Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6219

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/15/370045
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling afgewezen wegens onbereikbaarheid vader en ontbreken omgang

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van een minderjarige, die sinds november 2023 onder toezicht staat vanwege ernstig verstoorde verhoudingen tussen ouders en het ontbreken van contact met de vader.

De GI heeft een plan opgesteld om begeleide omgang tussen de vader en de minderjarige te realiseren, maar dit is niet van de grond gekomen doordat de vader meerdere afspraken heeft afgezegd en onbereikbaar is voor de hulpverlening. De moeder verzoekt om beëindiging van de OTS omdat deze niet langer doelmatig is.

De kinderrechter stelt vast dat ondanks de geboden ruimte en tijd de vader niet meewerkt en onbereikbaar blijft, waardoor de ondertoezichtstelling niet langer in het belang van het kind is. Het verzoek tot verlenging wordt daarom afgewezen en de beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen omdat de vader onbereikbaar is en de omgang niet op gang komt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/370045 / JU RK 25-1346
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboorteakte] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.A.S. Matheij, kantoorhoudende te Haarlem,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 30 oktober 2025 en de daarbij behorende stukken;
  • de schriftelijke update van de GI van 24 maart 2026 met bijlagen;
  • het bericht van de advocaat van de moeder van 6 mei 2026 met vijf producties.
1.2.
Op 8 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De vader is niet ter zitting niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van
9 november 2023 [de minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd. De kinderrechter in deze rechtbank heeft de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd bij beschikking van 30 oktober 2025, tot 9 mei 2026, en heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot aan deze zitting.

3.Het verzoek

3.1.
De GI handhaaft haar verzoek en verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de overige zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. Sinds november 2025 ligt een duidelijk plan om toe te werken naar begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de vader. Dit is tot op heden echter niet van de grond gekomen omdat de vader meerdere afspraken heeft afgezegd. De GI wil de vader de komende drie maanden nog de tijd gunnen om afspraken na te komen en om samen met de hulpverlening toe te werken naar begeleide omgang. Wanneer dit niet lukt zal door de GI in samenspraak met de moeder een borgingsplan worden geschreven zodat de ondertoezichtstelling goed kan worden afgesloten.
3.3.
De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat de vader bereid lijkt zich in te zetten voor de hulpverlening, maar dat het voor hem lastig is om het daadwerkelijk te doen. Het is belangrijk dat de omgang tussen [de minderjarige] en de vader duurzaam kan plaatsvinden. De GI heeft daar op dit moment geen vertrouwen in, zeker nu recent weer een afspraak niet is doorgegaan vanwege de vader. Ook de hulpverlening van [hulpverleningsorganisatie] heeft aangegeven geen aanleiding te zien om een nieuwe afspraak met de vader te plannen.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder en de advocaat hebben verzocht om de ondertoezichtstelling niet te verlengen omdat deze niet langer doelmatig is. De vader heeft in 2021 zelf een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling met [de minderjarige] bij de rechtbank ingediend. Het is de afgelopen jaren echter niet gelukt om tot omgang te komen, door toedoen van de vader. De advocaat heeft een aantal producties overlegd, waaruit blijkt dat al vanaf het begin zorgen bestaan over de vader en zijn vermogen om afspraken na te komen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling niet langer aanwezig zijn en overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] staat sinds november 2023 onder toezicht, omdat de verhoudingen tussen de ouders ernstig verstoord waren en [de minderjarige] geen contact had met de vader. Aanleiding voor het kinderbeschermingsonderzoek van de Raad was de procedure die de vader had gestart bij de rechtbank Amsterdam, waarin hij onder meer verzocht om omgang met [de minderjarige] . [1] De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd in oktober 2025 omdat het [de minderjarige] nog steeds ontbrak aan (structureel) contact met de vader.
5.2.
Uit de stukken en het behandelde ter zitting blijkt dat [de minderjarige] nog steeds geen contact heeft met de vader. De GI heeft uiteindelijk in november 2025 samen met de hulpverlening van [hulpverleningsorganisatie] een plan opgesteld voor het starten van de omgang tussen de vader en [de minderjarige] . Daarvóór zijn met de vader en de moeder hier met name gesprekken over gevoerd. De GI heeft aangegeven dat de moeder goed meewerkt met de hulpverlening en deelneemt aan de gesprekken. Aanvankelijk leek de vader ook goed mee te werken met de hulpverlening, maar gaandeweg werd dat duidelijk minder. Inmiddels is de vader op meerdere afspraken met de GI, de hulpverlening van [hulpverleningsorganisatie] , zijn individuele hulpverlening en de moeder niet verschenen of heeft hij deze (last-minute) afgezegd. De vader heeft hiervoor als reden gegeven dat hij gedurende het traject meerdere weken op vakantie is geweest. Hij heeft bij de hulpverlening en de GI aangegeven te verwachten dat de communicatie beter zal gaan, wanneer hij weer in Nederland is. Ter zitting is echter gebleken dat de vader inmiddels ruim een maand weer in Nederland is en dat in deze periode wederom het contact met de vader moeizaam is verlopen. De afspraak met de hulpverlening van [hulpverleningsorganisatie] , de vader en de moeder op 7 mei 2026 is niet doorgegaan, omdat de vader – zonder afmelding – niet is komen opdagen. Ook ter zitting is de vader zonder bericht van afmelding niet verschenen.
5.3.
Het is in het belang van [de minderjarige] om te weten wie zijn vader is en om zijn vader te leren kennen. Met dat doel is de ondertoezichtstelling uitgesproken. Ondanks de ruimte en tijd die de GI de vader heeft geboden, is de vader in feite onbereikbaar geweest voor de GI en hulpverlening. Het is de GI niet gelukt om erachter te komen, waar dat precies door komt. Hoe dan ook, het is de kinderrechter gebleken dat de handelwijze van de vader een goede uitvoering van de ondertoezichtstelling in de weg staat. Dat maakt dat de ondertoezichtstelling niet langer doelmatig is en een verlenging daarom niet in het belang van [de minderjarige] is. De kinderrechter zal het verzoek van de GI daarom afwijzen.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.C/13/ 706942 FA RK 21/5615.