ECLI:NL:RBNHO:2026:617

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
HAA 25/5824
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 6.1 Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2024Art. 8:86 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen tegen last onder dwangsom gemeente Haarlemmermeer

Verzoeker, eigenaar van een woning en bedrijf in Cruquius, kreeg van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer een last onder dwangsom opgelegd wegens vermeende overtredingen van de Omgevingswet en gemeentelijke verordening. Het college eiste dat verzoeker bepaalde activiteiten op een strook grond ongedaan maakte, met een dwangsom tot €19.500 bij niet-naleving.

Verzoeker stelde beroep in tegen het bestreden besluit en vroeg om verlenging van de begunstigingstermijn, welke door het college werd afgewezen. Vervolgens verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting was het college niet aanwezig en voerde geen verweer.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep niet kennelijk ongegrond was en dat het verzoek om voorlopige voorziening toewijsbaar was. Daarom werden het primaire en bestreden besluit geschorst totdat op het beroep is beslist. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €194 aan verzoeker. Tegen deze mondelinge uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het primaire en bestreden besluit worden geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5824
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 januari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Cruquius, verzoeker

gemachtigde: R. Meeuwis,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college.

Procesverloop

1.1.
Met het primaire besluit van 30 december 2024 heeft het college een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd. Met het besluit gelast het college verzoeker uiterlijk op 7 januari 2025 (vermeende) overtredingen van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (het zonder omgevingsvergunning verrichten van een omgevingsplanactiviteit) en artikel 6.1, eerste lid, van de Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2024 (het zonder vergunning een openbare plaats anders gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan) ongedaan te maken. Voldoet verzoeker niet (tijdig) of niet volledig aan de last dan verbeurt hij – aldus het college in het besluit – een dwangsom die kan oplopen tot € 19.500,- ineens. De begunstigingstermijn heeft het college, na het maken van bezwaar, verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Met het bestreden besluit van 24 november 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij het primaire besluit gebleven.
1.2.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op 3 december 2025 verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn. Het college heeft dit verzoek bij besluit van 11 december 2025 afgewezen. Vervolgens heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde hebben hieraan deelgenomen. Het college is niet ter zitting verschenen. Ter zitting heeft de griffier telefonisch contact gehad met het college. Van die zijde is meegedeeld dat er geen gemachtigde zal verschijnen.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit en het primaire besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden.

Gronden van de beslissing

2. Verzoeker is eigenaar van de woning en het bedrijf aan de [adres 1] in Cruquius. De gemeente is eigenaar van de [straatnaam] . Tussen partijen bestond geschil over de vraag waar het eigendom van verzoeker ophield en het eigendom van de gemeente begon. Van een strook in geschil zijnde grond heeft de gemeente inmiddels erkend dat die strook (door verkrijgende verjaring) eigendom van verzoeker is. Op een deel van die gronden, die eiser gebruikt, rust – naar voorlopig oordeel – de bestemming ‘Verkeer’ ingevolge het van het omgevingsplan deel uitmakende bestemmingsplan Cruquius 2009. Het college wil handhavend optreden tegen het gebruik van verzoeker van dit stuk grond. Volgens het college gebruikt verzoeker gronden met de bestemming ‘Verkeer’ als tuin bij zijn woning en als erf bij het bedrijf. Het college wijst er op dat daar verhardingen (voor uitritten naar de weg), beplanting en een hekwerk als erfafscheiding zijn aangebracht. Volgens het college is het gebruik als tuin en erf in strijd met de bestemming ‘Verkeer’. Het hekwerk is volgens het college zonder de vereiste omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit geplaatst en is volgens het college in strijd met de bestemmingsplanregels. Het college meent daarnaast dat de in geschil zijnde gronden een publieke bestemming hebben en dat verzoeker met het (gestelde) gebruik en de beplanting, de verharding en het hek, handelt in strijd met het verbod om zonder vergunning een openbare plaats te gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
3. Verzoeker betwist in beroep dat het college tot handhaving over mocht gaan. Volgens hem is er geen sprake van een overtreding. Hij wijst op uitspraken van de voorzieningenrechter tot vernietiging van volgens hem vergelijkbare lasten die het college heeft opgelegd aan buren die woonachtig zijn aan de [straatnaam] . Hij verzoekt om schorsing van de last onder dwangsom tot op het beroep is beslist. Hij voert aan dat zijn beroep een redelijke kans van slagen heeft en dat thans voldoen aan de last zeer kostbaar is en in wezen onomkeerbaar zal zijn.
4. Het college heeft geen verweer heeft gevoerd en is ook niet ter zitting verschenen. Er is geen grond voor het oordeel dat het beroep op voorhand (kennelijk) ongegrond moet worden geacht. De voorzieningenrechter ziet daarin voldoende aanleiding om het verzoek toe te wijzen en om de last onder dwangsom te schorsen totdat op het beroep is beslist. Omdat enkele feitelijke onduidelijkheden bij afwezigheid van het college ter zitting niet geheel konden worden opgehelderd, is er onvoldoende basis om met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht ook op het beroep te beslissen.

Slotopmerkingen

5. Toewijzing van het verzoek betekent met name dat de last niet geldt, zolang er niet op het beroep is beslist.
6. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet het college het griffierecht van
€ 194,- aan verzoeker vergoeden. Er is niet gebleken van (andere) proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, zodat er voor veroordeling van het college tot vergoeding van proceskosten geen grond is.
7. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter medegedeeld dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026 door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.