ECLI:NL:RBNHO:2026:622

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
360703
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 BWArt. 6:95 BWArt. 6:96 BWArt. 6:98 BWArt. 6:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deels toewijzing schadevergoeding wegens onrechtmatig leveringsbeslag op bedrijfsruimte

In deze schadestaatprocedure oordeelde het gerechtshof Amsterdam dat het leveringsbeslag van 7 mei 2021 door gedaagden onrechtmatig was gelegd op de bedrijfsruimte van eiser. De zaak werd verwezen naar schadestaat voor de vaststelling van de schade.

Eiser vorderde vergoeding van schade wegens het niet kunnen verhuren of verkopen van de bedrijfsruimte, hypotheeklasten, gemeentelijke belastingen, nutsvoorzieningen, verzekeringspremies en proceskosten. Gedaagden betwistten de schade, de intentie tot verhuur en stelden onder meer voordeelstoerekening en eigen schuld aan.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat zij de bedrijfsruimte had kunnen verhuren, waardoor gederfde huurinkomsten werden afgewezen. Wel werd aangenomen dat eiser de bedrijfsruimte eind 2022 had kunnen verkopen zonder het beslag, waardoor schadevergoeding voor het niet doorgaan van die verkoop toewijsbaar was. Hypotheeklasten werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs. Gemeentelijke belastingen en verzekeringspremies werden deels toegewezen. Proceskostenveroordelingen uit kort geding werden deels toegewezen. Het beroep op voordeelstoerekening en eigen schuld faalden.

De rechtbank veroordeelde gedaagden hoofdelijk tot betaling van €5.224,70 plus wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024 en in de proceskosten van €3.769,43. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €5.224,70 schadevergoeding plus rente en proceskosten, met gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/360703 / HA ZA 25-12
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. I. Roseboom en mr. V.H.B. Kruit,
tegen

1.[gedaagde 1],

te [plaats 2],
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. M.W.J. Ariëns.
De zaak in het kort
Deze zaak is de schadestaatprocedure in het geschil tussen partijen. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat het aannemelijk is dat [eiser] schade heeft geleden door het door [gedaagden] onrechtmatig gelegde leveringsbeslag op de bedrijfsruimte van [eiser]. Het hof heeft voor het bepalen van de hoogte van de schade de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. [eiser] vordert dat [gedaagden] de schade vergoeden die zij heeft geleden omdat zij de bedrijfsruimte door het beslag niet heeft kunnen verhuren en/of verkopen. [gedaagden] betwisten dat [eiser] de bedoeling had om de bedrijfsruimte te verhuren en dat zij schade heeft geleden doordat zij de bedrijfsruimte tijdens het beslag niet heeft kunnen verkopen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat zij de bedrijfsruimte wilde en kon verhuren in het geval dat het beslag niet op de bedrijfsruimte lag. De gevorderde schade in de vorm van gederfde huurinkomsten is hierdoor niet toewijsbaar. De rest van de gevorderde schadebedragen is voor een deel toewijsbaar. [gedaagden] moeten daarom in totaal een bedrag van € 5.224,70 aan [eiser] betalen, te vermeerderen met rente.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 december 2024 met producties 1 tot en met 21
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 13
- het tussenvonnis van 28 mei 2025
- de akte overlegging producties van [eiser] met producties 22 tot en met 25
- de akte overlegging producties van [gedaagden] met producties 14 tot en met 16
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarbij de advocaten van partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De onderhavige procedure is een schadestaatprocedure. In de hoofdzaak tussen partijen heeft het gerechtshof Amsterdam op 20 augustus 2024 een arrest gewezen. Dit arrest heeft gezag van gewijsde.
2.2.
In de beslissing van het arrest van het hof staat, voor zover relevant, het volgende:
“veroordeelt [gedaagden] het conservatoir leveringsbeslag van 7 mei 2021 op de bedrijfsruimte aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 3] op de eerste werkdag na de dag van betekening van dit arrest op te heffen en door te halen in de openbare registers,(…)
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het op 7 mei 2021 op de bedrijfsruimte aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 3] gelegde conservatoire leveringsbeslag, te rekenen vanaf 7 mei 2021 tot aan de dag waarop dit beslag is opgeheven en doorgehaald in de openbare registers, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;”
2.3.
