beslissen. Partijen zullen dat zelf met elkaar kunnen regelen.
Het matras
4.7.
[eiser] vordert toedeling van het matras aan haar, maar [gedaagde] heeft gesteld dat hij het matras aan een derde heeft gegeven. [gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd gesteld dat [eiser] heeft ingestemd dit zonder nadere verrekening te doen. Toedeling van het matras aan [eiser] is feitelijk niet meer mogelijk. Daarom moet [gedaagde] aan [eiser] nog de helft van de waarde van het matras vergoeden. [eiser] heeft met overlegging van de factuur aangetoond dat de aanschafwaarde van het matras £ 475,30 was. Zij gaat in haar subsidiaire vordering, waarbij het goed niet aan haar wordt toebedeeld, uit van een huidige waarde van de helft van de aanschafwaarde, dus een bedrag van £ 237,65. Nu [gedaagde] tegen deze waarde geen zelfstandig verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank daarvan uitgaan. In euro’s gaat het om een bedrag van € 137,24. Dat bedrag moet [gedaagde] dus aan [eiser] vergoeden.
De wasmachine en de droger
4.8.
[gedaagde] heeft gesteld, zo begrijpt de rechtbank, dat de wasmachine en de droger zijn persoonlijk eigendom zijn, omdat deze zijn betaald met een schenking in contanten van zijn ouders. [eiser] heeft dat betwist en gesteld dat zij de wasmachine en droger heeft aangeschaft en (vanaf haar rekening) betaald. Tegenover die gemotiveerde betwisting heeft [gedaagde] zijn stelling dat deze goederen zijn betaald met een schenking van zijn ouders (aan hem persoonlijk en niet aan hen beiden) niet onderbouwd. Dat zijn ouders een dergelijke schenking hebben gedaan, blijkt immers nergens uit. De rechtbank gaat er dus - met verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.2. is overwogen - vanuit dat ook de wasmachine en de droger gezamenlijk eigendom zijn. [eiser] heeft in haar vordering weliswaar om toedeling hiervan aan haar verzocht, maar daarbij gaat zij ten onrechte ervan uit dat deze goederen alleen haar eigendom zijn. Omdat de rechtbank van oordeel is dat dit gezamenlijke goederen betreft, zal de rechtbank de wasmachine en de droger aan [gedaagde] toedelen, die ze thans onder zich heeft. [gedaagde] moet [eiser] de helft van de waarde hiervan vergoeden. [eiser] heeft met overlegging van de factuur aangetoond dat de aanschafwaarde van de wasmachine en de droger tezamen € 1.149,00 was. Zij gaat uit van een huidige waarde van de helft hiervan, dus een bedrag van € 574,50. Nu [gedaagde] tegen deze waarde geen zelfstandig verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank daarvan uitgaan. [gedaagde] dient [eiser] voor de wasmachine en de droger dus nog de helft van de huidige waarde te vergoeden, dus een bedrag van € 287,25.
De tuinset
4.9.
[eiser] heeft ter zitting aangegeven dat zij de tuinset niet toebedeeld wenst te krijgen en dat deze verkocht kan worden. Nu [gedaagde] echter toebedeling aan hem wenst, zal de rechtbank [gedaagde] daarin volgen. [gedaagde] dient [eiser] de helft van de waarde van de tuinset te vergoeden. [eiser] heeft bij akte onweersproken gesteld dat de aanschafwaarde van de tuinset € 800,00 was. Zij gaat uit van een huidige waarde van de helft hiervan, dus een bedrag van € 400,00. Nu [gedaagde] tegen deze waarde geen zelfstandig verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank daarvan uitgaan. [gedaagde] dient [eiser] voor de tuinset dus nog de helft van de huidige waarde te vergoeden, dus een bedrag van € 200,00.
De auto
4.10.
