ECLI:NL:RBNHO:2026:5729

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/15/367610 / HA ZA 25-420
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 4 samenlevingsovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing woning aan vrouw met kinderen en verdeling verbouwingskosten ex-partners

Partijen zijn ex-partners die in geschil zijn over de verdeling van hun gemeenschappelijke woning en de verbouwingskosten die via de BV’s van de man zijn gemaakt. De vrouw woont met de kinderen in de woning en wil deze overnemen. De man stelt dat hij financieel in staat is de woning over te nemen en geen uitwijkmogelijkheden heeft.

De rechtbank weegt de belangen en oordeelt dat het belang van de vrouw zwaarder weegt, mede vanwege het verblijf van de minderjarige kinderen en de zorg voor een zoon met speciale behoeften. De vrouw krijgt daarom als eerste de mogelijkheid om de woning over te nemen tegen de getaxeerde waarde van € 500.000,-, onder voorwaarden waaronder zij de man ontslaat van de hoofdelijke aansprakelijkheid en de helft van de overwaarde en verbouwingskosten betaalt.

De verbouwingskosten van € 108.900,- zijn door de BV’s van de man gefactureerd en de rechtbank oordeelt dat de vrouw hiervan de helft (€ 54.450,-) moet vergoeden. De overige vorderingen over de gezamenlijke bankrekening en inboedel worden afgewezen, waarbij de rechtbank verwacht dat partijen dit in onderling overleg regelen.

De vrouw krijgt het exclusieve gebruik van de woning tot de overdracht plaatsvindt. De procedurekosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vrouw krijgt als eerste de mogelijkheid om de woning over te nemen en moet de helft van de verbouwingskosten betalen; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/367610 / HA ZA 25-420
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. E. van de Burgwal,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.D. Balesar.
De zaak in het kort
Partijen zijn ex-partners. Ze zijn in geschil over wie van beiden als eerste de kans moet krijgen om de gemeenschappelijke woning te kopen. Daarnaast twisten ze over de vraag of de verbouwingskosten van de woning - die door de BV’s van de man zijn gemaakt - voor de helft voor rekening van de vrouw moeten komen. De rechtbank oordeelt dat de vrouw als eerste de mogelijkheid krijgt om de woning over te nemen en geeft hiervoor een stappenplan. Verder mag de vrouw met de kinderen in de woning blijven wonen totdat deze (aan haar, aan de man of aan een derde) is verkocht. Daarnaast moet de vrouw de helft van de verbouwingskosten betalen. De vorderingen voor wat betreft de gezamenlijke bankrekening en inboedel worden afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 31 december 2025;
- de akte aanvullende producties en aanvulling grondslag namens de man, met producties 29A-29G;
- de akte houdende wijziging vordering namens de man;
- de akte houdende wijziging vordering namens de vrouw;
- de akte aanvullende producties namens de vrouw, met producties 7-10;
- de akte aanvullende producties namens de man, met producties 33-35;
- de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mrs. Van de Burgwal en Balesar hebben daarbij het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad tot januari 2025. Tijdens hun affectieve relatie zijn de kinderen [dochter 1] (2021) en [dochter 2] (2023) geboren. De vrouw heeft daarnaast nog een minderjarige zoon uit een eerdere relatie, [zoon] .
2.2.
In juni 2021 is de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] aan partijen geleverd (hierna: de woning). Partijen zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning. De vrouw woont momenteel in de woning met de kinderen.
2.3.
Partijen zijn op 22 november 2021 een samenlevingsovereenkomst overeengekomen. In deze samenlevingsovereenkomst zijn partijen - voor zover van belang - het volgende overeengekomen:

Gemeenschappelijk bewoonde woning
Artikel 6
(…) 4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij.(…)
2.4.