De in het arrest weergegeven feiten worden in deze procedure eveneens als vaststaand aangenomen en als ingelast beschouwd. Daarnaast zijn de volgende feiten in deze zaak van belang.
2.4.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij vonnis in kort geding van 28 juni 2021 de vordering van [eiser] en de heer [betrokkene 1], de voormalige echtgenoot van [eiser], tot opheffing van het conservatoire leveringsbeslag op de bedrijfsruimte afgewezen. [eiser] en [betrokkene 1] zijn hierbij veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [gedaagden] (begroot op een bedrag van € 1.325,00).
2.5.
In een brief van 7 november 2022 van Haarlemmermeer Vastgoed Beheer B.V. aan [eiser] staat, voor zover hier van belang:
“Het is ons een genoegen u namens onze cliënt een bevestiging van de (…) gemaakte afspraken te doen toekomen onder de navolgende voorwaarden en condities met betrekking tot de verkoop van het winkelpand aan de [adres] te [plaats 3].
(…)
Koper: Ninos B.V. en Liberis B.V.
Koopsom: € 400.000,- kosten koper (…)
(…)
Transportdatum: (…) uiterlijk op 31 december 2022.
Notaris: Door koper aan te wijzen.
Staat van oplevering: Het object wordt geleverd in de huidige staat.
(…)”
2.6.
Op 21 december 2022 schrijft [betrokkene 2], notaris, aan de toenmalige advocaat van [gedaagden], mr. [betrokkene 3]:
“Onderwerp: royement beslag op appartement (winkelruimte) [adres] te [plaats 3] (…)
In verband met de voorgenomen verkoop en eigendomsoverdracht van bovenvermeld appartement op 29 december 2022 verneem ik graag of u royement verleent van het op7 mei 2021 door u namens [[gedaagden]] gelegde beslag (…).”
2.7.
Op respectievelijk 27 en 28 december 2022 schrijft Huisman aan [betrokkene 3]:
“Ik heb de heer M. [eiser] meegedeeld dat u het beslag niet opheft, hetgeen betekent dat de overdracht op 29 december aanstaande geen doorgang kan vinden omdat koper onbezwaard eigenaar wil worden.”
en
“Wel heb ik naar aanleiding van uw mail contact gezocht met de nieuwe koper, maar die wil niet betrokken worden in de juridische strijd tussen uw cliënt en de verkoper. Hij is alleen geïnteresseerd in het pand als het beslagvrij kan worden geleverd en dan nog wel in 2022 omdat de overdrachtsbelasting vanaf 1 januari 2023 wordt verhoogd (…).
2.8.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 7 februari 2023 de vordering van [eiser] tot opheffing van het conservatoire leveringsbeslag afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten van [gedaagden], begroot op een bedrag van € 1.523,75.
2.9.
[gedaagden] hebben [eiser] op 8 mei 2023 een e-mail gestuurd waarin zij aangeven nog steeds bereid te zijn de bedrijfsruimte te kopen dan wel huren.
2.10.
De broer van [eiser] heeft op 12 mei 2023 als reactie geschreven dat [eiser] de bedrijfsruimte niet aan hen wil verkopen of verhuren.
2.11.
Het conservatoire leveringsbeslag op de bedrijfsruimte is op 23 augustus 2024 opgeheven en doorgehaald in de openbare registers van het kadaster.
2.12.