Niet langer in geschil is dat de auto gezamenlijk eigendom is. Ook zijn partijen het erover eens dat de auto aan [gedaagde] kan worden toebedeeld. Zij verschillen alleen van mening over de huidige waarde van de auto. [eiser] heeft gesteld dat het redelijk is uit te gaan van een waarde van € 7.500,00, nu dat het midden houdt tussen de waarde waarvoor [bedrijf 1] heeft aangegeven de auto door te kunnen verkopen en de door [gedaagde] voorgestelde waarde. De rechtbank is van oordeel dat in het kader van de verdeling niet kan worden aangesloten bij het door [bedrijf 1] in dit kader genoemde bedrag van € 8.500,00 tot € 9.000,00 als zij de auto zou verkopen (zie hiervoor onder 2.5.). Dat is immers de verkoopprijs van de garage na verricht onderhoud en met geboden garantie. Daar zal bovendien een winstmarge voor de garage bij inbegrepen zijn. Die prijs is dus niet gelijk aan de waarde van de auto van partijen in het kader van de verdeling. Daarvoor is relevant de prijs die partijen voor de verkoop van de auto zouden kunnen krijgen, bijvoorbeeld bij verkoop aan de garage. [eiser] heeft geen (recente) biedingen van derden op de auto in het geding gebracht. De rechtbank zal daarom uitgaan van een waarde van € 6.000,00 zoals [bedrijf 1] deze bij e-mail van 31 maart 2026 heeft opgegeven (zie hiervoor onder 2.6.), nu dat de meest recente waardeopgave is waarover zij beschikt. [eiser] heeft nog gesteld dat [bedrijf 1] de auto voor deze waardering niet gezien heeft, maar niet in geschil is dat [bedrijf 1] de auto circa een jaar daarvoor wel fysiek heeft beoordeeld en toen kwam tot een waarde van € 6.500,00 (zie hiervoor onder 2.4.). Een waardedaling van € 500,00 over de periode van circa een jaar komt de rechtbank niet onredelijk voor.
4.11.
De rechtbank zal de auto dus toedelen aan [gedaagde]. [gedaagde] moet [eiser] hiervoor de helft van de waarde aan [eiser] vergoeden, dus een bedrag van € 3.000,00. De rechtbank zal de door [gedaagde] gevorderde opschortende voorwaarde voor toedeling van de auto aan hem , namelijk dat de auto vrij is van schade, ook toewijzen, omdat [eiser] daartegen geen verweer heeft gevoerd. Om de toedeling aan [gedaagde] te kunnen effectueren, zal de rechtbank ook bepalen dat [eiser] haar medewerking zal verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling van de auto en alle (reserve)sleutels van de auto zal afgeven, zoals [gedaagde] heeft gevorderd. Afgifte van het kentekenbewijs is niet nodig omdat [gedaagde] na wijziging van de tenaamstelling een nieuw kentekenwijs zal ontvangen.
De door [eiser] betaalde kosten van de auto over de periode vanaf maart 2024
4.12.
Omdat de auto gemeenschappelijk eigendom is, moeten partijen de kosten voor het bezit van de auto (tot de toedeling van de auto aan [gedaagde]) bij helfte te dragen. [2] [eiser] heeft ten aanzien van door haar betaalde kosten facturen en betalingsbewijzen in het geding gebracht. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de opgevoerde verzekeringskosten ten bedrage van € 777,22 en de naheffingsaanslag van de Belastingdienst van € 143,00. Wel heeft [gedaagde] gesteld dat van de drie betalingen van € 88,00 aan de Belastingdienst niet vast staat dat die zien op de auto. Naar het oordeel van de rechtbank is het echter aannemelijk dat deze betalingen zien op de wegenbelasting. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd dat dat niet het geval is, bijvoorbeeld door toe te lichten waarop die betalingen aan de Belastingdienst dan wel betrekking hebben. Ter zitting is besproken dat de genoemde bedragen tezamen sluiten op een bedrag van € 1.184,22 en niet op het door [eiser] in haar wijziging van eis gevorderde bedrag van € 1.252,22. [eiser] heeft daarop haar vordering verminderd tot een bedrag van € 1.184,22. De rechtbank zal [gedaagde] daarom veroordelen [eiser] de helft van het bedrag van € 1.184,22, zijnde een bedrag van € 592,11, te betalen.
De cryptobelegging
4.13.
