Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6124

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
C/15/376850
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing puberdochter wegens ernstig verstoorde moeder-dochterrelatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De minderjarige verblijft momenteel bij haar tante, nadat zij eerder uit huis geplaatst werd wegens zorgen over haar ontwikkeling en de relatie met haar moeder.

De moeder erkent fysieke correctie in het verleden, maar ontkent recente mishandeling. De kinderrechter constateert een ernstig verstoorde band tussen moeder en dochter, waarbij de moeder moeite heeft om aan te sluiten bij de behoeften van de minderjarige. De hulpverlening is sinds kort betrokken en de samenwerking met de moeder verloopt positief.

De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de minderjarige voorlopig niet bij de moeder woont om vanuit een stabiele en veilige omgeving aan de onderlinge relatie gewerkt kan worden. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd voor zes maanden, ondanks de wens van de moeder voor een kortere duur. De ondertoezichtstelling wordt voor de gevraagde duur van een jaar vastgesteld.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor een jaar onder toezicht gesteld en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de tante wordt voor zes maanden verlengd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/376850 / JU RK 26-582
Datum uitspraak:
8mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. D.E. Oud, kantoorhoudende te Krommenie,
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van 7 april 2026 met bijlagen;
  • het raadsrapport van 15 april 2026 met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij haar tante (moederszijde).
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbankbank heeft bij beschikking van 11 februari 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 11 mei 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij dezelfde beschikking van 11 februari 2026 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een voorziening voor pleegzorg. Bij beschikking van 20 februari 2026 is deze machtiging verlengd tot en met 25 maart 2026.
2.5.
De kinderrechterrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 maart 2026 (opnieuw) een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel (aansluitend) een voorziening voor pleegzorg. Bij beschikking van 1 april 2026 is deze machtiging verlengd tot 11 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] . Gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling is naar voren gekomen dat [de minderjarige] zich niet gezien en gehoord te lijkt voelen door de moeder en dat het de moeder onvoldoende lukt om aan te sluiten bij wat [de minderjarige] nodig heeft. Daarnaast functioneert [de minderjarige] op moeilijk lerend niveau en ondervindt zij moeilijkheden in het contact met leeftijdsgenootjes. Een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is nodig om de juiste hulpverlening in te zetten en aan de gestelde doelen te werken. Ook is de Raad van mening dat [de minderjarige] nog niet naar huis kan. Een uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden is noodzakelijk om samen met de moeder te werken aan een fijne en veilige opvoedomgeving bij de moeder.
3.3.
Ter zitting heeft de Raad hieraan toegevoegd dat [de minderjarige] tot voor kort op een groep van [jeugdhulpaanbieder] verbleef, maar inmiddels bij haar tante verblijft. De GI en pleegzorg hebben een goed beeld van de tante.

4.De standpunten

4.1.
De moeder en de advocaat hebben zich niet verzet tegen het verzoek. Wel heeft de moeder moeite met de verzochte duur van de machtiging tot uithuisplaatsing en zij ziet liever dat deze maar voor drie maanden wordt verlengd. Er is geen acute noodzaak voor de machtiging tot uithuisplaatsing en geen sprake van fysiek onveiligheid. De moeder is gemotiveerd voor hulpverlening en dat kan volgens haar ook vanuit de thuissituatie plaatsvinden. De moeder is bang dat wanneer de uithuisplaatsing langer voortduurt, de drempel voor [de minderjarige] om weer bij haar te wonen hoger wordt. Het klopt wat in het raadsrapport staat, dat de moeder [de minderjarige] in het verleden fysiek heeft gecorrigeerd. Toen de moeder hoorde dat dat in Nederland niet mocht, is zij daarmee gestopt. Sinds het gezin in [plaats] woont heeft de moeder [de minderjarige] niet meer geslagen; dus het klopt niet wat [de minderjarige] daarover heeft gezegd. Het klopt ook niet dat de moeder [de minderjarige] recent uit huis heeft gezet, [de minderjarige] wilde zelf naar de tante gaan.
4.2.
De GI heeft naar voren gebracht dat [jeugdhulpaanbieder] ongeveer drie weken betrokken is en dat de samenwerking met de moeder goed gaat. [de minderjarige] heeft wisselende uitspraken gedaan over waar zij wil wonen en het is lastig te achterhalen wat zij echt voelt. Wel wordt bij haar spanning en somberheid gezien op het moment dat zij naar de moeder gaat. Tussen de moeder en [de minderjarige] lijkt sprake van een patroon waarbij de moeder niet goed begrijpt waarom [de minderjarige] zich op een bepaalde manier gedraagt, waardoor de moeder afwijzend reageert op [de minderjarige] . Zowel de moeder als [de minderjarige] hebben daarvoor hulp nodig. Recent nog, op 7 mei 2026, is [de minderjarige] door de moeder uit huis gezet. De GI heeft geen acute zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] bij de moeder.

