Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5737

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
12086117 \ CV EXPL 26-798
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:52 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing contractuele boete wegens niet-onderbouwde zorgplichtschending bij aanneemwerkzaamheden

Eisers vorderen drie keer betaling van een contractuele boete van gedaagde wegens vermeende schending van de zorgplicht bij aanneemwerkzaamheden. Zij stellen dat gedaagde ondeugdelijk werk heeft geleverd bij twee projecten en onrechtmatig direct aan een opdrachtgever heeft gefactureerd bij een derde project.

Gedaagde betwist de ondeugdelijkheid van het werk en stelt dat hij het afronden van een project mocht opschorten vanwege een nog openstaande betaling van eiser. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende concreet heeft gesteld dat het plaatsen en schilderen van twee ramen onderdeel was van de oorspronkelijke opdracht, waardoor geen sprake is van ondeugdelijk werk bij het project in Heemstede.

Voor het project in Amstelveen is onvoldoende onderbouwd dat de gebruikte glaslatten niet in overleg met de opdrachtgever zijn gekozen. De opschorting door gedaagde wordt als proportioneel beoordeeld. Het boetebeding ziet niet op het direct factureren aan opdrachtgevers, zodat ook die vordering faalt.

De vorderingen van eiser worden afgewezen en de tegenvordering van gedaagde tot betaling van een bedrag van € 946 wordt toegewezen. Beide partijen worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en kent de tegenvordering van gedaagde tot betaling toe.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12086117 \ CV EXPL 26-798
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser 1]

2. [eiser 2]
in hun hoedanigheid van vennoten van de vennootschap onder firma [bedrijf 1]
beiden te [plaats 1]
eisende partijen in conventie
verwerende partijen in reconventie
hierna samen te noemen: [eisers]
gemachtigde: mr. T. Hooyman
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam
[bedrijf 2]
te [plaats 2]
gedaagde partij in conventie
eisende partij in reconventie
hierna te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon
De zaak in het kort
[eisers] vordert drie keer betaling van een contractuele boete van [gedaagde]. Hij legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] bij aanneemwerkzaamheden zijn zorgplicht heeft geschonden door bij twee projecten ondeugdelijk werk af te leveren en door bij één project direct aan een opdrachtgever te factureren. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij ondeugdelijk werk heeft geleverd. Daarnaast stelt hij dat hij het afronden van één van de projecten mocht opschorten omdat hij nog een betaling van [eisers] zou ontvangen. Dit betoog slaagt. Daarnaast moet de overeenkomst tussen partijen niet zo worden uitgelegd dat [gedaagde] een boete verschuldigd is bij het direct factureren aan een opdrachtgever. De vorderingen van [eisers] worden afgewezen. Als tegenvordering vordert [gedaagde] betaling van het bedrag dat hij nog van [eisers] moet ontvangen. [eisers] doet een beroep op opschorting. Dit slaagt niet. De tegenvordering wordt toegewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- het mondeling antwoord, tevens eis in reconventie;
- het aanvullend mondeling antwoord met producties;
- het tussenvonnis van 8 april 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties;
- de mondelinge behandeling van 23 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Beide partijen hebben een onderneming op het gebied van schilder- en glaszetwerkzaamheden.
2.2.
Partijen hebben een overeenkomst gesloten. Daarin heeft [gedaagde] [eisers] belast om op eigen naam, maar voor rekening van [gedaagde], aanneemovereenkomsten te sluiten.
2.3.
Op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst (verder: de overeenkomst) werden de werkzaamheden feitelijk uitgevoerd door [gedaagde]. [gedaagde] was per project een vergoeding van 10 tot 20% van de aanneemsom aan [eisers] verschuldigd.
2.4.
[gedaagde] heeft in dit kader onder meer werkzaamheden verricht bij projecten in Heemstede, Amstelveen en Vijfhuizen.
2.5.
Artikel 1 lid Pro 1, aanhef en onder e van de overeenkomst luidt als volgt:
‘1. Aannemer geeft als lastgever (…) opdracht aan Lasthebber om de navolgende rechtshandelingen te verrichten: (…)e. betalingen doen en ontvangen die zien op de Aanneemovereenkomst;’
2.6.
Artikel 4 lid 2 van Pro de overeenkomst (hierna: het boetebeding) luidt als volgt:
‘De Aannemer heeft een zorgplicht met betrekking tot het uitvoeren van de Aanneemovereenkomst. Indien Aannemer deze zorgplicht schendt, zoals, maar niet beperkt tot, gedrag dat ziet op:
• slechte communicatie richting de Opdrachtgever;
• herhaaldelijk niet nakomen van afspraken met de Opdrachtgever;
• agressief gedrag richting de Opdrachtgever;
• ondeugdelijk werk afleveren;
en lasthebber hierdoor schade lijdt (…), verbeurt Aannemer aan Lasthebber een direct opeisbare boete van € 1.500 ineens. (…)’