Niet in geschil is dat [eiser] aan [gedaagde] op 24 mei 2021 een bedrag van
€ 1.000,00 heeft overgemaakt, met de opdracht dit voor haar in crypto te beleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is met de door [gedaagde] als productie 35 overgelegde stukken en de toelichting ter zitting voldoende komen vast te staan dat [gedaagde] zelf ook een bedrag van circa € 1.000,00 heeft ingelegd. [gedaagde] heeft de inleg van beide partijen geïnvesteerd in Binance. [gedaagde] heeft ter zitting voorts gesteld dat de licentie van Binance in juni 2023 afliep en hij dus de investering van partijen daaruit moest onttrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] voldoende aangetoond dat de waarde van de investering op het moment van onttrekking uit Binance € 1.726,00 was, dus € 863,00 voor elk van hen. [gedaagde] heeft gesteld dat hij dit bedrag, met goedkeuring van [eiser], vervolgens in valuta heeft geïnvesteerd. Die markt is volledig ingestort en de restwaarde van de investering is op dit moment nul, aldus [gedaagde].
4.14.
[eiser] heeft ter zitting betwist dat zij [gedaagde] goedkeuring heeft gegeven om na de kennelijke beëindiging van haar cryptobelegging in het Binance-account haar (resterende) inleg vervolgens in valuta te gaan beleggen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] haar daar niet van de op de hoogte gesteld en wist zij van niets. Daartegenover heeft [gedaagde] zijn stelling dat [eiser] ermee heeft ingestemd dat hij haar inleg in valuta is gaan beleggen niet nader onderbouwd. De goedkeuring van [eiser] is daarmee niet komen vast te staan. De door [gedaagde] gestelde waardedalingen van de inleg van [eiser] die [gedaagde] heeft belegd op de valutamarkt komen daarmee naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening en risico. [gedaagde] moet aan [eiser] daarom haar aandeel van de waarde van de cryptobelegging op het moment dat [gedaagde] die uit het Binance-account heeft onttrokken, aan haar vergoeden. Dat gaat dus om de helft van het bedrag van € 1.726,00, dus een bedrag van € 863,00. De rechtbank zal de vordering van [eiser] daarom in zoverre toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals gevorderd.
De investeringen in de woning
4.15.
Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de door partijen overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, voldoende komen vast te staan dat partijen - net zoals ter zake van de inboedel – de afspraak hadden de kosten van de investeringen in de gezamenlijke woning (grofweg) bij helfte te delen. [gedaagde] heeft gesteld dat dit tijdens de relatie reeds geheel is verrekend, maar tegenover de gemotiveerde betwisting van [eiser] onder aanwijzing van concrete kosten die zij stelt (meer) te hebben betaald dan [gedaagde], heeft [gedaagde] dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat alle kosten tussen partijen al zijn verrekend. Voor zover [gedaagde] stelt ook kosten voor investeringen in de woning te hebben gedaan, zal de rechtbank hierna beoordelen in hoeverre die (alsnog) voor verrekening in aanmerking komen met de door [eiser] betaalde kosten.
4.16.
[gedaagde] heeft gesteld dat, ook als niet kan worden aangenomen dat partijen hun kosten van de investeringen in de woning hebben verrekend, [eiser] geen vordering op hem heeft omdat hij volgens hem méér in de woning heeft geïnvesteerd dan [eiser]. De rechtbank zal beoordelen welke investeringen naar haar oordeel voldoende vaststaan en of [eiser] (die als enige een vordering uit hoofde van gedane investering in de woning heeft ingesteld) nog een bedrag van [gedaagde] te vorderen heeft.
4.17.
[eiser] heeft gesteld dat zij een bedrag van € 16.863,25 heeft geïnvesteerd in de woning. Dat betreft de optelsom van de posten genoemd in productie 13 van [eiser] ten bedrage van € 11.385,80, plus de door haar betaalde helft van de kosten van [bedrijf 3] ten bedrage van € 2.550,00 en het door haar betaalde deel van de kosten van elektricien [betrokkene] ten bedrage van € 2.927,45. [gedaagde] heeft de hoogte van dit bedrag betwist. Hij stelt dat [eiser] de helft van twee ‘openstaande facturen’ heeft meegenomen, terwijl [gedaagde] de helft van deze facturen zelf heeft voldaan. Ook komt in het overzicht de eettafel terug, terwijl [eiser] daarover ook een vordering heeft ingesteld bij de verdeling van de inboedel. [gedaagde] betwist verder de door [eiser] gestelde contante betalingen. Tot slot heeft [eiser] de huishoudelijke spullen en de plantenbakken van IKEA al (voor een deel) in haar bezit.
