Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5981

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
HAA 26/1858
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.11 BalArt. 2.2, eerste lid, onder c, onder 5, BalArt. 8:81 AwbArt. 8:83, derde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens gebrek aan spoedeisend belang bij lichthinder

Verzoeker woont naast bedrijfslocaties waar bedrijfslampen lichthinder veroorzaken. Hij verzocht het college handhavend op te treden, wat gedeeltelijk werd toegewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker stelde dat de lichthinder zijn slaapritme verstoort en onomkeerbare gezondheidsschade dreigt, maar onderbouwde dit niet met medische stukken. Ook is niet gebleken dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.

De voorzieningenrechter benadrukt dat verzoeker zelf tijdelijke maatregelen kan nemen, zoals slaapmaskers of verduisterende gordijnen, om de hinder te verminderen. De hoorzitting is gepland binnen een redelijke termijn. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen omdat het instrument alleen bedoeld is voor situaties met onverwijlde spoed.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1858

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum, Omgevingsdienst Noord-Holland Noord
(gemachtigde: mr. H. Geerdink).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] . en [derde-partij 2] uit [plaats] .

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 12 maart 2026. Hierbij is het handhavingsverzoek van eiser gedeeltelijk afgewezen. Hier is verzoeker het niet mee eens. Hij heeft bij het college bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Feiten en omstandigheden

3. Verzoeker woont aan de [adres 1] in [plaats] . Naast zijn woning is aan de [adres 2] het autobedrijf van derde-partij gevestigd. Aan de overzijde van de weg aan de [adres 3] is de tweede locatie en B.V. van derde-partij gevestigd.
3.1.
Bij brief van 18 november 2025 heeft verzoeker het college verzocht om handhavend op te treden vanwege lichthinder in zijn woning. De lichthinder wordt veroorzaakt door de bedrijfslampen bij de beide bedrijfslocaties van derde-partij.
3.2.
Bij besluit van 12 maart 2026 heeft het college het handhavingsverzoek gedeeltelijk toegewezen. Uit de resultaten van de lichtmeting op 20 november 2025 blijkt dat op één meetpunt in de woning van verzoeker een overschrijding plaatsvindt van de verticale verlichtingssterkte afkomstig van [adres 2] . Dit is een overtreding van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) met artikel 2.2, eerste lid, onder c, onder 5, van het Bal. Bij de meetpunten in de woning van verzoeker aan de zijde van [adres 3] is bij de lichtmeting geen overtreding geconstateerd.
3.3.
Bij afzonderlijk besluit van 12 maart 2026 heeft het college aan derde-partij [derde-partij 1] . een last onder dwangsom opgelegd, voor zowel overtredingen op [adres 2] als [adres 3] . Bij de lichtmeting op 20 november 2025 is immers geconstateerd dat een lichtbron van [adres 2] op één meetpunt in de woning van verzoeker een te hoge verticale verlichtingssterkte heeft. Op [adres 3] is geconstateerd dat lichtinstallaties aanwezig zijn die significante lichtvervuiling veroorzaken op het daarachter gelegen agrarische gebied. Dit is in strijd met de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal en artikel 2.2, eerste lid, onder c, onder 5, van het Bal.
3.4.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 maart 2026 waarbij zijn handhavingsverzoek gedeeltelijk is afgewezen. Daarbij heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen door het bestreden besluit te schorsen.
3.5.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij heeft schriftelijk gereageerd.
3.6.
Verzoeker heeft aanvullende reacties en stukken ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
4.1.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker bij brief van 23 maart 2026 verzocht om te onderbouwen:
  • welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereisen;
  • waarom de behandeling van het gemaakte bezwaar niet kan worden afgewacht; en
  • van welke onomkeerbare gevolgen sprake is.
4.2.
Verzoeker heeft op 25 maart 2026 op de vragen van de voorzieningenrechter gereageerd. Hij stelt dat het spoedeisend belang erin gelegen is dat hij door de lichthinder onomkeerbare gezondheidsschade leidt. Al vijf maanden verstoort de lichthinder chronisch zijn nacht- en slaapritme. Ook dreigt volgens verzoeker het onomkeerbare gevolg dat het college een E3-zonering van zijn woning als voldongen feit aanneemt, terwijl hij die zonering juist bestrijdt. Daarnaast dreigt ook de oplossing van derde-partij waarbij voor de lampen dim-folie is geplaatst definitief te worden.
Volgens verzoeker kan de bezwaarprocedure niet worden afgewacht. De lichthinder duurt ongewijzigd voort terwijl de hoorzitting nog niet is gepland en de begunstigingstermijn op 26 maart 2026 afgelopen is. Dat derde-partij de hinder enerzijds erkent en anderzijds weer ontkent, en weigert (aanvullende) maatregelen te nemen, werkt ook niet bevorderend voor de procedure.
4.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat bij zijn verzoek een spoedeisend belang is gediend. Hij heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de huidige situatie vanwege medische redenen met spoed onhoudbaar is. Hij heeft zijn stelling niet met medische stukken onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter daar niet vanuit kan gaan. Daarbij is voor de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Gedurende de procedure mag van verzoeker redelijkerwijs worden gevergd dat hij zijn nachtrust en slaapritme faciliteert en ondersteunt met eigen maatregelen. Denk hierbij aan een slaapmasker of verduisterende gordijnen. Indien verzoeker eenvoudigweg zelf maatregelen kan nemen om in ieder geval tijdelijk de gestelde lichthinder tijdens zijn nachtrust te verminderen, is er geen aanleiding om onverwijlde spoed aan te nemen. Het instrument van de voorlopige voorziening is immers als ultimum remedium alleen bedoeld voor zulke spoedeisende omstandigheden dat de inzet van de voorzieningenrechter noodzakelijk en gerechtigd is. Bovendien heeft het college de voorzieningenrechter bij e-mail van 2 april 2026 bericht dat de hoorzitting op 28 april 2026 zal plaatsvinden. Dit tijdspad na het bezwaar van 12 maart 2026 – te meer in het licht van het voorgaande – acht de voorzieningenrechter niet onredelijk lang of bezwarend voor verzoeker. Verder kan verzoeker de inhoudelijke discussie over de E-zonering, of sprake is van (meer) overtredingen van lichthinder en de door derde-partij genomen maatregelen voeren in de bezwaarprocedure en op de hoorzitting. Daar is de bezwaarprocedure voor bedoeld, waarbij het college een volledige heroverweging zal doen. Niet is dus gebleken dat deze aspecten onomkeerbaar zijn. Tot slot ligt in deze procedure niet voor of de vermeende overtredingen na afloop van de begunstigingstermijn voortduren. Uit het laatste stuk van verzoeker volgt dat de toezichthouder van het college de maatregelen van derde-partij wil gaan controleren om vast te stellen of de geconstateerde overtreding voortduurt.

Conclusie en gevolgen

5. De conclusie is dat er geen sprake is van spoedeisend belang. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.