Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6518

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
15/379753-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstrafzaak wegens straatroof, geweld, belediging en verboden munitiebezit

De rechtbank Noord-Holland heeft op 3 juni 2026 uitspraak gedaan in een meervoudige jeugdstrafzaak tegen een verdachte die zich schuldig maakte aan meerdere strafbare feiten tussen september 2024 en januari 2025. De feiten betreffen onder meer een straatroof met geweld en bedreiging met een vuurwapen, diefstal gevolgd door geweld, belediging van een opsporingsambtenaar, verboden bezit van munitie en medeplegen van scooterdiefstal.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, samen met anderen, de straatroof en de diefstal met geweld heeft gepleegd. Ook het bezit van verboden munitie en de scooterdiefstal werden bewezen verklaard. De verdachte werd vrijgesproken van een afzonderlijk ten laste gelegd feit wegens onvoldoende bewijs. De rechtbank nam bij de strafoplegging de ernst van de feiten, de leeftijd van de verdachte (dertien jaar ten tijde van de feiten), zijn psychische stoornissen (ADHD en normoverschrijdende gedragsstoornis) en het recidiverisico mee.

De verdachte werd veroordeeld tot 180 dagen jeugddetentie waarvan 86 dagen onvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 80 uur. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder locatie- en contactverboden en begeleiding door de jeugdreclassering. De rechtbank kende schadevergoedingen toe aan twee benadeelde partijen en wees een vordering af wegens vrijspraak. De straf en voorwaarden zijn gericht op gedragsbeïnvloeding en recidivepreventie.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 dagen jeugddetentie deels voorwaardelijk en 80 uur werkstraf met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15/379753-24, 15/021327-25 (ttz.gev.), 15/011792-25 (ttz.gev.) en 15/179411-25 (ttz.gev.)
Uitspraakdatum: 3 juni 2026
Tegenspraak
Verkort strafvonnis(art. 138b Sv)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 2 juli 2025 en van 13 en 20 mei 2026 in de zaken tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,
thans feitelijk verblijvende op het adres [verblijfsadres] .
De rechtbank heeft ter zitting van 2 juli 2025 de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder parketnummers 15/379753-24, 15/021327-25 en 15/011792-25 zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft ter zitting van 13 mei 2026 de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder parketnummers 15/379753-24 en 15/179411-25 zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van
  • het standpunt van de officier van justitie, [officier van justitie] dat ertoe strekt dat de rechtbank de verdachte van het onder parketnummer 15/021327-25 tenlastegelegde zal vrijspreken en het onder parketnummer 15/379753-24 onder 1., 2. en 3. primair, parketnummer 15/011792-25 en parketnummer 15/179411-25 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en hem hiervoor zal veroordelen;
  • hetgeen door de verdachte en mr. J.T.H.M. Mühren, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na de ter zitting van 13 mei 2026 toegestane wijziging van de tenlastelegging, onder het
parketnummer 15/379753-24ten laste gelegd dat:

1.(hierna: feit 1)

hij op of omstreeks 17 september 2024 te Purmerend
opzettelijk een ambtenaar, te weten [de benadeelde partij 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,
in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd,
door hem de woorden toe te voegen: “Je moet je kanker bek houden, kanker mongool, met je kanker moeder”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2.(hierna: feit 2)

hij op of omstreeks 30 oktober 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
op de [openbare weg] , althans op de openbare weg,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van twee (in elk geval één) telefoon(s), twee (in elk geval één) Airpods, een jas, kleding en/of schoenen, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 2] , [de benadeelde partij 3] en/of een derde toebehoorde(n),
door die [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3]
  • te omsingelen,
  • meermalen te slaan in het gezicht en op het lichaam,
  • een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en te richten op die [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] en dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, rond te laten gaan,
  • (hierbij) te duwen tegen het lichaam van die [de benadeelde partij 2] ,
  • de woorden toe te voegen: “Geef je telefoon”, “Geef je jas”, “Geef je codes”, “Doe je kleren uit”, “Ga dansen, nu” en/of “als je naar de politie gaat, dan ga je dood”, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking,
  • die [de benadeelde partij 2] met dat vuurwapen, althans met dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp te slaan op het hoofd en op het lichaam en/of
  • te filmen met een mobiele telefoon
en/of
twee (in elk geval één) telefoon(s), twee (in elk geval één) Airpods, een jas, kleding en/of schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door die [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3]
  • te omsingelen,
  • meermalen te slaan in het gezicht en op het lichaam,
  • een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en te richten op die [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] en dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, rond te laten gaan,
  • (hierbij) te duwen tegen het lichaam van die [de benadeelde partij 2] ,
  • de woorden toe te voegen: “Geef je telefoon”, “Geef je jas”, “Geef je codes”, “Doe je kleren uit”, “Ga dansen, nu” en/of “als je naar de politie gaat, dan ga je dood”, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking,
  • die [de benadeelde partij 2] met dat vuurwapen, althans met dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp te slaan op het hoofd en op het lichaam en/of
  • te filmen met een mobiele telefoon;

