ECLI:NL:RBNHO:2026:5964

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
HAA 25/4252
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 2 aanhef en onder a ParticipatiewetArt. 22a lid 4 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen toepassing kostendelersnorm onder Participatiewet in balans

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem om haar bijstandsuitkering te verlagen wegens toepassing van de kostendelersnorm, omdat haar inwonende zoon de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin dezelfde argumenten van eiseres reeds zijn behandeld en verworpen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.

Met de inwerkingtreding van de Participatiewet in balans per 1 januari 2026 zijn nieuwe bepalingen geïntroduceerd die het mogelijk maken om samen te wonen zonder dat dit leidt tot een gezamenlijke huishouding, mits het samenwonen het gevolg is van een zorgbehoefte. Deze uitzondering geldt niet voor situaties waarin al langer wordt samengewoond en gaandeweg een zorgbehoefte is ontstaan.

De rechtbank oordeelt dat eiseres en haar zoon, gelet op de feiten en omstandigheden, onder de kostendelersnorm blijven vallen. Het beroep op maatwerk wordt niet gevolgd, mede omdat de Participatiewet in balans juist de menselijke maat centraal stelt. Ook het argument dat eiseres haar zoon niet kan aanspreken op kosten wordt niet geaccepteerd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het bestreden besluit en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de toepassing van de kostendelersnorm wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4252

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college
(gemachtigde: mr. S. Dijkman Dulkes-Wan).

Totstandkoming van het bestreden besluit

1. Bij besluit van 3 maart 2025 is de bijstandsuitkering van eiseres per 1 februari 2025 verlaagd wegens toepassing van de kostendelersnorm, omdat de inwonende zoon van eiseres de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt.
1.2.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 is het college bij dat besluit gebleven.
1.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Centrale Raad van Beroep
2. Het beroep van eiseres slaagt niet. Alle argumenten die eiseres thans aanvoert in onderhavige procedure zijn eerder aan de orde gekomen in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 28 juni 2022. [1] De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen dan eerder is gedaan door de Raad.
Participatiewet in balans
2.1.
De rechtbank wijst nog op het volgende. Ingevolge de Participatiewet in balans [2] zijn op 1 januari 2026 in werking getreden de nieuwe bepalingen van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a van de Participatiewet (Pw) en artikel 22a, vierde lid, van de Pw. [3]
2.2.
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw luidt als volgt:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de eerste graad of indien er sprake is van een zorgbehoefte van of verleend door een bijstandsgerechtigde die de aanleiding vormt om samen te wonen, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap, gedurende de periode dat die zorg wordt verleend;
2.3.
Artikel 22a, vierde lid, van de Pw luidt als volgt:
Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die voor het leveren van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte tijdelijk gebruikmaakt van een hoofdverblijf elders.
2.4.
Het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw maakt het thans mogelijk om samen te wonen, zonder aangemerkt te worden als gezamenlijke huishouding in de zin van de Participatiewet. De uitzondering geldt uitsluitend wanneer de zorgbehoefte aanleiding is voor het samenwonen. De uitzondering geldt dus niet wanneer al langer wordt samengewoond, er zorg gedragen wordt voor elkaar en er gaandeweg in de tijd een zorgbehoefte is ontstaan. De zorgbehoefte is dan immers niet de aanleiding voor het samenwonen.
2.5.
Uit het bepaalde in artikel 22a, vierde lid, van de PW volgt verder dat de kostendelersnorm niet van toepassing is bij het tijdelijk delen van een woning in verband met mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte. De wetgever heeft met deze wijziging rekening gehouden met mantelzorg bij de toepassing van de kostendelersnorm, maar ervoor gekozen dit te beperken tot tijdelijke situaties.
2.6.
Dus ook onder de nieuwe wetgeving vallen eiseres en haar zoon, gelet op de thans naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, onder de kostendelersnorm. Het beroep van eiseres op maatwerk wordt dan ook niet gevolgd door de rechtbank. Uitgangspunt van de Participatiewet in balans is immers dat niet de regels, maar de mens centraal komt te staan: de menselijke maat, vertrouwen en vereenvoudiging zijn namelijk de uitgangspunten van het wetsvoorstel Participatiewet in balans. In die zin wordt al tegemoetgekomen aan de wens tot maatwerk.
2.7.
De rechtbank kan ook niet goed volgen waarom eiseres haar zoon niet kan aanspreken voor de kosten die zij moet maken. Haar zoon heeft immers een Wajong-uitkering. Dat eiseres om voor haar moverende reden dat niet wil doen maakt niet dat daarom geen sprake zou zijn van maatwerk.

Conclusie en gevolgen

3. Kortom, gelet, op zowel de uitspraak van de Raad, de achtergrond van de invoering van de Participatiewet in balans en de nieuwe wetsbepalingen ziet de rechtbank geen reden de beroepsgronden van eiseres te honoreren en te oordelen dat onvoldoende sprake zou zijn van maatwerk. Het beroep is daarom, zoals gezegd, ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van mr. N.I. Heijne Makkreel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De uitspraak van de Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1474.
2.Wet van 1 oktober 2025 tot wijziging van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen in verband met het op onderdelen in balans brengen van deze wetten tussen bestaanszekerheid, re-integratie en handhaving.
3.Stb. 2025, 312.