Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen de vergunning voor het kappen van vier bomen in de tuin van het Westfries Museum te Hoorn. De vergunning werd verleend door het college van burgemeester en wethouders van Hoorn in verband met de verbouwing van het museum voor een wisselexpositieruimte.
Eiseres voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder het belang van de bomen voor het ecosysteem en biodiversiteit, het uitzicht vanuit haar woning en de koppeling van de kapvergunning aan de realisatie van de expositieruimte. De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft geoordeeld dat de bomen geen natuur- en milieuwaarden hebben volgens de Verordening Fysieke Leefomgeving Hoorn en dat de gevolgen voor biodiversiteit door vergunningvoorschriften, zoals herplantplicht en bescherming van nesten, minimaal zijn.
Ook het uitzicht van eiseres wordt niet als een belang erkend dat weigering van de vergunning rechtvaardigt. Daarnaast is in de vergunning vastgelegd dat de kap pas mag plaatsvinden nadat de realisatie van de wisselexpositieruimte is bevestigd, waardoor de gevreesde misbruik van de vergunning wordt voorkomen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft de vergunning en wijst het griffierecht en proceskostenvergoeding af.