3.(hierna: feit 3)

hij op of omstreeks 10 november 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een vape, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 4] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door
  • zijn armen om de nek van die [de benadeelde partij 4] te klemmen, en/of
  • die [de benadeelde partij 4] aan zijn jas/bovenlijf vast te pakken en te duwen, en/of
  • die [de benadeelde partij 4] achterover te trekken waardoor hij ten val komt, en/of
  • (terwijl het slachtoffer op de grond ligt) meermalen, althans eenmaal, die [de benadeelde partij 4] te slaan, en/of
  • (terwijl het slachtoffer op de grond ligt) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met gestrekt been teen het (boven)lichaam van die [de benadeelde partij 4] te trappen/schoppen,
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 november 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, op het [openbare weg] , in ieder geval op de openbare weg, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [de benadeelde partij 4]
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
  • het (om)klemmen van de nek van die [de benadeelde partij 4] ;
  • het vastpakken van die [de benadeelde partij 4] ;
  • het duwen en trekken aan/van die [de benadeelde partij 4] ;
  • het ten val laten komen van die [de benadeelde partij 4] ;
  • het (meermalen) slaan en schoppen tegen doe [de benadeelde partij 4] en/of het maken van slaande en schoppende bewegingen in diens richting.
Aan de verdachte is onder het
parketnummer 15/021327-25ten laste gelegd dat:
(hierna:
feit 4)
hij op of omstreeks 1 augustus 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad
opzettelijk [de benadeelde partij 5] (conducteur Nederlandse Spoorwegen), in zijn tegenwoordigheid,
door feitelijkheden, heeft beledigd, door op zijn hoofd, althans zijn lichaam, te spugen.
Aan de verdachte is onder het
parketnummer 15/011792-25ten laste gelegd dat:
(hierna:
feit 5)
hij op of omstreeks 31 oktober 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie,
te weten drie (3)(knal)patronen, van het kaliber 9mm P.A. Knall van het merk Umarex
voorhanden heeft gehad.
Aan de verdachte is onder het
parketnummer 15/179411-25ten laste gelegd dat:
(hierna:
feit 6)
hij op of omstreeks 23 januari 2025 te Purmerend , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een scooter, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 6] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Vrijspraak feit 4

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder het parketnummer 15/021327-25 (feit 4) ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De verdachte ontkent dat hij degene is geweest die naar de conducteur heeft gespuugd. Het dossier bevat verder onvoldoende aanknopingspunten waaruit afgeleid kan worden dat de verdachte degene is geweest die gespuugd heeft.