Na de aankoop van de woning hebben er verbouwingen aan de woning plaatsgevonden, uitgevoerd door de vennootschappen van de man: Brudi B.V. en RDB Holding B.V. (hierna: respectievelijk Brudi en RDB, dan wel gezamenlijk: de BV’s). Op enig moment is er een pipowagen in de tuin geplaatst. Dit is een volledig zelfstandig functionerend gebouw met voorzieningen voor eigen keuken, eigen badkamer, slaapvertrek en werkgelegenheid. De pipowagen is bovendien aangesloten op het riool. Partijen verschillen van mening over wat er precies verbouwd is en moest worden, en hoeveel dit in totaal gekost heeft.
2.5.
Op 13 maart 2025 is de woning getaxeerd door Vonder Makelaardij op een bedrag van € 500.000,-.
2.6.
De restschuld van de hypothecaire geldlening bedroeg op 1 juli 2025 € 336.134,50.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De man vordert na eiswijziging dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de woning voor de getaxeerde som van € 500.000,- toedeelt aan de man onder de verplichting de vrouw ontslag te verlenen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening, en onder de verplichting om de schulden van de gemeenschap aan de BV’s te voldoen, en de vrouw haar aandeel in de overwaarde uit te keren;
II. de man drie maanden na het vonnis de gelegenheid biedt om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten dat hij de woning kan overnemen onder de onder I. genoemde voorwaarden;
III. bepaalt dat als de man de woning kan overnemen onder de gestelde voorwaarden, de levering van de woning aan de man binnen één maand na het bericht tot akkoord zoals onder II. genoemd dient plaats te vinden, en bepaalt dat het vonnis indien nodig in de plaats van de toestemming van de vrouw treedt;
IV. bepaalt dat indien de man niet binnen drie maanden heeft bericht dat hij de woning kan overnemen, dan wel indien de levering niet binnen één maand daarna heeft plaatsgevonden - buiten de schuld van de man -, de vrouw ook onder dezelfde voorwaarden de mogelijkheid krijgt om de woning over te nemen;
V. bepaalt dat de notariskosten voor rekening komen van de partij die de woning overneemt;
VI. bepaalt dat indien geen van partijen de woning over kan nemen, de woning binnen één maand na het laatste negatieve bericht te koop wordt aangeboden door Vonder Makelaardij, en bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de toestemming van de weigerachtige partij indien nodig;
VII. bepaalt dat partijen in onderling overleg met Vonder Makelaardij de vraagprijs en voorwaarden zullen vaststellen;
VIII. bepaalt dat indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan Vonder Makelaardij erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar van Vonder Makelaardij de woning te koop mag aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;
IX. bepaalt dat partijen gehouden zijn de aanwijzingen van de makelaar op te volgen;
X. bepaalt dat de partij die het gebruik heeft van de woning, de sleutel aan de makelaar ter beschikking dient te stellen voor het maken van foto’s en het kunnen houden van bezichtigingen;
XI. bepaalt dat de partij die het gebruik heeft van de woning, de woning op orde dient te houden en de aanwijzingen van de makelaar ter zake dient op te volgen;
XII. bepaalt dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, en bepaalt dat het vonnis indien nodig in de plaats treedt van de toestemming van de weigerachtige partij voor de verkoopovereenkomst en de leveringshandelingen;
XIII. bepaalt dat na verkoop van de woning, met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening en de gemeenschappelijke schulden aan de BV’s ter hoogte van € 108.900,- moeten worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten moeten worden betaald, en bepaalt dat het restant bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;
XIV. bepaalt dat de verkoopkosten (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) door partijen bij helfte worden gedragen;
XV. bepaalt dat de man bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning en de daarbij behorende inboedel, met het bevel dat de vrouw de woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
XVI. bepaalt dat de gemeenschappelijke bankrekening wordt opgeheven, waarbij het eventueel nog te verdelen saldo bij helfte tussen partijen verdeeld dient te worden;
XVII. bepaalt dat partijen de gezamenlijke inboedel in onderling overleg dienen te verdelen.
3.2.