[eiser] heeft de bedrijfsruimte vervolgens verkocht, naar eigen zeggen voor een lager bedrag dan het bod van [gedaagden] in 2021.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 195.465,14, dan wel € 123.298,82, zijnde het totale bedrag van de door [eiser] geleden schade, dan wel tot betaling van de afzonderlijke posten zoals gespecificeerd omschreven in de schadestaat te weten:
- Gederfde huurinkomsten: € 158.748,68 dan wel € 98.800,00;
- Hypotheeklasten: € 8.914,33;
- (Gemeentelijke) belasting en heffingen: € 4.937,17;
- Kosten nutsvoorzieningen : € 5.584,79;
- Overige kosten: € 2.213,78; en
- Kosten kort geding: € 15.066,39 dan wel € 2.848,75,
dan wel tot betaling van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de schade is geleden, althans vanaf 20 augustus 2024;
II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proces- en nakosten, te betalen binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen vijf dagen na de betekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. Zij heeft schade geleden door het door [gedaagden] onrechtmatig gelegde leveringsbeslag op de bedrijfsruimte. Door het beslag heeft zij niet vrij over de bedrijfsruimte kunnen beschikken. Zo heeft [eiser] de bedrijfsruimte niet vrij van beslag in eigendom kunnen overdragen aan een derde, noch heeft zij de ruimte kunnen verhuren. De bedrijfsruimte kampt met achterstallig onderhoud. [eiser] zou ruim € 148.000,00 moeten betalen om de bedrijfsruimte verhuurklaar te maken. Door het beslag zijn ook potentiële huurders afgehaakt. [eiser] heeft daarnaast door het beslag schade geleden omdat zij de (eigenaars)lasten van de bedrijfsruimte moest betalen ten tijde van het beslag, terwijl ze in die periode de woning had kunnen verhuren of verkopen als het beslag er niet op had gelegen. Verder stelt [eiser] dat zij kosten heeft gemaakt op grond van artikel 6:96 lid 2 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) omdat zij voor het starten van de kort gedingen kosten heeft moeten maken. Dat de vorderingen in kort geding zijn afgewezen, doet hieraan niet af. Primair vordert [eiser] op dit punt haar daadwerkelijk gemaakte proceskosten en subsidiair begroot zij haar kosten op de bedragen van de door haar gedragen proceskostenveroordelingen in de kort gedingen.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot ongegrondverklaring en volledige afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4.
[gedaagden] voeren – samengevat – het volgende aan. [eiser] heeft nooit de intentie gehad om de bedrijfsruimte te verhuren. Betwist wordt dat [eiser] enige schade heeft geleden. Zij heeft haar schade te algemeen en onvoldoende onderbouwd gesteld. Daarnaast doen [gedaagden] als verweer een beroep op voordeelstoerekening, omdat de bedrijfsruimte alleen maar in waarde is gestegen. De nieuwe waarde is € 495.000,00, waardoor [eiser] een voordeel van € 46.000,00 heeft genoten. Bovendien is sprake van eigen schuld dan wel schending van de schadebeperkingsplicht aan de kant van [eiser]. Tot slot verzoeken [gedaagden] de rechtbank om bij een (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering deze niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hun belang bij behoud van de bestaande toestand weegt zwaarder dan het belang van [eiser] bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling.
3.5.
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader ingaan.

4.De beoordeling

Voorop
4.1.
Het gerechtshof heeft geoordeeld dat het beslag door [gedaagden] onrechtmatig is gelegd en opgeheven moest worden. Het staat daarom vast dat [gedaagden] onrechtmatig beslag hebben gelegd, zodat zij de daaruit voortvloeiende schade moeten vergoeden. Zij zijn namelijk als beslaglegger voor de als gevolg daarvan bij [eiser] ontstane schade aansprakelijk. Het is een risicoaansprakelijkheid, zodat verwijtbaarheid niet vereist is en niet ter zake doet of [gedaagden] destijds op goede gronden meenden een vordering te hebben.
4.2.
De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel (artikel 6:95 lid 1 BW Pro). Voor vergoeding komt slechts in aanmerking de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW Pro).
4.3.
Of sprake is van schade, en tot welk bedrag, wordt bepaald door de situatie zoals deze nu is te vergelijken met de situatie zoals die zou zijn geweest zonder het beslag van 7 mei 2021. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is waaruit de schade van [eiser] bestaat.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk toewijsbaar is. Zij zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Eerst zal de rechtbank het verweer van [gedaagden] met betrekking tot de eigen schuld dan wel schending van de schadebeperkingsplicht door [eiser] bespreken, waarna zij zal ingaan op de afzonderlijke schadeposten.
Het beroep op eigen schuld/schending van de schadebeperkingsplicht slaagt niet
4.5.
[gedaagden] voeren aan dat [eiser] niet heeft voldaan aan haar verplichting om de schade te beperken. Alternatieve maatregelen zijn nagelaten, waardoor de schade onnodig is vergroot. [eiser] had aan [gedaagden] de bedrijfsruimte kunnen verkopen en leveren. Met de koper van de bovenwoning, de heer [betrokkene 4], had zij een afspraak die aan levering aan [gedaagden] niet (meer) in de weg stond. Door de bedrijfsruimte niet aan [gedaagden] te verkopen of ten minste te verhuren heeft [eiser] de gestelde schade over zichzelf afgeroepen.
