ECLI:NL:RBNHO:2026:6130

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
C/15/377479
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens emotionele verwaarlozing

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds maart 2026 uit huis is geplaatst vanwege een emotioneel onveilige thuissituatie en langdurige emotionele verwaarlozing.

De moeder, belast met het ouderlijk gezag, erkent het verzoek maar wenst een kortere duur van de uithuisplaatsing vanwege de veranderde gezinssituatie. De minderjarige zelf geeft aan het verblijf op de groep acceptabel te vinden en wenst meer contact met beide ouders.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigd blijft door de problematiek van de moeder en de onveilige thuissituatie. De huidige plaatsing op de groep is noodzakelijk voor stabilisatie en het voorbereiden van passende hulpverlening, waaronder traumatherapie. De verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar wordt daarom toegewezen.

De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377479 / JU RK 26-667
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van 20 april 2026 met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft op een groep [groep] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 juni 2021 [de minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 27 mei 2025, tot 11 juni 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2026 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 11 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. [de minderjarige] is sinds eind maart uit huis geplaatst en het is van belang dat deze plaatsing zorgvuldig gemonitord wordt. Gelet op de aanhoudende emotionele onveiligheid binnen het gezin, het ontbreken van reële mogelijkheden tot verbetering en de bevindingen uit de verklarende analyse, is de GI van mening dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk is.
3.3.
Ter zitting heeft de GI hieraan toegevoegd de komende periode samen met hulpverlening vanuit [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te onderzoeken wat [de minderjarige] nodig heeft en wat zijn perspectief is. De termijn van een half jaar is te kort om aan de problematiek te werken en de GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar te verlengen. De GI heeft oog voor de wens van [de minderjarige] om meer contact te hebben met zijn vader, maar de communicatie met de vader verloopt moeizaam.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder is het eens met het verzoek, maar heeft zich verzet tegen de verzochte duur van de machtiging tot uithuisplaatsing. De dynamiek die in de thuissituatie is ontstaan, komt volgens de moeder voor een groot deel door de moeilijkheden in het gedrag van het broertje van [de minderjarige] , [het broertje van de minderjarige] . Nu [het broertje van de minderjarige] uit huis is geplaatst, wil de moeder dat goed gekeken wordt naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing van [de minderjarige] . De moeder wil graag dat een tussentijds toetsmoment komt en verzoekt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing op het verzoek over de overige zes maanden aan te houden.

5.De mening van [de minderjarige]

5.1.
heeft verteld dat hij het oké vindt op de groep en de begeleiding fijn vindt. Hij zou wel graag zijn moeder en vader vaker zien. In zijn ideale week zou [de minderjarige] een paar nachten bij de moeder, vervolgens een nacht bij zijn (deeltijd)pleegmoeder, daarna een nacht bij zijn vader en tot slot een nacht op groep slapen.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De moeder kampt met persoonlijke problematiek, heeft beperkte opvoedvaardigheden en is overbelast geraakt door de zorg voor [de minderjarige] en haar andere kinderen. Als gevolg hiervan is [de minderjarige] opgegroeid in een emotioneel onveilige thuissituatie, waarin de moeder onvoldoende bij hem kon aansluiten en onvoldoende beschikbaar voor hem was. [de minderjarige] laat duidelijke signalen zien van langdurige emotionele verwaarlozing: hij vertoont onder andere aangepast en sociaal wenselijk gedrag en please-gedrag en heeft moeite met zijn emotieregulatie. Om de moeder te ontlasten is deeltijdpleegzorg ingezet en [de minderjarige] gaat al jarenlang wekelijks naar hetzelfde pleeggezin. Toch bleek de thuissituatie niet langer houdbaar en [de minderjarige] verblijft inmiddels op de groep [groep] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . De komende periode is het van belang dat [de minderjarige] stabiliseert, zodat vervolgens gekeken kan worden welke hulpverlening passend is. De GI heeft aangegeven op termijn traumatherapie te willen inzetten, maar dat daarvoor de situatie rondom [de minderjarige] rustiger moet zijn. Ook moet aandacht zijn voor het contact van [de minderjarige] met zijn beide ouders en de mogelijkheden van uitbreiding daarvan. De betrokkenheid van de GI is nodig om de nodige hulpverlening in- en voort te zetten en de moeder te ondersteunen bij het maken van de juiste beslissingen voor [de minderjarige] .
6.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de verzochte duur van een jaar.
6.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
6.5.
[de minderjarige] is pas recent, in maart 2026, op zijn huidige groep geplaatst. De groep [groep] is een vertrouwde plek voor [de minderjarige] en de moeder; de zus van [de minderjarige] verblijft daar ook en de moeder staat in goed contact met zijn mentor daar. De kinderrechter overweegt dat het op dit moment niet mogelijk is voor [de minderjarige] om bij de moeder te wonen. Het is nodig dat rust gecreëerd wordt, zodat vervolgens gekeken kan worden of en zo ja op welke wijze [de minderjarige] weer veilig naar huis kan en welke hulpverlening daarvoor nodig is. De kinderrechter begrijpt de wens van de moeder voor een kortere uithuisplaatsing van [de minderjarige] , maar is van oordeel dat de termijn van een half jaar te kort is om de nodige hulpverlening in te zetten en te bestendigen. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] daarom voor de verzochte duur van een jaar.
6.6.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
6.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 11 juni 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 11 juni 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.