De vrouw voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
De vrouw vordert na eiswijziging - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de woning voor € 500.000,- toedeelt aan de vrouw onder het voorbehoud de man ontslag te verlenen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening, en de man zijn aandeel in overwaarde uit te keren;
II. de vrouw zes maanden na het vonnis de gelegenheid biedt om de man schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten dat zij de woning kan overnemen onder de in punt I. genoemde voorwaarden;
III. bepaalt dat als de vrouw de woning kan overnemen onder de gestelde voorwaarden, de levering van de woning aan de vrouw binnen drie maanden na het bericht tot akkoord zoals onder punt II. genoemd dient plaats te vinden, en bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de toestemming van de man indien nodig;
IV. bepaalt dat indien de vrouw niet binnen zes maanden na het vonnis heeft bericht dat zij de woning kan overnemen dan wel de levering niet binnen drie maanden daarna heeft plaatsgevonden - buiten de schuld van de vrouw - de man eveneens onder dezelfde voorwaarden de mogelijkheid krijgt om de woning over te nemen;
V. bepaalt dat de notariskosten voor rekening komen van de partij die de woning overneemt;
VI. bepaalt dat indien geen van beide partijen de woning kan overnemen, de woning binnen één maand na het laatste negatieve bericht te koop zal worden aangeboden door De Vliegende Makelaar, en bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming van de weigerachtige partij indien nodig;
VII. bepaalt dat partijen in onderling overleg met De Vliegende Makelaar de vraagprijs en voorwaarden vaststellen;
VIII. bepaalt dat indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan De Vliegende Makelaar erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, De Vliegende Makelaar de woning te koop mag aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;
IX. bepaalt dat partijen gehouden zijn de aanwijzingen van de makelaar op te volgen;
X. bepaalt dat de partij die de woning in gebruik heeft, een sleutel aan de makelaar ter beschikking dient te stellen voor het maken van foto’s en het kunnen houden van bezichtigingen;
XI. bepaalt dat de partij die het gebruik heeft van de woning, de woning op orde dient te houden en aanwijzingen van de makelaar ter zake dient op te volgen;
XII. bepaalt dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, en bepaalt dat het vonnis indien nodig in de plaats treedt van de toestemming van de weigerachtige partij voor de verkoopovereenkomst en de leveringshandelingen;
XIII. bepaalt dat na verkoop van de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening en de aan de verkoop verbonden kosten moeten worden betaald, waarna het restant bij helfte tussen partijen wordt gedeeld;
XIV. bepaalt dat de verkoopkosten (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) door partijen gezamenlijk zullen worden gedragen, ieder voor de helft;
XV. bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning, met bevel dat de man de woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
XVI. bepaalt dat de gemeenschappelijke bankrekening van partijen wordt opgeheven, waarbij het eventueel nog te verdelen saldo bij helfte tussen partijen verdeeld dient te worden;
XVII. bepaalt dat de lijst met de verdeling van de inboedelgoederen (productie 6 van de vrouw) integraal onderdeel zal uitmaken van dit vonnis, waarbij geldt dat de goederen die op deze lijst staan met een kruisje bij de naam van een partij, deze aan die partij dienen toe te komen, en de goederen die met een kruisje bij beide partijen staan vermeld door partijen in onderling overleg dienen te worden verdeeld.
3.5.
De man voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.2.
Aan de orde is de afwikkeling van de eenvoudige gemeenschap die is ontstaan tijdens de affectieve relatie van partijen. Partijen hebben over en weer vorderingen ingesteld over de volgende onderdelen:
( i) (het gebruik van) de woning;
(ii) de verbouwingskosten;
(iii) de gezamenlijke bankrekening;
(iv) de inboedel.
De rechtbank zal deze onderdelen hierna bespreken.
(i) (het gebruik van) de woning
4.3.
De man en de vrouw hebben over een weer gevorderd dat zij als eerste de mogelijkheid krijgen om de woning over te nemen.
4.4.