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eisers] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.500,00, vermeerderd met handelsrente en kosten.
3.2.
[eisers] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] ondeugdelijk werk heeft afgeleverd bij de projecten in Heemstede en in Amstelveen. Daarnaast stelt hij dat [gedaagde], in strijd met de gemaakte afspraken, bij het project in Vijfhuizen rechtstreeks met de opdrachtgever heeft afgerekend. Hiermee heeft [gedaagde] zijn zorgplicht geschonden, zoals bedoeld in het boetebeding. Daarom is [gedaagde] drie keer de contractuele boete van € 1.500,- verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat hij de werkzaamheden voor de projecten in Heemstede en in Amstelveen ondeugdelijk heeft uitgevoerd. Daarnaast voert hij aan dat hij het afmaken van de werkzaamheden voor het project in Amstelveen mocht opschorten omdat [eisers] hem nog een bedrag verschuldigd was voor het project in Heemstede.
in reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert veroordeling van [eisers] tot betaling van € 946,00.
3.5.
[gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat [eisers] dit bedrag onterecht heeft ingehouden bij de uitbetaling voor het project in Heemstede.
3.6.
[eisers] voert verweer. Hij voert aan dat hij de betaling van dit bedrag mag opschorten omdat [gedaagde] de desbetreffende werkzaamheden nog niet heeft afgerond.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
De kantonrechter ziet aanleiding om het geschil per project te behandelen.
Geen schending van de zorgplicht door [gedaagde] bij het project in Heemstede
4.2.
Over het project in Heemstede stelt [eisers] dat [gedaagde] twee ramen niet heeft afgehangen en deze niet heeft geschilderd. Daarmee heeft hij ondeugdelijk werk afgeleverd en heeft hij zijn zorgplicht geschonden in de zin van het boetebeding. Daarom is hij de contractuele boete van € 1.500,- verschuldigd.
4.3.
[gedaagde] betwist dit. Hij voert aan dat de oorspronkelijke opdracht voor het project alleen bestond uit schilderwerkzaamheden rondom het pand, voor een totaalbedrag van € 4.763,65 (inclusief btw). Deze werkzaamheden heeft hij afgerond en opgeleverd. Dit blijkt ook uit de bijbehorende werkbon. Tijdens de uitvoering van de schilderwerkzaamheden heeft de opdrachtgever geconstateerd dat twee bestaande ramen niet naar wens waren. Hij was voornemens om [eisers] en [gedaagde] ook de opdracht te geven om deze ramen te vervangen en te schilderen. Dit zou echter een aanvullende opdracht zijn en dit was dus geen onderdeel van de oorspronkelijke opdracht.
4.4.
[eisers] heeft hier tegenin gebracht dat ook het plaatsen en schilderen van de twee ramen onderdeel was van de oorspronkelijke opdracht. Weliswaar stonden deze werkzaamheden niet vermeld op de werkbon, maar hij heeft telefonisch besproken dat deze werkzaamheden aan de oorspronkelijke opdracht zouden worden toegevoegd.
4.5.
Het betoog van [eisers] slaagt niet. Vast staat dat het plaatsen en het schilderen van de twee ramen niet onder de oorspronkelijke werkbon voor deze opdrachtgever viel. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eisers], gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat hij op een later tijdstip heeft afgesproken om het plaatsen en schilderen van de twee ramen alsnog toe te voegen aan de oorspronkelijke opdracht, zonder consequenties voor de oorspronkelijk overeengekomen prijs. Dit ligt ook niet zonder meer in de rede, nu het gaat om een aanzienlijke extra (kosten)post. Het ligt niet voor de hand dat deze werkzaamheden zonder meerprijs aan de oorspronkelijke opdracht zouden worden toegevoegd. De enkele stelling dat dit op enig moment telefonisch zou zijn besproken is onvoldoende concreet. Daarom zal voorbij worden gegaan aan het op de mondelinge behandeling gedane bewijsaanbod omtrent de inhoud van dat gestelde telefoongesprek. Het had op de weg van [eisers] gelegen om dit betoog nader te concretiseren, bijvoorbeeld door informatie te verstrekken over de afspraken met de opdrachtgever hieromtrent, dan wel door afschriften van deze afspraken te overleggen.
4.6.