5.De mening van [de minderjarige]

5.1.
heeft onder meer verteld dat zij sinds 4 mei 2026 niet meer op de groep woont maar bij haar tante. Op de groep vond [de minderjarige] het fijn. Verder heeft [de minderjarige] verteld dat ze moe is en niet veel energie heeft.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt ernstig bedreigd. In februari 2026 heeft [de minderjarige] verteld dat zij door de moeder veelvuldig geslagen wordt, waarna zij met spoed uit huis geplaatst is. De moeder ontkent het huiselijk geweld. De moeder erkent dat zij in het verleden [de minderjarige] wel eens fysiek gecorrigeerd heeft door haar op haar knieën te laten zitten. Sinds de betrokkenheid van Veilig Thuis en de Raad in 2023, waarbij de moeder is verteld dat de handelingen van de moeder gekwalificeerd worden als kindermishandeling, is daar volgens de moeder geen sprake meer van. De kinderrechter stelt vast dat de verhalen van [de minderjarige] en de moeder sterk uiteen lopen en dat het de afgelopen maanden niet duidelijk is geworden wat de waarheid is. Het is de kinderrechter in ieder geval duidelijk dat de band tussen [de minderjarige] en de moeder verstoord is.
6.3.
Het is daarom nodig dat hulpverlening ingezet wordt op het contactherstel en de onderlinge communicatie tussen [de minderjarige] en de moeder, waarbij de veiligheid in de thuissituatie bij de moeder voorop staat en voor zover het belang van [de minderjarige] zich daar niet tegen verzet. Ook heeft de moeder ondersteuning nodig bij de opvoeding, zodat zij [de minderjarige] beter leert te begrijpen en beter bij haar kan aansluiten. Hulpverlening van [jeugdhulpaanbieder] is sinds drie weken betrokken en de kinderrechter acht het positief dat de samenwerking met de moeder en de hulpverlening goed gaat. Daarnaast moet diagnostiek voor [de minderjarige] plaatsvinden, zodat de (emotionele) behoeften van [de minderjarige] duidelijk worden. Hiervoor is een aanmelding gedaan bij hulpverlening van [jeugdhulpaanbieder] . Tot slot is het van belang dat voor [de minderjarige] een vertrouwenspersoon, mogelijk in de vorm van een kindbehartiger, ingezet wordt zodat zij haar verhaal kwijt kan. Het is aan de GI om een dergelijk persoon aan te stellen.
6.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige] onder toezicht voor de verzocht duur van een jaar.
6.5.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
6.6.
De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt. Hoewel de GI desgevraagd heeft aangegeven geen acute veiligheidszorgen te hebben over de thuissituatie van de moeder, is bij [de minderjarige] een patroon van spanning en somberheid zichtbaar als het gaat om (contact met) de moeder. Het is (nog) onduidelijk waar deze spanning vandaan komt. Daarnaast heeft [de minderjarige] veel meegemaakt en heeft zij in korte tijd bij de moeder, op de groep en bij de tante gewoond. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij voorlopig op een stabiele en voor haar veilige plek woont, niet bij de moeder, zodat vanuit rust en stabiliteit gewerkt kan worden aan hun onderlinge relatie. De omgeving bij de tante is bekend voor [de minderjarige] en ook de moeder kan instemmen met deze plaatsing. De kinderrechter begrijpt de wens van de moeder voor een kortere uithuisplaatsing, maar overweegt dat tijd nodig is om aan de (onderliggende) problematiek te werken. De verwachting is niet gerechtvaardigd dat [de minderjarige] binnen drie maanden weer thuis kan wonen. De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de tante daarom voor de verzochte duur van zes maanden.
6.7.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
6.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 8 mei 2026 tot 8 mei 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in voorziening voor pleegzorg, te weten bij de tante moederszijde, tot 8 november 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.