De man stelt, kort gezegd, dat hij financieel in staat is de woning over te nemen en dat hij geen andere uitwijkmogelijkheden heeft. Sinds het moment dat de oudste dochter van partijen leerplichtig is, loopt de man vast in de naleving van de tijdelijke zorgregeling voor de kinderen. De man logeert sinds de zomer van 2025 voornamelijk bij zijn moeder in IJmuiden. De reistijd is ongeveer één uur naar [woonplaats] . Verder heeft de man geen netwerk in [woonplaats] en zit hij financieel vast. De man draagt nog altijd bij aan de woonlasten van de woning, dient een bijdrage te betalen aan zijn moeder voor het inwonen en heeft aanzienlijke reiskosten.
4.5.
De vrouw stelt, kort gezegd, dat zij ook financieel in staat is de woning over te nemen. Ze stelt verder dat ze al haar gehele leven in de gemeente Hollands Kroon woont. Bovendien verblijven de kinderen het merendeel van de tijd bij de vrouw, in de woning. Daarnaast heeft de vrouw nog een zoon uit een vorige relatie, [zoon] . Hij heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw in de woning en is gediagnosticeerd met autisme en Gilles de la Tourette. Hij is daardoor sterk afhankelijk van stabiliteit, structuur en een vertrouwde leefomgeving. Bovendien is [zoon] niet in staat om te fietsen, waardoor nabijheid van zowel school als zijn vader essentieel is. Verder is de vrouw mantelzorger voor haar moeder, die ook in [woonplaats] woont.
4.6.
Beide partijen stellen dat zij voor de toedeling van de woning aan hen een zwaarwegender belang hebben dan de ander, en ieder stelt dat hij of zij in staat is de ander uit te kopen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de belangen van de vrouw bij de woning het zwaarst wegen. Doorslaggevend in de belangenafweging is dat de vrouw momenteel in de woning woont met de kinderen van partijen en haar zoon [zoon] en dat toedeling van de woning aan de vrouw zal betekenen dat die situatie onveranderd blijft. En dat is in het belang van de kinderen.
4.7.
Dit betekent dat de rechtbank de vrouw als eerste de gelegenheid zal geven om de woning over te nemen tegen de getaxeerde waarde van € 500.000,-, onder de (opschortende) voorwaarden dat de notariële toedeling aan de vrouw plaatsvindt binnen vier maanden na de datum van dit vonnis en de vrouw de man laat ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening en dat zij, uiterlijk bij de notariële toedeling van de woning, aan de man voldoet de helft van de overwaarde van de woning (= € 500.000,- minus uitstaande hypotheekschuld). Daarnaast moet de vrouw, uiterlijk bij de notariële toedeling van de woning, aan de man voldoen dat wat zij in verband met de verbouwing nog aan de man verschuldigd is (zie hierna onder 4.19). Tenslotte dient zij de kosten van de notaris te voldoen.
4.8.
Indien de vrouw niet aan deze voorwaarden voldoet, krijgt de man de gelegenheid om de woning over te nemen. Hij heeft hiervoor ook vier maanden. Toedeling aan de man vindt dus plaats onder de opschortende voorwaarden dat de vrouw de woning niet heeft overgenomen en dat de notariële toedeling van de woning aan de man plaatsvindt binnen acht maanden na de datum van dit vonnis waarbij de man de vrouw zal laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en hij, uiterlijk bij de notariële toedeling van de woning, aan de vrouw voldoet de helft van de overwaarde van de woning (= € 500.000,- minus uitstaande hypotheekschuld). Daarnaast dient hij de kosten van de notaris te voldoen.
4.9.
