ECLI:NL:RBNHO:2026:5916

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
C/15/377386
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Noord-Holland heeft op 12 mei 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft sinds december 2025 in een gezinshuis waar hij zich positief ontwikkelt, ondanks een ontwikkelingsachterstand en sociaal-emotionele problemen.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam verzocht om verlenging van beide maatregelen voor een jaar, met het oog op de complexe problematiek binnen het gezin en de noodzaak van verdere hulpverlening en traumabehandeling. De moeder stemde in met het verzoek, terwijl de vader het oneens was en pleitte voor beëindiging van de ondertoezichtstelling en terugkeer van de minderjarige naar zijn woning.

De kinderrechter oordeelde dat de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige niet voldoende kan worden weggenomen zonder toezicht en dat de veiligheid en het belang van de minderjarige voorop staan. De omgang met de ouders wordt begeleid voortgezet, maar een terugplaatsing naar de ouders is op dit moment niet verantwoord. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 21 mei 2027 vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling en veiligheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377386 / JU RK 26-649
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdamte Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A.C. Mens, kantoorhoudende te Hoofddorp,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. M.J. Meijer, kantoorhoudende te Haarlem.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026;
  • de brieven met producties van mr. Meijer, ontvangen op 4 en 6 mei 2026;
  • de schriftelijke reactie van de vader, ontvangen op 4 mei 2026;
  • de brief en het visie stuk Jeugdbescherming van de GI, ontvangen op 7 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
1.3.
Gelijktijdig met onderhavig verzoek is behandeld het aangehouden verzoek tot vaststelling van een zorgregeling, in de zaak met zaaknummer C/15/343410 / FA RK 23-4136. In die zaak was als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft zijn mening in een briefje aan de kinderrechter kenbaar gemaakt. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft geschreven.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 25 juni 2024 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is daarna verlengd en loopt nog tot 21 mei 2026.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 23 december 2025 is [de minderjarige] met spoed uit huis geplaatst. Hierna is bij beschikking van 9 januari 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 21 mei 2026.
2.4.
[de minderjarige] verblijft sinds 23 december 2025 in een gezinshuis.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek schrijft de GI het volgende.
Sinds [de minderjarige] in het gezinshuis verblijft, gaat het goed met hem, maar wordt ook steeds meer zichtbaar dat er sprake is van een ontwikkelingsachterstand. Dit uit zich op sociaal-emotioneel gebied en in de ontwikkeling van basale vaardigheden zoals zelfzorg/ hygiëne en gezonde voeding.
De moeder is belast met haar eigen (GGZ-)problematiek en is overbelast. Zij is daardoor op dit moment onvoldoende in staat om aan te sluiten op de behoeften van [de minderjarige] . In overleg en met instemming van de moeder is daarom de begeleide omgang verkort naar één uur per week. De begeleide omgangsmomenten met de vader zijn uitgebreid naar drie uur per week, bij de vader thuis. De vader werkt mee en staat open voor hulpverlening vanuit de ouderbegeleiding en traumabehandelaar. Het komend jaar zal de GI kijken welke hulpverlening [de minderjarige] nodig heeft en met de ouders en de hulpverlening toewerken naar een perspectiefbepaling voor [de minderjarige] . De GI maakt zich er zorgen over dat de vader onvoldoende probleem- en pedagogisch inzicht heeft, onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor zijn aandeel in de situatie en onvoldoende leerbaar is.
Gelet op de vele zorgen die de GI nog bij de beide ouders ziet, in combinatie met de problematiek van [de minderjarige] , is een thuisplaatsing nog niet mogelijk.
3.3.
In reactie op de producties van de vader en met name het visieverslag van de regiebehandelaar, [regiebehandelaar] van Family Supporters, heeft de GI benoemd dat er een verschil van visie is met Family Supporters. De GI stelt dat er mogelijk sprake kan zijn van intieme terreur. De regiebehandelaar stelt dat er sprake is van een tweezijdige strijd binnen een complexe echtscheiding. De betrokkenheid van de regiebehandelaar is volgens de GI eenzijdig omdat de regiebehandelaar vrijwel uitsluitend contact heeft met de vader. Hierdoor ontbreekt naar de mening van de GI een integraal beeld van het gezinssysteem, waardoor geen sprake kan zijn van een volledige en objectieve veiligheidsinschatting door de regiebehandelaar. De GI verzoekt de rechtbank om het visieverslag van de regiebehandelaar met terughoudendheid te beschouwen.
3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI hieraan toegevoegd dat [de minderjarige] mogelijk traumabehandeling nodig heeft en dat gewerkt wordt aan een aanmelding hiervoor. Desgevraagd heeft de GI verklaard dat gekeken wordt naar het perspectief bij de beide ouders. Voor een thuisplaatsing bij één van de ouders is het nu nog te vroeg.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het eens met het verzoek van de GI. Zij vindt het belangrijk dat het goed gaat met [de minderjarige] en dat hij aan zijn behandeling kan beginnen.
Namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder vertrouwen heeft in de GI en dat zij begrijpt dat er veel tijd nodig is. De moeder stemt volledig in met de uithuisplaatsing en alle behandelingen die zijzelf en [de minderjarige] nodig hebben.
4.2.