4.6.
[eiser] voert aan dat zij ter beperking van haar schade de bedrijfsruimte ook na de beslaglegging in de verkoop en de verhuur heeft gelaten. Het beslag bracht echter voor alle betrokkenen te veel onzekerheid met zich mee waardoor verkoop en verhuur niet mogelijk was. Dat [eiser] dan maar aan [gedaagden] had moeten verkopen of verhuren is een drogredenering die niet kan worden gevolgd. Als [eiser] de bedrijfsruimte aan [gedaagden] had willen verkopen of verhuren, waren de gerechtelijke procedures niet nodig geweest. Dat zij zich op haar contractsvrijheid heeft beroepen en de bedrijfsruimte niet aan hen heeft willen verkopen of verhuren, maakt niet dat zij eigen schuld heeft aan de door haar geleden schade.
4.7.
Het beroep van [gedaagden] op eigen schuld dan wel schending van de schadebeperkingsplicht slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. [eiser] heeft de vrijheid om te kiezen aan wie zij de bedrijfsruimte wil verkopen. Zij heeft weliswaar een vaststellingsovereenkomst met [betrokkene 4] gesloten, maar deze ziet uitsluitend op de situatie dat de rechtbank en/of het hof alsnog zouden oordelen dat [eiser] de ruimte aan [gedaagden] moest leveren. Deze procedures zijn niet door de eigen schuld van [eiser] gestart. Het waren juist [gedaagden] die besloten het beslag op de bedrijfsruimte te leggen en daarna [eiser] in rechte te betrekken. De schade die zij heeft geleden, is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet mede het gevolg van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. [eiser] heeft bovendien geprobeerd haar schade te beperken door tweemaal in kort geding opheffing van het beslag te vorderen, omdat [gedaagden] niet aan de opheffing van het beslag meewerkten.
De gederfde huurinkomsten zijn niet toewijsbaar
4.8.
[eiser] stelt dat zij voornamelijk schade heeft geleden door gederfde huurinkomsten, omdat zij de bedrijfsruimte zonder het gelegde beslag had kunnen verhuren. [gedaagden] betwisten dat [eiser] op enig moment van plan was om de bedrijfsruimte te verhuren.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden bestaande uit gederfde huurinkomsten.
4.10.
[eiser] dient in dit kader te stellen en bij betwisting voldoende te onderbouwen dat zij zich heeft ingespannen om de bedrijfsruimte te verhuren en dat dit niet is gelukt omdat er beslag op de bedrijfsruimte lag. Zij heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet voldoende onderbouwd dat ze activiteiten in het kader van de verhuur van de bedrijfsruimte heeft ondernomen, zodat dit niet is komen vast te staan. De enkele, niet onderbouwde stelling dat het bedrijfspand voor verhuur is aangeboden, is hiervoor onvoldoende. Verder is ook niet voldoende gemotiveerd gesteld, laat staan onderbouwd, dat zich ooit een concrete huurder heeft aangediend die van de huur heeft afgezien omdat er beslag lag op de bedrijfsruimte. [eiser] heeft zelf gezegd dat de bedrijfsruimte niet verhuurbaar was omdat deze eerst voor een bedrag van minimaal € 148.000,00 verbouwd had moeten worden. Alleen al hierom is niet aannemelijk dat [eiser] zonder het beslag de bedrijfsruimte vanaf 7 mei 2021 had kunnen verhuren. [eiser] heeft nog aangevoerd dat zij niet heeft kunnen verhuren omdat zij rekening moest houden met een voor haar negatieve uitkomst van de hoofdzaak, maar miskent daarmee dat alleen het onrechtmatige beslag tot schadeplichtigheid leidt, niet het feit dat de hoofdzaak liep.
4.11.
De rechtbank zal daarom deze schadepost afwijzen.
Aannemelijk dat [eiser] de bedrijfsruimte eerder had kunnen verkopen
4.12.