4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] de door [gedaagde] betwiste investeringen onvoldoende onderbouwd. De contante betalingen zijn door [gedaagde] betwist en [eiser] heeft van de gestelde contante betalingen geen onderbouwing gegeven. Over de eettafel heeft de rechtbank hiervoor onder 4.4. al geoordeeld dat die gemeenschappelijk eigendom is en dat de opbrengst uit de verkoop van de tafel al tussen partijen is verdeeld. De aanschafkosten van de tafel kan zij daarom niet nogmaals (als gemaakte investeringskosten) in verrekening brengen. Datzelfde geldt voor de overige inboedelzaken waarvan de rechtbank in het voorgaande al heeft geoordeeld over de verdeling en de vergoedingsverplichting die daartegenover staat. Dat leidt ertoe dat nog de volgende door [eiser] in productie 13 opgevoerde investeringen naar het oordeel van de rechtbank als onvoldoende weersproken vast staan:
  • € 169,95 – thermostaat benedenverdieping;
  • € 58,88 – bouwmaterialen;
  • € 425,00 - Quooker;
  • € 40,16 – bouwmaterialen;
  • € 89,94 – terras tegeldelen;
  • € 33,21 – bouwmaterialen;
  • € 24,00 – gangkast knopjes;
  • € 740,02 – materiaal schilder;
  • € 75,00 – inloopkast greepjes;
  • € 360,35 – raamdorpel (voorraam).
Totaal € 2.016,51
4.19.
Ook staan de door [eiser] opgevoerde betalingen van € 2.550,00 aan [bedrijf 3] en € 2.927,45 aan elektricien [betrokkene] naar het oordeel van de rechtbank ook vast. Van [bedrijf 3] heeft [eiser] een betalingsbewijs overgelegd. Dat zij (net als [gedaagde]) circa € 2.900,00 aan elektricien [betrokkene] heeft betaald volgt uit de verklaring van de heer [betrokkene] die [gedaagde] als productie 33 heeft overgelegd.
4.20.
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank op een totaalbedrag van € 7.493,96 (€ 2.016,51 + € 2.550,00 + € 2.927,45) aan door [eiser] in de woning gedane investeringen.
4.21.
[gedaagde] heeft op zijn beurt een aantal van door hem in de woning gedane investeringen opgevoerd. Ter zitting heeft [eiser] hiervan een bedrag van € 7.036,11 (€ 1.439,90 aan de architect, € 3.046,21 aan Kees Prop Schilderwerken en € 2.550,00 aan [bedrijf 3]) erkend. [gedaagde] verwijst voor de door hem betaalde kosten verder naar zijn productie 33, waaruit blijkt dat ook hij circa € 2.900,00 aan elektricien [betrokkene] heeft betaald. Daarmee komt het door [gedaagde] in de woning geïnvesteerde bedrag dus al hoger uit dan het bedrag van € 7.493,96 dat van [eiser] in de woning heeft geïnvesteerd. Dat heeft tot gevolg dat na verrekening [eiser] geen vordering meer heeft op [gedaagde]. [eiser] heeft immers niet meer in de woning geïnvesteerd dan [gedaagde]. Omdat [gedaagde] geen eigen vordering heeft ingesteld tot vergoeding van de (meer)kosten die hij heeft gemaakt voor investeringen in de woning, behoeven de overige door [gedaagde] opgevoerde kosten geen bespreking.
IB 2023
4.22.
Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken en de hiervoor onder 2.7. tot en met 2.9. genoemde e-mailcorrespondentie blijkt genoegzaam dat de belastingadviseur namens beide partijen de belastingaangifte over 2023 heeft verzorgd, waarbij ter optimalisatie uitgekomen is op het zo opvoeren van de posten dat [eiser] een bedrag van € 7.231,00 terug ontving en [gedaagde] een bedrag van € 9.948,00 diende te betalen, waardoor er per saldo door partijen een bedrag van € 2.717,00 betaald diende te worden. [eiser] heeft hier uitdrukkelijk mee ingestemd. [eiser] heeft gesteld dat uit de correspondentie met de belastingadviseur niet blijkt dat partijen hebben afgesproken dat zij een bedrag van
€ 8.598,50 aan [gedaagde] moet betalen. Maar de afspraak tussen partijen dat zij hun gezamenlijke aangifte zouden optimaliseren voor een zo laag mogelijke aanslag leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat partijen gehouden waren tot saldering van hun belastingteruggave en -betaling over te gaan, zodat zij ieder voor de helft bijdragen in de gezamenlijke belastingschuld van per saldo € 2.717,00. [gedaagde] heeft zijn aanslag van
€ 9.948,00 betaald. [eiser] heeft van de Belastingdienst een teruggave ontvangen van € 7.231,00. Dat betekent dat [eiser] aan [gedaagde] nog het door hem gevorderde bedrag van
€ 8.589,50 ((€ 9.948,00 + € 7.231,00)/2) moet betalen. De rechtbank zal [eiser] veroordelen dat bedrag aan [gedaagde] te betalen.
IB 2024
4.23.
Ter zitting is gebleken dat beide partijen over 2024 ieder zelf belastingaangifte hebben gedaan. [gedaagde] heeft aangegeven dat hij alsnog graag als fiscaal partners gezamenlijk belastingaangifte wil doen, omdat dit volgens de belastingadviseur voor hen beiden voordeel kan opleveren. [eiser] heeft hier niet mee ingestemd.
4.24.
[gedaagde] heeft toegelicht dat, indien beide partijen hun eigen aangifte doen, zij een lagere hypotheekrenteaftrek zullen ontvangen dan het bedrag van € 10.114,00 dat hij als vooraftrek heeft ontvangen op basis van de gezamenlijke aanvraag van partijen voor een voorlopige aanslag en op de gezamenlijke rekening van partijen heeft gestort. [gedaagde] heeft op de vraag van de rechtbank bevestigd dat hij daarom vergoeding vordert van de helft van het verschil tussen de genoten vooraftrek en de daadwerkelijk te ontvangen aftrek, anders dan de door hem ingestelde vordering van de helft van de volledige vooraftrek. De rechtbank zal de vordering in die zin toewijzen. Partijen hebben immers over 2024 ieder voor de helft de netto hypotheeklasten van de gezamenlijke woning voldaan, dus minus de ontvangen vooraftrek van € 10.114,00. Als op basis van de eigen aangiften van partijen de totale hypotheekrenteaftrek lager zal blijken te zijn, zal de Belastingdienst de vooraftrek die [gedaagde] teveel heeft ontvangen van hem terugvorderen. Omdat partijen gelijk moeten delen in de woonlasten, zal [eiser] de helft van die terugvordering aan [gedaagde] moeten vergoeden.
De kosten van de belastingadviseur
4.25.
Uit de door [gedaagde] als productie 22 overgelegde specificaties bij de facturen van de belastingadviseur volgt dat de in rekening gebrachte werkzaamheden zien op de gezamenlijke aangifte inkomstenbelasting 2023, de aanvraag voorlopige aanslag 2024 en de aangifte inkomstenbelasting 2022 van [eiser] over de periode oktober 2023 tot en met maart 2024. Uit de communicatie met de belastingadviseur die [gedaagde] heeft overgelegd blijkt dat ook [eiser] contact onderhield met de belastingadviseur. Daarmee heeft [gedaagde] voldoende aannemelijk gemaakt dat de facturen van de belastingadviseur betrekking hebben op werkzaamheden voor en in opdracht van beide partijen. Nu [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat hij de facturen van de belastingadviseur heeft voldaan, heeft hij een regresvordering voor de helft op [eiser]. Het totaalbedrag van de facturen bedraagt
€ 2.046,00. De rechtbank zal daarom [eiser] veroordelen de helft van dat bedrag, dus € 1.023,00, aan [gedaagde] te vergoeden, zoals hij heeft gevorderd.
De eigenaars- en gebruikerslasten van de woning (exclusief het Ziggo-abonnement)
4.26.