De vader heeft voorafgaand aan de zitting schriftelijk gereageerd op het verzoek van de GI. Hij herkent zich niet in wat de GI schrijft, is van mening dat het een eenzijdige weergave van de situatie is en dat belangrijke context ontbreekt. Daarnaast is door de advocaat van de vader een brief met producties ingediend, waar ‘Het verslag van Family Supporters van [regiebehandelaar] van 24 april 2026’, onderdeel van uitmaakt. Family Supporters schrijft dat gedurende het traject van de begeleide omgangsmomenten de vader overwegend zichtbaar is geweest als een betrokken, affectieve en pedagogisch beschikbare ouder. Onder stress kan de vader, mede vanuit zijn autismespectrumproblematiek, sterk ontregelen in zijn communicatie richting instanties. Dit hangt volgens Family Supporters onder meer samen met verlies van regie en niet primair met structureel onveilig opvoedgedrag richting [de minderjarige] . Binnen duidelijke, begrensde en voorspelbare kaders functioneert de vader aantoonbaar stabieler, aldus Family Supporters. Ten aanzien van de moeder ziet Family Supporters een complex en ontwikkelbaar beeld. Ook wordt bij de moeder reflectievermogen en bereidheid tot behandeling gezien.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader zich op het standpunt gesteld dat een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing niet (langer) nodig zijn. De onderzoeken en analyses die nodig zijn, kan de vader zelf organiseren, zonder ondertoezichtstelling. Het is de wens van de vader dat [de minderjarige] bij hem komt wonen, eventueel met een machtiging tot uithuisplaatsing en met ondersteuning van vaders netwerk. De begeleide omgang tussen de moeder en [de minderjarige] kan dan doorgaan, eventueel bij de moeder thuis. De moeder kan dan haar hulpverleningstraject voortzetten, aldus de vader. [de minderjarige] zou vanaf eind juni, als de vader zijn woning heeft ingericht, volledig bij hem kunnen komen wonen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat er sprake is van een ontwikkelingsachterstand en (onverwerkte) traumatische gebeurtenissen uit het verleden. [de minderjarige] is in zijn thuissituatie langdurig blootgesteld geweest aan structurele spanningen, geweld en onveiligheid. Dit uit zich op sociaal-emotioneel gebied en in de ontwikkeling van basale vaardigheden. Zo vertoont [de minderjarige] signalen die wijzen op eerdere ervaringen van onveiligheid, door zijn ouders te schoppen of te schreeuwen in het oor van kinderen op school. Ook laat hij een alertheid en sterk beschermingsgevoel tegenover anderen zien. De complexe persoonlijke problematiek van [de minderjarige] speelt al lange tijd en dat vergt specifieke opvoedvaardigheden.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders hebben ieder een eigen kijk op de gebeurtenissen uit het verleden en op hun rol daarin. Zo stelt de moeder zich op het standpunt dat de mishandeling van [de minderjarige] en haarzelf door de vader, ertoe heeft geleid dat [de minderjarige] en de moeder getraumatiseerd zijn geraakt. De vader stelt zich op het standpunt dat het trauma bij [de minderjarige] met name is veroorzaakt door (gedrag van) de moeder. De GI ziet op haar beurt tekenen van intieme terreur en stelt dat de vader de gebeurtenissen en zijn rol daarin lijkt te ontkennen of te minimaliseren. Het is positief dat de beide ouders open staan voor hulpverlening en hier ook aan meewerken. De kinderrechter heeft echter onvoldoende vertrouwen dat de vader ook op de momenten dat hij tegengesproken wordt of aangesproken op zijn gedrag, bereid zal blijven om aan de hulpverlening mee te werken. Daarnaast zal ook voor [de minderjarige] nog een vorm van behandeling opgestart moeten worden. Gelet op de uiteenlopende standpunten van de ouders is het van belang dat de GI hier een rol in speelt en de regie houdt.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.6.
Sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in december 2025 verblijft hij in gezinshuis ‘ [gezinshuis] ’. [de minderjarige] heeft zich op deze plek positief ontwikkeld. Hij heeft baat bij de structuur, rust en regelmaat die hem geboden worden. De (begeleide) omgang met de moeder is recent nog beperkt naar één uur per week omdat moeder zwaar overbelast is en nood heeft aan behandeling. [de minderjarige] kan daarom op dit moment nog niet bij zijn moeder wonen. Met de vader heeft [de minderjarige] al een langere tijd begeleide omgang van drie uur per week. Sinds kort vindt die omgang plaats bij vader thuis. Of, en zo ja, welke uitbreiding van de omgang in het belang van [de minderjarige] is, zal door de GI in samenspraak met de ouders en behandelaren besproken moeten worden. Bij deze stand van zaken is het ook niet aan de orde dat [de minderjarige] eind juni volledig bij de vader kan gaan wonen, zoals hij heeft verzocht. De veiligheid en het belang van [de minderjarige] staan voorop. Het is voor [de minderjarige] op dit moment daarom het beste om nog in het gezinshuis te blijven. De GI zal het komend jaar onderzoeken op welke plek [de minderjarige] het beste kan opgroeien en waar zijn perspectief ligt. De kinderrechter begrijpt dat de vader de wens heeft om [de minderjarige] bij hem te laten opgroeien. De omgang tussen [de minderjarige] en de vader is echter al jarenlang zeer beperkt. Een thuisplaatsing, dan wel een uithuisplaatsing bij de vader, is gelet op het voorgaande op dit moment geen reële optie. Onderzoek zal moeten uitwijzen wat de beste plek is voor [de minderjarige] om op te groeien. Een eventuele terugplaatsing bij de vader of de moeder zal zorgvuldig en opbouwend moeten gebeuren. Waarbij het tempo en belang van [de minderjarige] voorop staan.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 21 mei 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 21 mei 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. ten Bos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026, in aanwezigheid van mr. N. van Lede-Terhaar sive Droste als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld en getekend op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.