3.3.2.Bewijsoverweging
Inleiding
Naar aanleiding van berichten van de gebruiker van het EncroChat-account met de gebruikersnaam [accountnaam A] (hierna: [accountnaam A]) is bij de FIOD de verdenking ontstaan dat [accountnaam A] zich in de periode van 15 maart 2020 tot 12 juni 2020 heeft beziggehouden met onder meer voorbereidings- en bevorderingshandelingen gericht op de handel in cocaïne via de luchthaven Schiphol. In de onderschepte berichten van en aan [accountnaam A] zou onder andere gesproken zijn over het in- en uitvoeren van cocaïne en over de verschillende prijzen. Ook zou [accountnaam A] in contact staan met personen die beschikken over luchthaven gerelateerde informatie, zoals de beschikbare vluchtroutes, mogelijke controles door de douane op de vluchten en scanlijsten. De verdenking is dat de verdachte de gebruiker is geweest van EncroChat-account met de naam [accountnaam A] en zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de voorgenoemde voorbereidings- en bevorderingshandelingen.
Identificatie
De eerste vraag die de rechtbank bij de beoordeling van het ten laste gelegde feit moet beantwoorden, is of de verdachte de gebruiker is geweest van het EncroChat-account [accountnaam A]. Het dossier bevat een proces-verbaal van identificatie van het EncroChat-account [accountnaam A], waarin de FIOD een aantal aanwijzingen voor de identificatie van de gebruiker ervan op een rij heeft gezet. Uit dit proces-verbaal blijkt, voor zover relevant, het volgende.
Op 25 mei 2020 heeft [accountnaam A] contact gehad met de gebruiker van het EncroChat-account [account B]. In dit gesprek zegt [accountnaam A] dat alles naar de scan gaat en stuurt vervolgens een afbeelding met een scanlijst. Daarna neemt [account B] contact op met de gebruiker van het EncroChat-account [account C]. De afbeelding die [account B] van [accountnaam A] heeft ontvangen, wordt vervolgens doorgestuurd naar [account C]. [account B] vermeldt daarbij dat de afbeelding afkomstig is van “[achternaam verdachte]”. De achternaam van de verdachte is [achternaam verdachte].
Daarnaast heeft het IMEI-nummer van het telefoontoestel waarmee gebruik werd gemaakt van [accountnaam A] in de periode van 6 mei 2020 tot 12 juni 2020 meestal een zendmast aangestraald die is gelegen op het adres [adres B] te Diemen. Het dekkingsgebied van deze zendmast valt binnen de directe omgeving waar de vrouw van de verdachte, [naam vrouw verdachte], in die periode stond ingeschreven ([adres C] in Diemen).
Verder blijkt uit onderzoek dat de
nicknames'[naam A]' en '[naam B]', die [accountnaam A] gebruikt, aan de verdachte kunnen worden gekoppeld.
Ook blijkt uit de berichten tussen [accountnaam A] en de gebruiker van het EncroChat-account [account D], dat [accountnaam A] dochters heeft. Dit komt overeen met de BRP-gegevens van de verdachte.
Op1 mei 2020 heeft [accountnaam A] contact gehad met de gebruiker van het EncroChat-account [account E]. In dit gesprek vraagt [account E] aan [accountnaam A]: “
Heb je je dingen opgelost broer?”[accountnaam A] reageert dat alles stil ligt. [account E] reageert vervolgens: “
Bedoelde je privé broer, je kleine.”[accountnaam A] antwoordt vervolgens: “
Ja ze is weer veilig thuis broer.”
Uit onderzoek is gebleken dat de Nationale Politie op 15 maart 2020 een mutatie heeft gemaakt met betrekking tot een huiselijke twist waarbij de situatie is geëscaleerd tussen moeder en dochter [dochter van verdachte], waarbij dochter is weggelopen. Op 5 april 2020 blijkt uit een vervolg mutatie dat dochter na een week weer thuis is gekomen.
Tot slot blijkt dat de
nickname‘[account F 1]’, die [accountnaam A] gebruikte in het gesprek met het EncroChat-account [account F 2], aan de verdachte kan worden gekoppeld. Uit de politiesystemen blijkt namelijk dat de verdachte de gebruiker is geweest van een zwarte [personenauto]
Tussenconclusie: de verdachte is de gebruiker van het EncroChat-account [accountnaam A]
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de voorgaande omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is geweest van het EncroChat-account [accountnaam A]. De rechtbank betrekt daarbij dat de verdachte zich ter terechtzitting consequent op zijn zwijgrecht heeft beroepen, en ondanks herhaaldelijke vragen van de rechtbank, geen aanknopingspunten heeft gegeven die tot de gedachte zouden kunnen leiden dat een ander dan de verdachte de gebruiker is geweest van het EncroChat-account [accountnaam A].
De inhoud van de chats
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de chatberichten die [accountnaam A] heeft gewisseld met andere EncroChat-gebruikers betrekking hebben op voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de handel in cocaïne. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bij de interpretatie en waardering van de berichten terughoudendheid en behoedzaamheid dient te worden betracht, aangezien het bewijs in deze strafzaak vrijwel uitsluitend op de chatberichten rust.
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank echter van oordeel dat een substantieel deel van de zich in het dossier bevindende chatgesprekken onmiskenbaar betrekking heeft op de internationale handel in cocaïne. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank het volgende. In de chatgesprekken wordt gesproken over landen waar vandaan dingen moeten worden verstuurd. Het gaat daarbij vooral om Zuid-Amerikaanse landen, zoals Colombia (een bekend bronland van cocaïne). Er worden foto’s gedeeld van vliegtuigplaten met PMC-nummers en airwaybills en er wordt gesproken over het kloppend maken van papierwerk. Ook wordt er gesproken over “spullen”, “blokken” die gepakt of verstuurd kunnen worden en over “Bogo” en “Colo”. Dit zijn termen die bij de marechaussee ambtshalve bekend zijn als termen die gebruikelijk zijn in het criminele drugsmilieu en kenmerkend zijn voor de (internationale) handel in cocaïne. Ook wordt er in de chatgesprekken gesproken over nieuwe lijnen (smokkelroutes), douanecontrole, en worden er verschillende prijzen genoemd. Daarnaast is in een chatgesprek een afbeelding aangetroffen van een blok wit poeder met daarin de stempel van een dolfijn. Die afbeelding is door de verdachte verstuurd naar een andere gebruiker.
Conclusie
De rechtbank acht op basis van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat de verdachte zich in de periode van 15 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen gericht op het vervoeren van cocaïne en het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.