Voor het geval geen van partijen heeft voldaan aan de gestelde voorwaarden, dient de woning verkocht te worden aan een derde. Daartoe wensen partijen een makelaar in te schakelen. Partijen moeten dan handelen als volgt:
  • de man zal drie makelaars voorstellen aan de vrouw, waarna de vrouw binnen één week na het bericht van de man uit die drie namen één makelaar dient te kiezen;
  • partijen geven vervolgens gezamenlijk de verkoopopdracht aan die makelaar;
  • indien de vrouw niet binnen één week na het bericht van de man een makelaar uitkiest, dient de man zelf één makelaar uit die drie makelaars te kiezen;
  • partijen zullen in onderling overleg en met de makelaar en binnen twee weken na opdrachtverlening de vraagprijs en voorwaarden vaststellen. Indien partijen niet in onderling overleg de vraagprijs en voorwaarden kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen;
  • partijen moeten de aanwijzingen van de makelaar opvolgen en de vrouw moet een sleutel ter beschikking stellen aan de makelaar voor het maken van foto’s en het kunnen houden van bezichtigingen en de vrouw dient de woning op orde te houden en aanwijzingen van de makelaar ter zake op te volgen;
  • bepaalt dat partijen zullen instemmen met de totstandkoming van een koopovereenkomst indien de makelaar dit adviseert;
  • partijen zullen na de totstandkoming van een koopovereenkomst meewerken aan de levering van de woning aan de koper(s);
  • uit de verkoopopbrengst zullen eerst de hypothecaire geldlening worden afgelost en verkoopkosten worden betaald. Het restant komt in beginsel voor gelijke delen aan partijen toe. De vrouw dient wel uit haar deel aan de man te voldoen een bedrag van € 54.450,- (zie hierna onder 4.19).
De rechtbank ziet vooralsnog geen grond om te beslissen dat dit vonnis in de plaats komt van de toestemming van een eventueel weigerachtige partij voor het aangaan van een koopovereenkomst en/of voor eventuele leveringshandelingen.
4.10.
Partijen hebben verder nog over en weer een vordering ingesteld tot het exclusieve gebruik van de woning. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning, gelet op de minderjarige kinderen van partijen die hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben en de andere zoon van de vrouw, die belang heeft bij stabilisatie van zijn woonsituatie. Indien de vrouw niet in staat blijkt de woning over te nemen en de woning aan de man of aan een derde verkocht dient te worden, dan behoudt de vrouw het exclusieve gebruik van de woning tot het moment van notariële toedeling aan de man of levering aan die derde.
(ii) verbouwingskosten
4.11.
De man heeft zich op het standpunt gesteld dat partijen de woning in samenspraak volledig hebben laten verbouwen en verduurzamen en een pipowagen in de tuin hebben laten plaatsen, waarbij partijen hebben afgesproken de verbouwing en alle kosten nagenoeg geheel via de BV’s van de man te laten verlopen. De man vordert daarom primair dat het totaalbedrag van € 108.900,- als gemeenschapsschuld dient te worden afbetaald met de overwaarde op de woning, voordat verdeling van de overwaarde aan partijen kan plaatsvinden. Subsidiair stelt de man dat hij op grond van artikel 6 lid 4 van Pro de samenlevingsovereenkomst een vordering heeft op de vrouw ter hoogte van de helft van dat wat hij meer dan de vrouw heeft betaald aan verbouwingskosten. Voorts doet de man een beroep op onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.
4.12.
De vrouw heeft de door de man ingebrachte facturen betwist en voert aan dat partijen geen overeenkomst van opdracht of andere rechtsgeldige afspraak hebben gemaakt waaruit een betalingsverplichting voor de vrouw zou volgen. De vrouw erkent dat er werkzaamheden aan de woning zijn verricht, maar stelt dat de man beslissingen maakte over de aard en de omvang ervan. Daar komt bij dat de pipowagen op initiatief van de man is geplaatst. Voor zover de man stelt dat sprake is van een vordering van zijn BV’s op partijen, betreft dit een zelfstandige civielrechtelijke kwestie die buiten het kader van deze procedure valt. Volgens de vrouw kunnen de facturen niet als gemeenschapsschulden worden aangemerkt.
Voor wat betreft het subsidiaire standpunt van de man, voert de vrouw aan dat de man zelf heeft bepaald welke werkzaamheden zijn uitgevoerd, via welke entiteit en op welk moment is gefactureerd. Het kan volgens de vrouw niet zo zijn dat een deelgenoot eenzijdig kosten structureert via zijn eigen BV’s en vervolgens bij de verdeling een vordering creëert zonder dat de andere deelgenoot daarmee heeft ingestemd. Verder betwist de vrouw het beroep van de man op onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.
4.13.
