Uitspraak
1.De procedure
- het mondelinge en schriftelijk antwoord van [gedaagde] ;
- het tussenvonnis van 24 december 2025;
- de op 15 mei 2026 van de zijde van Woonwaard ingekomen producties 11 tot en met 28.
2.De feiten
“- De aan het verzoek ten grondslag liggende bezwaren van de huurder zijn kennelijk gegrond.- De betalingsverplichting van de huurder voor de servicekosten over de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 bedraagt € 1.645,58.”
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 2.452,60 en Warmteverbruik algemene ruimte(n) van € 41,55. De overige op de jaarafrekening voorkomende posten zijn niet in geschil en behoeven geen nadere bespreking.
5.De beslissing
woensdag 8 juli 2026voor een akte aan de zijde van Woonwaard over hetgeen onder 4.5. is overwogen,