De door [gedaagde] ingestelde vordering ziet op de periode 2 januari 2025 tot en met 16 februari 2026. [gedaagde] stelt dat de totale lasten € 28.862,03 bedroegen, bestaande uit de hypotheek, premie risicoverzekering Nationale Nederlanden, kosten ABN betaalpakket, Energiedirect, ASR Schadeverzekering (voor de woning) en BNP Paribas verzekering (eveneens voor de woning). [gedaagde] heeft daartoe € 15.524,72 op de gezamenlijke rekening gestort en [eiser] € 12.392,29. [gedaagde] verwijst hiervoor naar zijn productie 24 waaruit de door partijen gedane betalingen volgen. Nu [gedaagde] € 3.132,43 méér heeft voldaan dan [eiser], stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat [eiser] hem nog een bedrag van € 1.566,22 moet vergoeden.
4.27.
[eiser] heeft hiertegen primair als verweer gevoerd dat [gedaagde] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd, omdat deze niet is af te leiden uit productie 24. De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. [gedaagde] heeft een (chronologisch) overzicht verstrekt van het verloop van de gemeenschappelijke rekening van partijen over de periode van 2 januari 2025 tot en met 16 februari 2026. Daarop is te zien welke bedragen elk van partijen op die rekening hebben gestort en welke betalingen daarmee zijn gedaan aan (hoofdzakelijk) de hypotheekverstrekker Aegon en welke overige eigenaars- en gebruikerslasten van die rekening zijn voldaan, voorzien van een optelsom van de totale bijschrijvingen van elk van partijen en de totale afschrijvingen aan Aegon en aan overige lasten. Verder heeft [gedaagde] daarbij de bankafschriften van de gezamenlijke rekening over dezelfde periode als bewijs bijgevoegd. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] aan [eiser] daarmee voldoende inzicht heeft gegeven in (de opbouw van) zijn vordering.
4.28.
[eiser] heeft op de zitting gesteld bereid te zijn de helft van de eigenaars- en gebruikerslasten tot september 2025 te voldoen, omdat zij tot die tijd gebruik heeft gemaakt van de gemeenschappelijke woning. Daarna is zij met haar nieuwe partner in een andere woning gaan wonen, met de daarbij behorende eigenaars- en gebruikerslasten. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] ook de helft van de eigenaars- en gebruikerslasten over de periode vanaf september 2025 tot en met februari aan [gedaagde] moet vergoeden. De rechtbank zal dat hierna toelichten.
4.29.
[eiser] betwist dat partijen na de verbreking van de relatie hebben afgesproken ieder de helft van de eigenaars- en gebruikerslasten te voldoen. Partijen zijn ook na verbreking van de relatie gezamenlijk eigenaar gebleven van de gemeenschappelijke woning totdat deze is verkocht en in maart 2026 geleverd aan een derde. Dat betekent dat zij tot dat moment in elk geval ieder voor de helft moeten bijdragen aan de eigenaarslasten die verbonden zijn aan de gemeenschappelijke woning. De gebruikerslasten komen in beginsel voor rekening van de partij die (alleen, met uitsluiting van de ander) gebruik maakt van de gemeenschappelijke woning. Tussen partijen staat vast dat zij na het verbreken van de relatie de afspraak hebben gemaakt dat zij ieder voor de helft gebruik gingen maken van de gemeenschappelijke woning, volgens het schema ‘week op, week af’, en dat zij daar vervolgens ook uitvoering aan hebben gegeven. Daarom moeten partijen ook ieder voor de helft bijdragen aan de gebruikerslasten van de woning. Dat [eiser] stelt vanaf september 2025 geen gebruik meer te hebben gemaakt van de gemeenschappelijke woning, maakt dat niet anders. [gedaagde] heeft daarover gesteld dat hij dat niet wist en dat hij zich nog steeds hield aan de afspraak tussen partijen en om de week in de woning verbleef. Dat partijen vanaf september 2025 een andere afspraak hebben gemaakt, heeft [gedaagde] betwist. Daartegenover heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld dat partijen vanaf september 2025 van hun afspraak van gedeeld gebruik van de woning zijn afgestapt en hebben afgesproken dat [gedaagde] het alleen gebruik van de woning zou krijgen.
4.30.
Het voorgaande betekent dat [eiser] over de hele periode voor de helft moet bijdragen aan de eigenaars- en gebruikerslasten van de woning. [eiser] heeft niet betwist dat [gedaagde] een bedrag van € 3.132,43 meer heeft voldaan op de gemeenschappelijk rekening, waarmee deze gemeenschappelijke lasten zijn betaald. Dat betekent dat [eiser] de helft van dat bedrag, dus € 1.566,22 aan [gedaagde] moet vergoeden.