De rechtbank zal eerst bespreken of de vorderingen van de BV’s in verband met verbouwingskosten echte vorderingen zijn of dat zij door de man zijn geconstrueerd.
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat aan de vorderingen van de BV’s daadwerkelijk een opdracht van de man en, al dan niet stilzwijgend, de vrouw ten grondslag ligt. Vast staat dat de verbouwingswerkzaamheden aan de woning van partijen hebben plaatsgevonden door en op kosten van de BV’s. Hoewel de opdracht aan de BV’s niet schriftelijk is vastgelegd, gaat de rechtbank ervan uit dat de man die opdracht heeft gegeven met - al dan niet stilzwijgende - toestemming van de vrouw. De vrouw heeft dit onvoldoende (concreet) betwist. Tijdens de mondelinge behandeling is ook gebleken dat de vrouw wist dat de verbouwing werd gefinancierd vanuit de BV’s. Verder is tijdens de mondelinge behandeling met de vrouw besproken welke werkzaamheden concreet in de/aan de woning zijn verricht. De vrouw heeft de door de man benoemde werkzaamheden niet betwist. Voor die werkzaamheden mochten de BV’s daarom facturen aan de man en de vrouw sturen. Weliswaar betwist de vrouw de facturen, maar zij heeft niets concreets aangevoerd waaruit de rechtbank kan afleiden op welke punten die facturen al dan niet deels onjuist zijn. Verder heeft zij niets concreets ingebracht tegen de bevindingen van de boekhouder van de BV’s en van partijen, [naam] . [naam] heeft onderzocht of en in hoeverre de facturen van de BV’s zijn te koppelen aan de verbouwingen en hij concludeert dat dit inderdaad het geval is en dat er geen onregelmatigheden zijn. Van de vrouw mocht worden verwacht dat zij concreet zou aanvoeren welke werkzaamheden volgens haar niet zijn uitgevoerd. Omdat de vrouw dat niet heeft gedaan, gaat de rechtbank ervan uit dat de facturen van de BV’s daadwerkelijk door partijen betaald moesten worden. Dat de facturen pas opgesteld zijn nadat partijen uit elkaar zijn gegaan, laat onverlet dat de BV’s reële facturen in rekening hebben gebracht die - zo verklaart ook de boekhouder van de BV’s - in verhouding staan tot het uitgevoerde werk.
4.15.
Vervolgens is aan de orde of de vrouw voor de helft mee dient te betalen aan de verbouwingskosten/de facturen. Primair vordert de man dat de vrouw hoofdelijk aansprakelijk is voor de openstaande € 108.900,- als zijnde gemeenschapsschuld en dat dit bedrag meegenomen dient te worden in de verdeling tussen partijen. De rechtbank oordeelt dat dit primaire standpunt van de man niet opgaat. De man heeft de facturen namelijk via een rekening-courant bij RDB verwerkt. De facturen zijn afgeboekt en de rekening-courantschuld van de man bij RDB is met een bedrag van € 108.900,- toegenomen. Slechts de man is aansprakelijk voor die rekening-courantschuld. Niet de vrouw. Dit betekent dat de vrouw jegens de BV’s niet aansprakelijk is voor de betaling van de facturen of de rekening-courantschuld.
4.16.
Het subsidiaire standpunt van de man dat hij op basis van de samenlevingsovereenkomst een vergoedingsrecht heeft, slaagt wel. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Onbetwist heeft de man aangevoerd dat artikel 6 lid 4 van Pro de samenlevingsovereenkomst een vergoedingsrecht van de ene partner op de andere partner creëert voor het geval die ene partner meer dan zijn deel bijdraagt in de koopsom of kosten van de gezamenlijk door hen bewoonde woning dan het deel van de andere partner. Ingevolge dat artikel krijgt die partij dan een nominaal vergoedingsrecht. Vast staat dat de man via zijn rekening-courantverhouding met RDB meer dan zijn aandeel aan de verbouwingskosten heeft geïnvesteerd/betaald. De rekening-courantschuld is een uitsluitend op de naam van de man staande schuld en ten laste van de rekening-courant opgenomen bedragen moeten daarom, in verhouding tot de vrouw, in redelijkheid worden aangemerkt als aan de man toekomende eigen middelen. Een redelijke uitleg van artikel 6 lid Pro 4 samenlevingsovereenkomst brengt volgens de rechtbank mee dat ook de verbouwingskosten moeten worden vergoed. Te meer omdat de vrouw hiermee - al dan niet stilzwijgend - heeft ingestemd. Partijen verschillen alleen van mening hoe ingrijpend er verbouwd moest worden. De vrouw heeft echter, behoudens over de pipowagen, onvoldoende concreet gemaakt welk deel van de verbouwing dan ongewenst was.