4.Beoordeling van het bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feiten 1, 2, 3 primair, 5 en 6.
4.2.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit van feiten 2 en 3 (primair en subsidiair).
De verdediging heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd wat betreft de bewezenverklaring van feiten 1, 5 en 6.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde (te weten feiten 1, 2, 3 primair, 5 en 6) heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.
4.3.2.
Bewijsmotivering feit 2
Anders dan de verdediging heeft bepleit, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier genoegzaam dat de verdachte niet alleen aanwezig was bij de straatroof, maar daar ook een wezenlijke en significante bijdrage aan heeft geleverd, gelet op het volgende.
Van de tenlastegelegde straatroof, die plaatsgevonden heeft op 31 oktober 2024 rond middernacht, zijn (uitgewerkte) beelden in het dossier aanwezig. Verder zijn er (uitgewerkte) beelden aanwezig van een portiekflat aan de [openbare weg] te Hoogvliet, die opgenomen zijn op 31 oktober 2024 (in de nacht). Op deze beelden is te zien dat acht personen rond middernacht het portiek binnenlopen en dat na een paar uur een aantal jongens de trap aflopen (vertrekken). De verdachte is door vijf verbalisanten uit zijn woonplaats herkend op de beelden van de flat (bij binnenkomst en vertrek) en de verdachte heeft zichzelf ook op de beelden van de flat geïdentificeerd. Uit deze beelden blijkt dat de verdachte bij binnenkomst zwarte bovenkleding aan heeft van het merk North Face met het logo op de linkerborst en rechterschouder en iets dat reflecterend is op de rechtermouw. Verder heeft hij aan een zwarte broek met iets lichtkleurigs op de bovenzijde van de rechter broekspijp, zwarte schoenen met wit/zwarte onderzijde en een roze/rood shirt dat onder zijn bovenkleding uitsteekt.
De politie heeft vastgesteld dat de beelden van de straatroof (bij de [openbare weg] te Hoogvliet) niet voor herkenning geschikt zijn. Wel kan worden vastgesteld dat op deze beelden (net als in de portiekflat) een groep van acht personen te zien is en van drie personen heeft de politie sterke overeenkomsten vastgesteld met personen in de portiekflat, waaronder met de verdachte. De sterke gelijkenis is bij hem vast te stellen op basis van de kleding en de schoenen. Geen van de overige zeven medeverdachten (die net als de verdachte duidelijk te zien zijn op de beelden in de portiekflat) voldoet aan dat signalement. De rechtbank ziet – anders dan is betoogd door de verdediging – geen aanleiding om te twijfelen aan deze vaststellingen en de gemaakte link daartoe naar de verdachte. Daarbij is van belang dat de verdachte heeft verklaard dat hij die avond/nacht samen was met zeven andere personen en dat zij richting de plaats van de straatroof en terug de hele tijd samen zijn geweest, in dezelfde samenstelling.
Uit het proces-verbaal van het onderzoek naar de beelden van de straatroof blijkt dat de verdachte tijdens de straatroof aanwezig was, daaraan actief deelnam, bewust en nauw met zijn medeverdachten samenwerkte en een significante bijdrage leverde aan de tenlastegelegde afpersing en diefstal en de daartoe dienstige (gewelds)handelingen. Zo blijkt daaruit dat de persoon aan wie de verdachte gelinkt kan worden, onder meer vraagt om “geef hier man”, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp duwt tegen het hoofd van een van de aangevers en daarmee een slaande beweging maakt. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dan ook dat de verdachte tijdens de straatroof niet aanwezig was, omdat hij zich daarvan zou hebben gedistantieerd.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit 2 in vereniging met anderen heeft gepleegd.
4.3.3.
Bewijsmotivering feit 3 primair
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van feit 3 primair omdat de verdachte geen opzet heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de vape en subsidiair omdat de verdachte geen significante bijdrage heeft geleverd aan de diefstal en het daartoe dienstige geweld.
De rechtbank verwerpt deze verweren en komt tot een bewezenverklaring van feit 3 primair en overweegt daartoe als volgt.
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat medeverdachte [de medeverdachte 1] aan de aangever heeft gevraagd of hij van zijn vape mocht proeven. Daarop heeft de aangever zijn vape aan medeverdachte [de medeverdachte 1] gegeven. Direct daarop heeft medeverdachte [de medeverdachte 1] tegen de aangever gezegd dat hij zijn vape niet terugkreeg en dat deze nu van hem was. Getuige [de getuige] heeft verklaard dat er – naar de rechtbank begrijpt: door medeverdachte [de medeverdachte 1] tegen de aangever – iets is gezegd in de trant van ‘dacht je dat je die vape terugkreeg ofzo’. Vervolgens heeft de aangever de vape teruggevraagd en ook fysiek geprobeerd zijn vape terug te krijgen. Op de veiliggestelde beelden van het incident is vervolgens te zien dat medeverdachte [de medeverdachte 2] met zijn armen de aangever om de nek klemt en hem naar de grond toebrengt. Direct daaropvolgend hebben de verdachte en zijn medeverdachten de aangever geslagen en geschopt en zijn zij weggegaan. Anders dan is betoogd door de verdediging blijkt uit de beelden niet dat de verdachte de aangever aan het helpen was.