[eiser] stelt dat zij de bedrijfsruimte zonder het beslag in elk geval eind december 2022 had kunnen verkopen. Op 7 november 2022 lag er een concreet aanbod en de potentiële kopers, Ninos B.V. en Liberis B.V., bevestigden de koop voor een koopsom van € 400.000,00. [eiser] stelt dat zij op 2 december 2022 [gedaagden] op de hoogte heeft gebracht van de verkoop. De kopers zijn echter op 28 december 2022 afgehaakt omdat [gedaagden] het beslag niet wilden opheffen. De koop was voor de kopers alleen interessant als er geen beslag op de bedrijfsruimte rustte.
4.13.
[gedaagden] betwisten dat er concrete kopers voor de bedrijfsruimte waren en trekken de brief van 7 november 2022 in twijfel. Daarnaast voeren zij aan dat het beslag kennelijk geen belemmering was voor de gestelde kopers. In de koopbevestiging staat namelijk dat de bedrijfsruimte zou worden geleverd in de huidige staat, dus kennelijk inclusief het gelegde beslag, aldus [gedaagden]
4.14.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat zij de bedrijfsruimte in 2022 had kunnen verkopen als er geen beslag op had gerust. Uit de door [eiser] in het geding gebrachte brief van 7 november 2022 (zie 2.5.) blijkt dat er eind 2022 potentiële kopers waren die de bedrijfsruimte in december 2022 geleverd wilde krijgen. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat deze verkoop niet doorging omdat de koper de bedrijfsruimte geleverd wilde krijgen zonder het beslag erop; dit blijkt uit de e-mails van de notaris aan de toenmalige advocaat van [gedaagden] waarvan de relevante inhoud in 2.6. en 2.7. is weergegeven. Uit de vermelding in de brief van 7 november 2022 dat de koper akkoord was met levering van de ruimte in de huidige staat, is niet af te leiden dat de koper akkoord was met levering van een beslagen bedrijfsruimte. De rechtbank gaat er met [eiser] van uit dat met ‘de huidige staat’ de huidige bouwkundige staat van de bedrijfsruimte wordt bedoeld. De schade die [eiser] heeft geleden door het niet doorgaan van de verkoop eind 2022 zal dan ook door [gedaagden] moeten worden vergoed.
4.15.
De rechtbank zal bij de beoordeling van de volgende schadeposten uitgaan van de hypothetische situatie dat [eiser] zonder het beslag van 7 mei 2021 per 1 januari 2023 niet langer de eigenaarslasten hoefde te dragen. Uit de stellingen van [eiser] is niet af te leiden dat zij de bedrijfsruimte zonder het beslag eerder dan eind 2022 had kunnen verkopen.
De gevorderde hypotheeklasten zijn niet toewijsbaar
4.16.
[eiser] vordert de hypotheeklasten die zij heeft moeten dragen, omdat zij de bedrijfsruimte met het beslag erop niet kon verkopen. Zij stelt dat op de bedrijfsruimte door haar ten gunste van [bedrijf 1] B.V. als hypotheekhouder een hypotheekrecht was gevestigd. Gedurende de periode van 7 mei 2021 tot 23 augustus 2024 heeft [eiser] € 8.914,33 aan hypotheekrente betaald. Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat de hypothecaire inschrijving inderdaad in 2021 is doorgehaald, maar dat de geldlening destijds niet is afgelost. Na de afwikkeling van [bedrijf 2] V.O.F. (hierna: de vof) diende uitsluitend nog [eiser] – en niet langer mede [betrokkene 1] – de rente te betalen. [gedaagden] betwisten dat op de bedrijfsruimte nog een hypotheekrecht rust. Als er geen hypothecaire lening meer is, is [eiser] ook geen rente verschuldigd. Bovendien kloppen de door [eiser] overgelegde rentenota’s niet, zo stellen [gedaagden]
4.17.
De rechtbank is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat [eiser] na 1 januari 2023 nog hypotheeklasten voor de bedrijfsruimte heeft betaald. Het staat namelijk vast dat de hypotheek op de bedrijfsruimte al in september 2021 is doorgehaald. [eiser] stelt dat toen nog wel een geldlening bestond, maar dit is betwist en door [eiser] niet onderbouwd met een akte van geldlening of iets dergelijks. De overgelegde rentenota’s zijn in dat kader onvoldoende. Deze zijn geadresseerd aan de volgens [eiser] al afgewikkelde [betrokkene 1] VOF, er wordt in gerefereerd aan een hypotheeklening terwijl van een hypothecaire geldlening geen sprake meer was en uit de rentenota’s blijkt niet op welk pand de rentelasten betrekking hebben. De rechtbank zal de gevorderde hypotheeklasten dan ook afwijzen.