4.31.
[gedaagde] heeft verder onbetwist gesteld dat hij nog een bedrag van € 945,32 aan gemeenschappelijke lasten vanaf zijn privérekening heeft voldaan omdat [eiser] begin 2026 is gestopt met het storten van haar bijdrage op de gemeenschappelijke rekening. Dat betekent dat [eiser] ook de heft van dat bedrag, dus € 472,66 aan [gedaagde] moet vergoeden.
4.32.
In oktober 2025 heeft [eiser] het energiecontract voor de gemeenschappelijke woning overgenomen en meegenomen naar haar nieuwe woning. [gedaagde] heeft vervolgens een nieuw energiecontract afgesloten bij een nieuwe energieleverancier. [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat hij de eindafrekening van die energieleverancier van € 851,86 heeft voldaan. [eiser] zal daarom ook de helft van dat bedrag, dus € 425,93 aan [gedaagde] moeten vergoeden.
4.33.
De rechtbank zal de vordering van [gedaagde] dus toewijzen tot een bedrag van (1.566,22 + 472,66 + 425,93 =) € 2.464,81.
Het Ziggo-abonnement
4.34.
Het voorgaande betekent dat [eiser] ook de helft van de door [gedaagde] betaalde kosten voor het Ziggo-abonnement over de periode van januari 2024 tot en met maart 2026 als gezamenlijke gebruikerslasten moet vergoeden. De hoogte van die kosten van € 1.353,11 heeft [eiser] niet betwist. De rechtbank zal de vordering van [gedaagde] ten bedrage van
€ 676,56 dan ook toewijzen.
Conclusie
4.35.
Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot toewijzing van de vorderingen van [eiser] tot een door [gedaagde] aan haar te betalen bedrag van in totaal € 5.079,60, bestaande uit:
  • € 137,24 voor het matras;
  • € 287,25 voor de wasmachine en de droger;
  • € 200,00 voor de tuinset;
  • € 3.000,00 voor de auto;
  • € 592,11 voor de kosten van de auto;
  • € 863,00 voor de crypto.
4.36.
De rechtbank komt gelet op al het voorgaande verder tot toewijzing van de vorderingen van [gedaagde] tot een door [eiser] aan hem te betalen bedrag van in totaal
€ 12.753,87, bestaande uit:
  • € 8.589,50 voor de IB 2023;
  • € 1.023,00 voor de kosten van de belastingadviseur;
  • € 2.464,81 voor de eigenaars- en gebruikerslasten;
  • € 676,56 voor de kosten van Ziggo.
Proceskosten
4.37.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
bepaalt dat de televisie door [gedaagde] zal worden verkocht en dat hij de helft van de verkoopopbrengst zal voldoen aan [eiser],
5.2.
bepaalt dat de Smart Forfour met kenteken [kenteken] wordt toebedeeld aan [gedaagde], onder de opschortende voorwaarde dat de auto vrij is van schade, en bepaalt dat [eiser] haar medewerking zal verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling van de auto en alle (reserve)sleutels van de auto zal afgeven aan [gedaagde],
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag te betalen van € 5.079,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van
€ 863,00 vanaf 8 april 2025 tot de dag van volledige betaling van het bedrag van € 863,00,
in reconventie
5.4.
bepaalt dat de wasmachine, droger en tuinset worden toebedeeld aan [gedaagde],
5.5.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] de helft van de terugvordering die hij van de Belastingdienst zal ontvangen van over 2024 teveel ontvangen vooraftrek van de hypotheekrente te voldoen, in het geval de in de belastingaanslag 2024 van elk van partijen de definitief vastgestelde hypotheekrenteaftrek samen lager is dan de vooraftrek van
€ 10.114,00,
5.6.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een bedrag te betalen van € 12.753,87, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van heden tot de dag van volledige betaling,
in conventie en in reconventie
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
2009

Voetnoten

1.Artikel 130 van Pro het Wetboek van Burgergerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 2.26 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton (eiswijziging) en artikel 87 lid 6 Rv Pro en artikel 5.7 van het Landelijk procesreglement (indienen processtukken)
2.Artikel 3:172 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)