De rechtbank is van oordeel dat medeverdachte [de medeverdachte 1] , op het moment dat hij de vape niet teruggaf aan de aangever en daarbij zei dat hij de vape niet terug zou krijgen, de feitelijke heerschappij over de vape had. Op grond van de uiterlijke verschijningsvorm had medeverdachte [de medeverdachte 1] van meet af aan (al ten tijde van het vragen om de vape) het oogmerk om zich de vape van de aangever wederrechtelijk toe te eigenen. Zodra hij de vape in handen had, heeft hij zich als eigenaar daarvan gedragen. Daarna is door de verdachte en zijn medeverdachten in een 3-tegen-1 verhouding fors geweld gebruikt tegen de aangever, kennelijk om ervoor te zorgen dat hij de vape niet terugkreeg, waardoor sprake is van een in vereniging gepleegde gekwalificeerde diefstal zoals primair ten laste is gelegd.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummer
15/379753-24ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1:
hij op 17 september 2024 te Purmerend
opzettelijk een ambtenaar, te weten [de benadeelde partij 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,
in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd,
door hem de woorden toe te voegen: “Je moet je kanker bek houden, kanker mongool, met je kanker moeder”;
feit 2:
hij op 30 oktober 2024 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
op de [openbare weg] ,
tezamen en in vereniging met anderen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van één telefoon, een jas, kleding en schoenen,
die aan die [de benadeelde partij 2] of [de benadeelde partij 3] toebehoorden,
door die [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3]
  • te omsingelen,
  • meermalen te slaan in het gezicht en op het lichaam,
  • een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en te richten op die [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] en dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, rond te laten gaan,
  • hierbij te duwen tegen het lichaam van die [de benadeelde partij 2] ,
  • de woorden toe te voegen: “Geef je telefoon”, “Geef je jas”, “Geef je codes”, “Doe je kleren uit” en “als je naar de politie gaat, dan ga je dood”,
  • die [de benadeelde partij 2] met dat vuurwapen, althans met dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp te slaan op het hoofd en op het lichaam
en
één telefoon en twee Airpods, die aan [de benadeelde partij 2] of [de benadeelde partij 3] toebehoorden
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich en/of een ander wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,
door die [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3]
  • te omsingelen,
  • meermalen te slaan in het gezicht en op het lichaam,
  • een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en te richten op die [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] en dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, rond te laten gaan,
  • hierbij te duwen tegen het lichaam van die [de benadeelde partij 2] ,
  • de woorden toe te voegen: “Geef je telefoon”, “Geef je jas”, “Geef je codes”, “Doe je kleren uit” en “als je naar de politie gaat, dan ga je dood”,
  • die [de benadeelde partij 2] met dat vuurwapen, althans met dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp te slaan op het hoofd en op het lichaam;
feit 3 primair:
hij op 10 november 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad,
tezamen en in vereniging met anderen, een vape, die aan [de benadeelde partij 4] toebehoorde
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd gevolgd van geweld tegen die [de benadeelde partij 4] ,
gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door
  • zijn armen om de nek van die [de benadeelde partij 4] te klemmen en
  • die [de benadeelde partij 4] aan zijn jas/bovenlijf vast te pakken en te duwen en
  • die [de benadeelde partij 4] achterover te trekken waardoor hij ten val komt en
  • terwijl het slachtoffer op de grond ligt die [de benadeelde partij 4] te slaan en
  • terwijl het slachtoffer op de grond ligt meermalen met kracht met gestrekt been tegen het (boven)lichaam van die [de benadeelde partij 4] te trappen.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer
15/011792-25ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
feit 5:
hij op 31 oktober 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie,
te weten drie (3) knalpatronen, van het kaliber 9 mm P.A. Knall van het merk Umarex
voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer
15/179411-25ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
feit 6:
hij op 23 januari 2025 te Purmerend , tezamen en in vereniging met een ander, een scooter, die aan [de benadeelde partij 6] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
15/379753-24 feit 1: eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam;
15/379753-24 feit 2: eendaadse samenloop van
afpersing, gepleegd op de openbare weg, gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd op de openbare weg en gepleegd door twee of meer verenigde personen;
15/379753-24 feit 3 primair: diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
15/011792-25: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
15/179411-25: diefstal door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

