ECLI:NL:RBNHO:2026:6217

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/15/377165
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige gedragsproblematiek

De kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 8 mei 2026 een beschikking gegeven over de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling van een minderjarige met ernstige gedragsproblematiek. De minderjarige verblijft sinds 2 mei 2026 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, maar de ouders en pleegmoeder zijn het niet eens met deze plek en wensen plaatsing in een kleinschalige woonvoorziening.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag en kampt met emotionele problematiek, waardoor zij de opvoeding niet meer aankan. Ondanks jarenlange hulpverlening is de situatie niet verbeterd en is de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigd. De kinderrechter acht de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.

Hoewel de kleinschalige woonvoorziening een huiselijke setting biedt en de voorkeur van ouders en pleegmoeder geniet, voldoet deze nog niet aan de criteria van een jeugdzorgvoorziening en is geen contractant van de gemeente. De kinderrechter benadrukt het belang van passende hulpverlening en verlengt de machtiging en ondertoezichtstelling tot 11 juni 2027, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 11 juni 2027 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummers: C/15/377165 / JU RK 26-629 & C/15/377349 / JU RK 26-638
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing en een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaken van
de gecertificeerde instelling
Stichting de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader;
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van 20 april 2026 met bijlagen;
  • het verzoekschrift van 28 april 2026 met bijlagen;
  • de brief van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] Jeugdhulp, ontvangen van de GI op 6 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • de pleegmoeder;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover na de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft op de groep [groep] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft [de minderjarige] bij beschikking van 11 juni 2021 onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van 27 mei 2025, tot 11 juni 2026.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI verzoekt daarnaast de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De GI heeft de verzoeken – samengevat – als volgt onderbouwd. [de minderjarige] groeit op in een chronisch emotioneel onveilige thuissituatie. De moeder is overbelast, emotioneel niet beschikbaar voor [de minderjarige] en kan de opvoeding voor hem niet meer aan. [de minderjarige] heeft moeite met het uiten van zijn emoties en vertoont ernstige gedragsproblematiek. Ondanks de inzet van jarenlange ambulante hulp en deeltijdpleegzorg is de situatie niet verbeterd. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ziet geen mogelijkheden meer om met inzet van ambulante hulp de pedagogische vaardigheden van de moeder te vergroten. De GI is daarom van mening dat een uithuisplaatsing voor [de minderjarige] nodig is.
3.4.
Ter zitting heeft de GI het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige] verblijft sinds 2 mei 2026 op de groep [groep] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en hij moet nog wennen aan de (structuur van) de nieuwe plek. Het is van belang dat de bestaande contacten en hulpbronnen – zijn school, de medewerkers van [kleinschalige woonvoorziening] , de moeder, zijn broer, de vader en de deeltijdpleegmoeder – in stand blijven. De komende tijd gaat [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] inzetten op observatie en onderzoek om te kijken wat [de minderjarige] nodig heeft en wat zijn perspectief is. Daar is tijd voor nodig en daarom verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing gelijk te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI is op de hoogte van de wens van de ouders en de pleegmoeder om [de minderjarige] op de kleinschalige woonvoorziening van [kleinschalige woonvoorziening] te plaatsen. Op dit moment voldoet die plek echter niet aan de criteria van een jeugdzorgvoorziening en kunnen zij [de minderjarige] niet de juiste hulp bieden. Daarnaast is [kleinschalige woonvoorziening] geen contractant van de gemeente.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft ingestemd met de verzoeken. De moeder is het echter niet eens met groep waar [de minderjarige] verblijft. Op het terrein van de groep [groep] verblijven ook oudere jongens met ernstige problematiek en de moeder vindt het geen fijn idee dat [de minderjarige] met hen in aanraking komt. Zij wil graag dat [de minderjarige] op de kleinschalige woonvoorziening van [kleinschalige woonvoorziening] wordt geplaatst, zoals eerder met de GI was besproken. Zij vraagt zich af waarom de hulp die [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] biedt, niet op de groep van [kleinschalige woonvoorziening] geboden kan worden.
4.2.
Ook de vader heeft naar voren gebracht dat hij liever ziet dat [de minderjarige] op de kleinschalige woonvoorziening van [kleinschalige woonvoorziening] geplaatst wordt.