4.17.
Ook de kosten voor de pipowagen kunnen worden gezien als investering in de woning. Dat de pipowagen tegen de wil van de vrouw op het perceel is geplaatst, blijkt nergens uit en is zonder verdere onderbouwing ongeloofwaardig. Dat de kosten voor verbouwing en plaatsing van de pipowagen wellicht niet geheel terug te zien zijn in de waarde(stijging) van de woning, maakt dat niet anders. Er is geen reden om betreffende de pipowagen af te wijken van het bepaalde in artikel 6 lid 4 van Pro de samenlevingsovereenkomst.
4.18.
Het standpunt van de vrouw dat het naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien zij de helft van de facturen/verbouwingskosten zou moeten betalen, gaat niet op. De vrouw had redelijkerwijs behoren te begrijpen dat er voor de verbouwing aanzienlijke kosten zouden worden gemaakt. Gelet op het bedrag dat de man uit eigen middelen (via zijn rekening-courant) heeft voldaan, € 108.900,-, moet de vrouw € 54.450,- aan hem vergoeden.
4.19.
De conclusie van het voorgaande is dat de vrouw de helft van de verbouwingskosten (€ 54.450,-) aan de man dient te betalen. Ofwel op het moment van toedeling van de woning aan haar, ofwel als verrekenpost bij toedeling van de woning aan de man, ofwel bij de afrekening tussen partijen bij de notaris na verkoop van de woning aan een derde.
(iii) gezamenlijke bankrekening
4.20.
Partijen zijn het erover eens dat het saldo op de gezamenlijke bankrekening bij helfte moet worden verdeeld en dat de rekening daarna moet worden opgeheven. Aangezien partijen het eens zijn, hebben zij geen belang meer bij hun vorderingen. De rechtbank wijst de vorderingen van de man en de vrouw dan ook af voor zover die zien op verdeling en opheffing van de gezamenlijke bankrekening.
(iv) inboedel
4.21.
De man heeft gevorderd dat partijen in gezamenlijk overleg de inboedel zullen verdelen. De vrouw heeft een tegenvordering gedaan en verwijst daarbij naar haar productie 6. De man heeft bij conclusie van antwoord in reconventie ingestemd met de vordering van de vrouw, maar heeft opgemerkt dat een groot deel van de inboedelgoederen al op een eerder moment aan de vrouw zijn overhandigd.
4.22.
De rechtbank wijst de vorderingen van partijen af. Partijen hebben ter onderbouwing van hun standpunten slechts, als producties, lijsten overgelegd met daarop aangetekend wat er volgens henzelf moet gebeuren. Partijen hebben de rechtbank niet duidelijk gemaakt in hoeverre hun voorstellen over en weer verband met elkaar houden en zij kan om die reden geen toewijzende beslissing nemen over de verdeling van inboedel. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen de verdeling van de inboedel in onderling overleg zullen regelen.
proceskosten
4.23.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning gelegen aan de [adres] ( [postcode] ) te [woonplaats] , en voor het geval de woning verkocht zal worden aan de man of een derde tot het moment dat eventuele notariële toedeling van de woning aan de man of levering van de woning aan een derde plaatsvindt, met het bevel dat de man de woning niet mag betreden,
5.2.
bepaalt dat de woning wordt verdeeld op de wijze als hiervoor onder 4.7, 4.8 en 4.9 weergegeven,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 en 5.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
AFS/JG