7.Motivering van de sancties

7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte veroordeeld wordt tot een jeugddetentie voor de duur van 183 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 96 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en onder de dadelijk uitvoerbare bijzondere voorwaarden die door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd, en tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat in het geval van een bewezenverklaring een voorwaardelijke jeugddetentie en onvoorwaardelijke werkstraf niet passend zijn. De verdediging heeft bepleit dat oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 94 dagen, met aftrek, en van een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 80 uren, onder de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden waarbij het contactverbod alleen ziet op de medeverdachten van feit 2 (zaak Rotterdam) een passende straf is. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.
(Meer) subsidiair is door de verdediging bepleit om oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek, waarvan 26 dagen voorwaardelijk en een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van maximaal 60 uren.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich in een periode van vier maanden schuldig gemaakt aan vijf ernstige en nare strafbare feiten.
Ernst van de feiten
Op 30 oktober 2024 heeft de verdachte zich samen met zeven medeverdachten op de openbare weg, schuldig gemaakt aan afpersing en diefstal met geweld. De verdachte en zijn medeverdachten hebben op een gewelddadige en intimiderende manier druk gezet op de slachtoffers [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] . Zo is er door onder andere de verdachte een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op de slachtoffers gericht en is het slachtoffer [de benadeelde partij 2] daar door de verdachte mee geslagen. Verder heeft één van de slachtoffers zich tijdens de afpersing moeten uitkleden en gedwongen moeten dansen, terwijl hij werd gefilmd. Door zo te handelen hebben de verdachte en medeverdachten een beangstigende en vernederende situatie voor de slachtoffers in het leven geroepen, zo blijkt ook uit hun verklaringen bij de politie. Daarbij komt dat dit soort feiten in zijn algemeen voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving zorgt.
Op 10 november 2024 was het slachtoffer [de benadeelde partij 4] op klaarlichte dag buiten een vape aan het roken. Desgevraagd leende hij deze uit aan één van de medeverdachten, die de vape zonder aanleiding niet wilde teruggeven. Toen het slachtoffer de vape terug wilde, heeft één van de medeverdachten deze bij hem weggehouden. Hierna heeft de andere medeverdachte van achteren zijn armen om de nek van het slachtoffer geklemd en hem ten val gebracht. De verdachte en zijn medeverdachten hebben niet geschroomd om fors geweld te gebruiken tegen het slachtoffer. Zij hebben hem geschopt en geslagen, ook terwijl het slachtoffer op de grond lag. Het slachtoffer heeft letsel aan het gepleegde geweld overgehouden, onder andere een scheur boven zijn wenkbrauw die gehecht moest worden op de spoedeisende hulp. Het zichtbare litteken in het gezicht van het slachtoffer herinnert hem nu nog steeds aan de nare gebeurtenis.
Daarnaast heeft de verdachte op 17 september 2024 een medewerker van de gemeentelijke handhaving beledigd, op 31 oktober 2024 (in het openbaar vervoer) knalpatronen voorhanden gehad en op 23 januari 2025 een scooterdiefstal samen met een ander gepleegd.
De strafbare feiten die de verdachte heeft gepleegd hebben materiële schade, geestelijk letsel, angst en hinder bij de slachtoffers veroorzaakt. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan. De rechtbank maakt zich ernstig zorgen over de hoeveelheid en ernst van de feiten die de destijds zeer jonge verdachte in korte tijd heeft gepleegd en het ogenschijnlijke gemak waarmee hij zich heeft ingelaten met, dan wel door anderen heeft laten meeslepen in, het plegen van deze strafbare feiten.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
  • het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 23 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig delict;
  • het Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 12 december 2025 van klinisch psycholoog [klinisch psycholoog] ;
  • het voorlichtingsrapport van 4 mei 2026 van de Raad.
Het psychologisch rapport van 12 december 2025 houdt – kort en zakelijk weergegeven –
onder meer het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een ernstige vorm van een aandachtsdeficiëntie/hyperactiviteitsstoornis (ADHD) en een normoverschrijdende gedragsstoornis. Ten tijde van feiten 1 tot met 3 en feit 5 was er sprake van beide stoornissen. Een verdere doorwerking van deze stoornissen op feiten 1 tot met 3 en feit 5 valt niet te beschrijven, gezien de ontkenning van de verdachte ten aanzien van een groot deel van die feiten. Gezien de genoemde stoornissen lijkt het passend de verdachte het tenlastegelegde, indien bewezen, in verminderde mate aan te rekenen.
Het risico op (agressief) grensoverschrijdend gedrag bij de verdachte wordt hoog ingeschat. Met name de contextuele en individuele risicofactoren zijn hoog, deels voortkomend vanuit de gediagnosticeerde ADHD. De ondersteuning vanuit het systeem is een duidelijke protectieve factor, alsmede de inmiddels ingezette hulpverlening en begeleiding vanuit Antonius en De Jeugd- & Gezinsbeschermers. Om recidive te voorkomen is het van belang dat de verdachte behandeld wordt voor de genoemde stoornissen. Zolang de ADHD onder behandeld blijft, wordt het moeilijk andere veranderingen in gang te zetten en vast te houden.