4.3.
De pleegmoeder heeft naar voren gebracht dat zij zich morgen maakt om [de minderjarige] en de plaatsing bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Gisteravond was [de minderjarige] bij de pleegouders en moest hij veel huilen, omdat hij niet naar de groep wilde. [kleinschalige woonvoorziening] heeft een mooie plek beschikbaar, in een huiselijke setting, waar [de minderjarige] veilig kan opgroeien. Zowel de ouders als de pleegmoeder gingen ervan uit dat [de minderjarige] daar terecht kon.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De zorgen zoals omschreven in de beschikking van 27 mei 2025 zijn nog steeds aanwezig en [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [de minderjarige] heeft veel onveiligheid en instabiliteit meegemaakt in de thuissituatie en kampt daardoor met hevige en toenemende gedragsproblematiek. Hij is niet in staat zijn emoties op een leeftijdsadequate wijze te uiten en wanneer hij boos wordt, is hij lastig te corrigeren. De moeder heeft een belast verleden en kampt met emotieregulatie-problematiek. Vanwege haar persoonlijke problematiek lukt haar niet altijd om goed aan te sluiten bij [de minderjarige] en te voorzien in zijn opvoedbehoeften. Hulpverlening vanuit [kleinschalige woonvoorziening] is betrokken voor dagelijkse begeleiding van [de minderjarige] en heeft een goede band met hem opgebouwd. Ook gaat [de minderjarige] wekelijks naar een deeltijdpleeggezin en ontvangt het gezin hulpverlening vanuit [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . De komende periode is het van belang dat de huidige hulpverlening voortgezet wordt en daarnaast moet onderzocht worden of, en zo ja welke, individuele hulpverlening passend is voor [de minderjarige] . Het is nodig dat de GI betrokken blijft om regie te voeren op de hulpverlening en samen met de moeder beslissingen kan nemen in het belang van [de minderjarige] . Ook is van belang dat de GI onderzoek doet naar het toekomstperspectief van [de minderjarige] . De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de verzochte duur van een jaar.
5.3.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter ook van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.4.
De afgelopen jaren is veel hulpverlening ingezet en rondom het gezin staat een team van betrokken hulpverleners. Desondanks zijn de zorgen over de opvoedsituatie en de ontwikkeling van [de minderjarige] toegenomen. De moeder heeft recent meerdere keren aangegeven dat de thuissituatie met [de minderjarige] onhoudbaar is geworden en dat zij de zorg voor hem niet meer aankan. Vanwege de zorgen, is voor alle betrokkenen duidelijk dat [de minderjarige] op dit moment niet meer thuis kan wonen. Het probleem zit met name in de plek waar [de minderjarige] dan vervolgens moet verblijven. De GI heeft aangegeven al langer op zoek te zijn naar een geschikte plek voor [de minderjarige] . Recent is een plek beschikbaar gekomen op de groep [groep] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , waar [de minderjarige] verblijft sinds 2 mei 2026. Ter zitting hebben de moeder, de vader en de pleegmoeder hun zorgen geuit over de groep [groep] . Zij willen graag dat [de minderjarige] geplaatst wordt op de kleinschalige woonvoorziening van [kleinschalige woonvoorziening] . De GI heeft ter zitting uitgelegd dat deze woonvoorziening recent is gestart en nog niet voldoet aan de criteria van een jeugdzorgvoorziening. Zo heeft [kleinschalige woonvoorziening] bijvoorbeeld geen behandelcoördinator..
5.5.
Net als alle betrokkenen, acht de kinderrechter van groot belang dat [de minderjarige] op de plek terechtkomt die het best past bij hem en zijn behoeftes en waar hij de best passende hulpverlening aangeboden krijgt. Op dit moment is dat bij [groep] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , omdat daar de juiste hulpverlening lijkt te zijn. De GI heeft uitgelegd dat wanneer [kleinschalige woonvoorziening] aan de voorwaarden voldoet, de GI een grote voorkeur heeft voor een plaatsing bij [kleinschalige woonvoorziening] . Een probleem wordt dan wel dat [kleinschalige woonvoorziening] geen contractant van de gemeente is, aldus de GI. Het idee is dat [kleinschalige woonvoorziening] een kleinschalige woonvoorziening biedt in een huiselijke setting, met de nodige hulpverlening in huis. Naar het oordeel van de kinderrechter moet op die plaatsing dan ook vol worden ingezet. Hoewel [de minderjarige] bij [groep] de juiste hulp aangeboden lijkt te krijgen, lijkt de setting van zijn huidige verblijfplaats ongeschikt voor een jonge jongen. [de minderjarige] is een belast jongetje van nog maar negen jaar met een verzwaarde opvoedbehoefte. Het kan dan niet zo zijn dat dit jongetje door financieringsproblematiek van de gemeente tussen wal en schip raakt.
5.6.
De kinderrechter verleent de machtigingen zoals door de GI zijn verzocht en hieronder is vermeld.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
C/15/377165 / JU RK 26-629
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 8 mei 2026 tot 11 juni 2026;
C/15/377349 / JU RK 26-638
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 11 juni 2027;
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 11 juni 2027;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.