De schadevergoeding voor gemeentelijke belastingen is deels toewijsbaar
4.18.
[eiser] vordert een bedrag aan gemeentelijke belastingen die zij door het beslag moest betalen:
  • € 1.815,38 aan BIZ-bijdrage;
  • € 2.244,89 aan onroerendezaakbelastingen (OZB);
  • € 684,10 aan rioolheffingen;
  • € 192,80 aan waterschapsbelasting,
in totaal € 4.937,17.
4.19.
[gedaagden] betwisten de hoogte van de belastingen. Het is voor hen onduidelijk hoe [eiser] de gevorderde bedragen heeft berekend. De bedragen zijn daarnaast te hoog, omdat met hele jaren gerekend wordt. Daarnaast is de bedrijfsruimte al sinds 2019 niet meer in gebruik. De BIZ-bijdrage is in dat geval € 350,00 en niet € 600,00. [gedaagden] hebben hun eigen berekening van de gemeentebelastingen overgelegd. Verder zijn deze belastingen betaald van een bankrekening die niet op naam staat van [eiser] maar op naam van de opgeheven vof. [gedaagden] betwisten dan ook dat [eiser] deze schade heeft geleden.
4.20.
De rechtbank acht de schade toewijsbaar vanaf 1 januari 2023. Voor het jaar 2023 ontbreken echter de aanslagen voor de waterschapsbelasting en de rioolheffing. [eiser] heeft deze posten verder niet onderbouwd zodat deze niet vast komen te staan. Wel zal de rechtbank een bedrag van € 1.110,31 aan OZB en een bedrag van € 350,00 voor de BIZ-bijdrage over 2023 toewijzen. [eiser] heeft het verweer van [gedaagden] ten aanzien van de BIZ-bijdrage niet weersproken.
4.21.
Voor het jaar 2024 zal de rechtbank uitgaan van de belastingen zoals uiteengezet door [gedaagden] in hun conclusie van antwoord. [eiser] heeft de daarin genoemde bedragen niet weersproken. De rechtbank zal daarom de schade tot 23 augustus 2024, het moment van de opheffing van het beslag, toewijzen:
  • € 224,00 (0,64 x € 350,00) aan BIZ-bijdrage;
  • € 46,00 aan waterschapsbelastingen;
  • € 628,71 aan OZB;
  • € 177,06 aan rioolheffing.
In totaal komt het voor 2024 neer op een toewijsbare schadevergoeding van € 1.075,77. Het feit dat de gemeentebelastingen zijn betaald vanaf de bankrekening op naam van de vof doet daaraan niet af. Het pand/bedrijfsruimte was toegedeeld aan [eiser] alleen en de vof is inmiddels opgeheven. [eiser] was de bedragen dus als eigenaar verschuldigd, en de rechtbank gaat er ook van uit dat zij deze heeft betaald, ook al staat de bankrekening nog op naam van de vof.
De rechtbank zal de schadevergoeding voor de nutsvoorzieningen afwijzen
4.22.
De vordering tot schadevergoeding voor de nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit en water) zal de rechtbank afwijzen, omdat [gedaagden] dit punt gemotiveerd hebben betwist. Zo voeren zij aan dat [eiser] geen afrekeningen voor de nutsvoorzieningen heeft overgelegd. Ook betwisten [gedaagden] dat de gestelde kosten de bedrijfsruimte betreffen, want die ruimte staat al sinds 2019 leeg. Verder is de berekening van deze kosten niet duidelijk. [eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank tegenover deze betwisting haar vordering op dit punt onvoldoende nader onderbouwd, want ze heeft geen enkel inzicht in haar berekeningen gegeven en geen afrekeningen en facturen voor deze kosten overgelegd.
De betaalde verzekeringspremies zijn deels toewijsbaar
4.23.
