Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.[gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
- Gederfde huurinkomsten: € 158.748,68 dan wel € 98.800,00;
- Hypotheeklasten: € 8.914,33;
- (Gemeentelijke) belasting en heffingen: € 4.937,17;
- Kosten nutsvoorzieningen : € 5.584,79;
- Overige kosten: € 2.213,78; en
- Kosten kort geding: € 15.066,39 dan wel € 2.848,75,
dan wel tot betaling van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de schade is geleden, althans vanaf 20 augustus 2024;
4.De beoordeling
- € 1.815,38 aan BIZ-bijdrage;
- € 2.244,89 aan onroerendezaakbelastingen (OZB);
- € 684,10 aan rioolheffingen;
- € 192,80 aan waterschapsbelasting,
- € 224,00 (0,64 x € 350,00) aan BIZ-bijdrage;
- € 46,00 aan waterschapsbelastingen;
- € 628,71 aan OZB;
- € 177,06 aan rioolheffing.
1 januari 2023 niet meer had hoeven verzekeren als zij het in december 2022 had kunnen verkopen. De gevorderde verzekeringspremie over 2022 is dus niet toewijsbaar. Van het jaar 2024 heeft [eiser] geen factuur overgelegd, zodat ook dit bedrag niet toewijsbaar is.
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)