Gezien de neiging van de verdachte om zich niet aan voorwaarden te houden op momenten dat hijzelf niet direct het nut of de noodzaak ziet, naast zijn impulsieve aard, is het belangrijk dat genoemde behandeling wordt vastgelegd in een duidelijk juridisch kader. Daarnaast is het belangrijk dat sprake is van een duidelijke stok achter de deur ter voorkoming van een herhaling van strafbare feiten.
De rechtbank sluit zich aan bij deze conclusies en maakt deze tot de hare.
Gelet op de aard van de door de psycholoog geconstateerde stoornissen gaat de rechtbank ervan uit dat deze stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van feit 6, dat deze stoornissen de gedragskeuzes of gedragingen van de verdachte ook ten tijde van feit 6 hebben beïnvloed en dat ook het bewezenverklaarde feit 6 aan de verdachte in verminderde mate dient te worden toegerekend.
Het voorlichtingsrapport van de Raad van 4 mei 2026 houdt – kort en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
De verdachte is gebaat bij overzichtelijke en navolgbare consequenties. Het is van belang dat de verdachte een duidelijke relatie legt tussen de strafbare feiten, de zitting, de veroordeling en de daaropvolgende tastbare en voelbare consequentie. De Raad adviseert daarom tot oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf. Daarnaast is oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie vanuit pedagogisch opzicht van aanvullend belang en meerwaarde. Zo krijgt de verdachte de kans om te laten zien dat hij stappen kan zetten en bestaat de mogelijkheid om met hem (en zijn grillen) langdurig en op maat mee te bewegen.
De Raad adviseert de thans geldende (bijzondere) schorsingsvoorwaarden aan de verdachte als bijzondere voorwaarden op te leggen. Gezien het recidiverisico en het belang van het direct kunnen voortgaan met de reeds bij schorsing opgelegde voorwaarden, adviseert de Raad de bijzondere voorwaarden en het jeugdreclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De Raad heeft zijn advies ter zitting van 13 mei 2026 gehandhaafd en daaraan toegevoegd dat de verdachte een positieve verandering laat zien en dat hij nu op een open groep verblijft. Desondanks zijn de geadviseerde voorwaarden van locatie- en contactverbod volgens de Raad nog steeds noodzakelijk. De Raad vindt een onvoorwaardelijke jeugddetentie van een langere duur dan de duur van het voorarrest niet in het belang van de verdachte.
De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten slechts dertien jaar oud was en (afgezien van een verkeersovertreding) een first offender is. Daarbij komt dat hij een lange tijd in voorarrest heeft doorgebracht voor feiten 2 en 3. Daar heeft de rechtbank ook in zijn voordeel rekenschap van gegeven, ook al heeft dat voor een deel te maken gehad met zijn niet-nakoming van de schorsingsvoorwaarden.
Daarnaast heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn met telkens ongeveer twee maanden voor de bewezenverklaarde feiten 1, 2, 3 primair en 5 gerekend van de verhoren dan wel aanhouding.
De redelijke termijn in jeugdstrafzaken in eerste aanleg bedraagt zestien maanden. Een overschrijding daarvan kan alleen worden gerechtvaardigd in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Hiervan is in dit geval geen sprake.
Een overschrijding van de redelijke termijn is onwenselijk in jeugdstrafzaken, waar het pedagogisch aspect een centrale plaats inneemt en in het bijzonder in zaken tegen verdachten van zo’n jonge leeftijd. De rechtbank zal daarom een lagere straf opleggen dan geëist door de officier van justitie.
Ten slotte heeft de rechtbank in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij tot op heden zijn betrokkenheid bij feiten 2 en 3 primair ontkent. De verdachte geeft er hiermee onvoldoende blijk van het laakbare van zijn handelen in te zien en bereid te zijn de consequenties daarvan direct te aanvaarden.
Conclusie
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank zal daarbij bepalen dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis voor feiten 2 en 3 heeft doorgebracht, te weten 94 dagen, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Nu de verdachte op 13 november 2024 in verzekering is gesteld voor feiten waarvoor hij niet gelijktijdig met feiten 2 en 3 wordt vervolgd, laat de rechtbank de tijd die de verdachte vóór 27 november 2024 in verzekering heeft doorgebracht bij de bepaling van de aftrek buiten beschouwing.
Daarnaast acht de rechtbank:
  • verplichte begeleiding door de jeugdreclassering;
  • verplichte medewerking aan plaatsing bij en behandeling door [verblijfsadres] of een soortgelijke instelling en naleving van bijbehorende huisregels;
  • verplichte medewerking aan de door de jeugdreclassering nodig geachte hulpverlening en/of begeleiding gericht op de problematiek van de verdachte;
  • verplichting om een zinvolle dagbesteding te hebben in de vorm van onderwijs en/of een door de jeugdreclassering passend geachte dagbesteding;
  • een contactverbod met de medeverdachten;
  • een locatieverbod voor de gemeente [gemeente] ;
  • een locatiegebod met avondklok,
noodzakelijk. Voorwaarden en verplichtingen van die strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden, waarbij de verdachte zich onder elektronisch toezicht zal stellen ter (controle op de) nakoming van het locatiegebod.
De rechtbank ziet geen aanleiding tot een contactverbod met de slachtoffers, gelet op het tijdsverloop en de omstandigheid dat de slachtoffers niet kenbaar hebben gemaakt dat zij daar behoefte aan hebben.
Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden
De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten afpersing en diefstal met geweld. Gelet op het hoge recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