[eiser] stelt dat zij voor een totaalbedrag van € 2.213,78 aan verzekeringspremies heeft betaald voor de verzekering van de bedrijfsruimte. Ook deze kosten heeft [eiser] enkel gemaakt als gevolg van het feit dat zij niet vrij over de bedrijfsruimte kon beschikken.
4.24.
[gedaagden] voeren aan dat [eiser] deze schadepost niet voldoende heeft onderbouwd. Uit de door haar overgelegde stukken is niet op te maken wat de verzekeringspremies zijn, wat de verdeelsleutel is en of [eiser] deze ook daadwerkelijk zelf heeft betaald.
4.25.
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de verzekeringspremies deels toewijzen. De rechtbank gaat ervan uit dat [eiser] het bedrijfspand vanaf
1 januari 2023 niet meer had hoeven verzekeren als zij het in december 2022 had kunnen verkopen. De gevorderde verzekeringspremie over 2022 is dus niet toewijsbaar. Van het jaar 2024 heeft [eiser] geen factuur overgelegd, zodat ook dit bedrag niet toewijsbaar is.
4.26.
De premie voor 2023 is wel toewijsbaar, omdat [eiser] een contract van deze verzekering heeft overgelegd. Dit contract slaat op de bedrijfsruimte en de bovenwoning. Om wat voor verzekeringen het gaat, is niet relevant. Voldoende is dat vast is komen te staan dat in 2023 een verzekering op het pand rustte en [eiser] als eigenaar de verzekeringspremie verschuldigd was.
4.27.
De rechtbank zal om deze redenen de premie voor 2023 toewijzen voor de bedrijfsruimte, rekening houdende met het feit dat de bovenwoning aan [betrokkene 4] is verkocht. De schadevergoeding wordt, gelet op de door [gedaagden] overgelegde splitsingsakte, vastgesteld op een bedrag van € 502,37 (52% van de verzekeringskosten voor het gehele pand van € 965,97).
De proceskostenveroordelingen in de kort gedingprocedures zijn deels toewijsbaar
4.28.
[eiser] vordert haar werkelijke proceskosten in de kort gedingprocedures ter opheffing van het beslag en subsidiair de bedragen van in totaal € 2.848,75 waartoe zij in het kader van de proceskostenveroordelingen in die procedures is veroordeeld. [gedaagden] betwisten deze schadepost. Zij voeren aan dat artikel 241 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zich ertegen verzet dat buiten een procedure om alsnog (in een nieuwe procedure) om vergoeding van de advocaatkosten uit die betreffende andere procedure wordt verzocht. [1] Hierdoor ontbreekt de grondslag voor de vorderingen van [eiser].
4.29.
De rechtbank zal de primaire vordering afwijzen. In de kort gedingprocedures is door de voorzieningenrechter beslist over de proceskosten in die procedures. Artikel 241 Rv Pro verzet zich ertegen dat in het kader van een schadevordering opnieuw over vergoeding van de door [eiser] gemaakte proceskosten in die procedures wordt beslist. De proceskostenregeling van artikel 237-240 Rv sluit namelijk een vergoeding op grond van artikel 6:96 BW Pro uit. [2]
4.30.
De kosten die [eiser] heeft gemaakt in het kader van de proceskostenveroordelingen zijn wel toewijsbaar. [eiser] is in beide kort gedingen in het ongelijk gesteld en in de proceskosten van [gedaagden] veroordeeld. Het hof heeft uiteindelijk geoordeeld dat het leveringsbeslag van [gedaagden] onrechtmatig was. Indien het beslag niet op de bedrijfsruimte was gelegd, had [eiser] niet de kortgedingprocedures hoeven starten en was zij niet tweemaal in de proceskosten van [gedaagden] veroordeeld. Deze kosten kunnen dus [gedaagden] als gevolg van het door hen onrechtmatig gelegde beslag worden toegerekend. [eiser] vordert hier niet haar eigen proceskosten als schadevergoeding, maar de bedragen die zij in het kader van proceskostenveroordelingen aan [gedaagden] heeft betaald. Deze kosten zijn niet haar kosten als bedoeld in artikel 241 Rv Pro, maar vallen onder vermogensschade als bedoeld in artikel 6:96 lid 1 BW Pro. De rechtbank zal om deze reden deze schadepost toewijzen.