Vast staat dat de oorspronkelijk overeengekomen schilderwerkzaamheden door [gedaagde] conform de werkbon zijn afgerond en opgeleverd. Daarmee staat vast dat [gedaagde] geen ondeugdelijk werk heeft afgeleverd en dat hij niet zijn zorgplicht heeft geschonden, zoals bedoeld in het boetebeding. Dit betekent dat hij voor de werkzaamheden voor het project in Heemstede geen boete aan [eisers] verschuldigd is. Dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.
Geen schending van de zorgplicht door [gedaagde] bij het project in Amstelveen
4.7.
Het project in Amstelveen betrof het aftimmeren van ramen en het plaatsen van glaslatten. [eisers] stelt dat er een ruimte van 12 mm zit tussen het glas en de glaslatten. Dit zou 3 tot 4 mm moeten zijn. Dit is een technisch gebrek, dat door [gedaagde] is veroorzaakt omdat hij te smalle glaslatten heeft gebruikt. Daarnaast ontbreken er acht glaslatten en staan er nog verstekken open. Daarmee heeft [gedaagde] ondeugdelijk werk afgeleverd en heeft hij zijn zorgplicht geschonden, zoals bedoeld in het boetebeding, aldus [eisers].
4.8.
[gedaagde] betwist dit. Hij voert aan dat de opdrachtgever vanwege de kosten akkoord is gegaan met het plaatsen van de dunnere glaslatten. Er is in volledig overleg met de opdrachtgever gebruik gemaakt van het breedste type glaslatten dat in de groothandel beschikbaar is. Bredere glaslatten zouden bij een houtzagerij op maat gemaakt moeten worden en dit zou met aanzienlijk hogere kosten gepaard zijn gegaan. Hij heeft dit uitvoerig met de opdrachtgever besproken, die akkoord is gegaan. Vervolgens heeft hij dit per WhatsApp aan [eisers] medegedeeld. Voor de ontbrekende glaslatten en de openstaande verstekken doet hij een beroep op opschorting. Hij stelt dat [eisers] onterecht een bedrag van € 946,- op de uitbetaling van de factuur van het project in Heemstede heeft ingehouden. In afwachting daarvan heeft hij de werkzaamheden voor het project in Amstelveen niet afgemaakt. Hij was echter in beginsel bereid om deze werkzaamheden af te maken.
4.9.
Het verweer slaagt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eisers], gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat op de met de opdrachtgever overeengekomen werkzaamheden een norm van toepassing is dat slechts een ruimte van 3 tot 4 mm tussen het glas en de glaslatten mocht zitten, althans dat daarbij gebruik zou worden gemaakt van bredere, op maat gemaakte, glaslatten. [eisers] heeft de werkbon van dit project niet ingebracht. Bovendien heeft hij de door [gedaagde] gestelde afspraken met de opdrachtgever onvoldoende concreet weersproken. Voor zover hij zich op het standpunt stelt dat de betreffende opdrachtgever de door [gedaagde] gestelde afspraak ontkent, had het op zijn weg gelegen een verklaring van de opdrachtgever daarover in te brengen. Dit betekent dat de omstandigheid dat sprake is van een brede ruimte tussen het glas en de glaslatten niet zonder meer leidt tot het oordeel dat [gedaagde] ondeugdelijk werk heeft afgeleverd en evenmin dat hij daarmee zijn contractuele zorgplicht heeft geschonden.
4.10.
Uit hetgeen hierna zal worden overwogen over de tegenvordering vloeit voort dat [gedaagde] een opeisbare tegenvordering heeft op [eisers], namelijk een vordering tot betaling van € 946,- voor het project in Heemstede. Deze vordering heeft voldoende samenhang met de verplichting van [gedaagde] om de werkzaamheden van het project in Amstelveen af te ronden. Beide verplichtingen vloeien immers voort uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan. [1] [gedaagde] was in deze situatie gerechtigd om de afronding van de werkzaamheden in Amstelveen op te schorten in afwachting van betaling door [eisers] en dit was naar het oordeel van de kantonrechter in dezen ook proportioneel. Omdat de werkzaamheden nog niet afgerond zijn, heeft [gedaagde] (nog) geen ondeugdelijk werk afgeleverd. Daarmee heeft [gedaagde] de zorgplicht ook in dit opzicht niet geschonden, zodat hij hiervoor evenmin een boete aan [eisers] verschuldigd is. Dit gedeelte van de vordering zal daarom eveneens worden afgewezen.
Het project in Vijfhuizen. Het boetebeding kan niet zo worden uitgelegd dat dit het direct factureren aan de opdrachtgever door [gedaagde] beboet
4.11.