4.31.
In het eerste vonnis in kort geding van 28 juni 2021 zijn [eiser] en [betrokkene 1] veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Dit betekent op grond van artikel 6:6 lid 1 BW Pro dat partijen verplicht waren deze proceskosten ieder voor een gelijk deel te betalen. De rechtbank zal daarom met betrekking tot het eerste kort geding de schadevergoeding beperken tot de helft van € 1.325,00, namelijk € 662,50. In de zaak die heeft geleid tot het kortgedingvonnis van 7 februari 2023 zal de rechtbank het gehele bedrag van de proceskostenveroordeling toewijzen, omdat in deze zaak alleen [eiser] eiseres was. Zij is in die zaak veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.523,75. In totaal is dus een bedrag van (€ 662,50 + € 1.523,75=) € 2.186,25 toewijsbaar.
Het beroep op voordeelstoerekening slaagt niet
4.32.
Het beroep van [gedaagden] op voordeelstoerekening (artikel 6:100 BW Pro) slaagt niet, omdat zij hun beroep onvoldoende hebben onderbouwd. Zij stellen dat [eiser] kan profiteren van een waardestijging, omdat het pand nu beduidend meer waard is dan het bedrag dat [gedaagden] destijds heeft geboden. Deze stelling is echter niet onderbouwd en [eiser] heeft dit betwist. Zij heeft onder meer aangevoerd dat de bedrijfsruimte inmiddels voor een lager bedrag is verkocht dan het oorspronkelijke bod van [gedaagden] Dit is door [gedaagden] niet weersproken.
Slotsom
4.33.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande [gedaagden] hoofdelijk veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag aan schadevergoeding van (€ 350,00 + 1.110,31 + € 1.075,77 + 502,37 + € 2.186,25=) € 5.224,70.
4.34.
[eiser] vordert de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het schadebedrag vanaf de dag dat de schade is geleden althans vanaf 20 augustus 2024. De rechtbank zal de rente toewijzen zoals vermeld in de beslissing, omdat uit de stukken niet ten aanzien van iedere afzonderlijke post eenduidig is af te leiden wanneer de schade is geleden.
De rechtbank zal [gedaagden] in de proceskosten veroordelen
4.35.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de vordering van [eiser] voor een groot deel zal worden afgewezen, zal de rechtbank voor het liquidatietarief aansluiten bij het toe te wijzen bedrag van € 5.224,70. Zij begroot de proceskosten van [eiser] dan ook op:
- dagvaarding € 146,43
- griffierecht € 2.403,00
- salaris advocaat € 1.042,00 (2 punten × € 521,00)
- nakosten €
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.769,43
4.36.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
De rechtbank zal de veroordelingen hoofdelijk uitspreken
4.37.
De rechtbank zal de veroordelingen hoofdelijk uitspreken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
De rechtbank zal de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren
4.38.
[gedaagden] verzoeken de rechtbank om bij gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [eiser] de door haar gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad af te wijzen, omdat het belang van [gedaagden] bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij een meteen uit te voeren veroordeling. [gedaagden] komen namelijk in grote financiële problemen als ze een schadevergoeding moeten betalen zonder dat het instellen van een hoger beroep de tenuitvoerlegging schorst. De verkoop van hun woning dreigt door het door [eiser] gelegde executoriale beslag op hun woning. [eiser] betwist dat [gedaagden] in grote financiële problemen komen bij een toewijzend vonnis. Zij hebben enkel niet onderbouwd gesteld en de financiële problemen zijn geenszins gebleken.
4.39.
De rechtbank zal dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals te doen gebruikelijk. Het belang van [gedaagden] bij geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad weegt minder zwaar dan het belang van [eiser] bij een dergelijke veroordeling, temeer omdat de rechtbank het grootste deel van de vordering van [eiser] afwijst. Daar komt bij dat [gedaagden] niet voldoende hebben onderbouwd dat zij bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling in financiële problemen zullen geraken.
4.40.
Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank voor wat betreft de veroordelingen moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval in beginsel totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 5.224,70, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 20 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 3.769,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [gedaagden] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
1835

Voetnoten

1.HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:147, r.o. 3.4.2.
2.HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, r.o. 5.3.3.