Ten slotte stelt [eisers] dat [gedaagde], in strijd met de gemaakte afspraken, bij het project in Vijfhuizen rechtstreeks een voorschot aan de opdrachtgever in rekening heeft gebracht en dit heeft geïnd. Hij stelt dat dit in strijd is met de zorgplicht van [gedaagde] om de overeenkomst correct uit te voeren, zoals bedoeld in het boetebeding. [gedaagde] heeft toegelicht dat hij zich door omstandigheden gedwongen voelde om bij uitzondering met deze opdrachtgever rechtstreeks een betalingsafspraak te maken en betwist de verschuldigdheid van een boete daarvoor.
4.12.
Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit het boetebeding niet dat [gedaagde] een contractuele boete verschuldigd is als sprake is van directe facturering aan een opdrachtgever. Het boetebeding ziet blijkens de formulering daarvan, zoals opgenomen onder 2.6, immers slechts op situaties waarin [gedaagde] zijn zorgplicht voor de uitvoering van de aanneemovereenkomst jegens de opdrachtgever heeft geschonden en [eisers] daardoor schade lijdt en biedt daarvan een aantal voorbeelden. De genoemde voorbeelden hebben alle betrekking op zorg dan wel gedrag van [gedaagde] tegenover de opdrachtgever en op het voor deze opdrachtgever te verrichten werk. Uit niets blijkt dat het boetebeding ook betrekking heeft op andere in de overeenkomst opgenomen verplichtingen tussen partijen onderling, zoals de verplichtingen met betrekking tot de facturatie. Uit de formulering van dit boetebeding en de plaats van dit beding in de overeenkomst heeft [gedaagde] dan ook niet hoeven te begrijpen dat hij bij het direct factureren aan een opdrachtgever geconfronteerd kon worden met de verschuldigdheid van een boete. Daarom wordt de door [eisers] ten aanzien van het handelen van [gedaagde] bij dit project gevorderde boete afgewezen, nog daargelaten dat [eisers] niet heeft gesteld dat hij door het handelen van [gedaagde] enige schade heeft geleden.
4.13.
Voor zover [eisers] desondanks heeft aangevoerd dat hij met het boetebeding, gelezen in verbinding met artikel 1 sub e van Pro de overeenkomst, waarin samengevat is afgesproken dat [gedaagde] [eisers] belast met het doen en ontvangen van betalingen, bedoelde om ook het direct factureren aan opdrachtgevers door [gedaagde] onder de reikwijdte van het boetebeding te laten vallen, geldt dat [gedaagde] het beding in ieder geval niet op deze wijze heeft opgevat en dat hij deze betekenis, gelet op het voorgaande, redelijkerwijs ook niet aan het beding hoefde toe te kennen. [2] Dit gedeelte van de vordering zal dan ook worden afgewezen. Al met al betekent dit dat de gehele vordering van [eisers] niet toewijsbaar is.
Proceskosten
4.14.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 50,00 aan verletkosten. Deze veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in reconventie
4.15.
[gedaagde] heeft een tegenvordering ingesteld. Hij stelt dat [eisers] op de betaling voor de werkzaamheden voor het project in Heemstede ten onrechte een bedrag van € 946,- heeft ingehouden en dit bedrag ten onrechte niet heeft uitbetaald.
4.16.
Deze vordering slaagt. [eisers] heeft erkend dat hij dit bedrag heeft ingehouden op de betaling aan [gedaagde]. Weliswaar heeft hij zich op het standpunt gesteld dat hij de betaling hiervan mocht opschorten totdat [gedaagde] de werkzaamheden had afgerond door de later besproken twee ramen af te hangen en te schilderen, maar, zoals hiervoor overwogen, heeft [gedaagde] gemotiveerd betwist dat deze werkzaamheden onderdeel waren van de oorspronkelijke opdracht. Daarmee staat vast dat [eisers] geen opeisbare tegenvordering heeft op [gedaagde], op grond waarvan hij de betaling van het bedrag aan [gedaagde] mocht opschorten. De tegenvordering zal daarom worden toegewezen.
4.17.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 50,00 aan verletkosten. Deze veroordeling wordt eveneens hoofdelijk uitgesproken.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
5.3.
veroordeelt [eisers] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 946,00,
5.4.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en in reconventie
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 6:52 lid 2 BW Pro.
2.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.