8.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

8.1.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 4]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 698,49 ingediend tegen de (moeder van de) verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder parketnummer 15/379753-24 onder 3. ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade van € 98,49 bestaat uit kosten van een herkansing van een examen van € 83,49 en kosten van een vape van € 15,-. De gestelde immateriële schade bedraagt € 600,-.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat die vordering geheel, hoofdelijk dient te worden toegewezen.
De verdediging heeft zich (meer subsidiair) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade van € 98,49 rechtstreeks voortvloeit uit het onder parketnummer 15/379753-24 onder 3. primair bewezenverklaarde feit. Vergoeding van de immateriële schade € 600,- komt de rechtbank ook billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.
De vordering zal dan ook als voldoende onderbouwd en onweersproken geheel worden toegewezen tot een bedrag van € 698,49, en vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een (van de) medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de moeder van de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de moeder van de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Nu de verdachte ten tijde van feit 3 primair dertien jaar oud was, wordt de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 4] geacht gericht te zijn tegen de moeder van de verdachte en kan ter zake van die vordering geen schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd.
8.2.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 200,- ingediend tegen de (moeder van de) verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder parketnummer 15/021327-25 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in die vordering wegens vrijspraak van feit 4.
Nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 15/021327-25 ten laste is gelegd, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op feit 4, kan worden ontvangen.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
8.3.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 6]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 6] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.891,33 ingediend tegen de (moeder van de) verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder parketnummer 15/179411-25 ten laste gelegde feit (feit 6) zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade van € 2.891,33 bestaat uit:
  • dagwaarde scooter € 2.150,-;
  • helm Roof Boxer € 232,40;
  • bril Hugo Boss € 250,-;
  • Gucci pet € 175,-;
  • Apple Airpods € 83,93.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele, hoofdelijke toewijzing van die vordering.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in die vordering (met uitzondering van de Gucci pet), omdat die vordering onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de Gucci pet heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat indien de dagwaarde van de gestolen scooter door de rechtbank wordt geschat, een bedrag € 150,-, althans maximaal € 500,- dient te worden toegewezen voor schadeherstel vanwege de schadebeperkingsplicht van de benadeelde partij.
Gelet op het strafdossier, de onderbouwing van de schadevordering en de toelichting daarvan ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij de vordering met betrekking tot de gestolen en beschadigde scooter en de Gucci pet voldoende heeft onderbouwd en voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de materiële schade tot een bedrag van € 2.325,-, bestaande uit:
- dagwaarde scooter € 2.150,-;
- Gucci pet € 175,-;
rechtstreeks voortvloeit uit het onder parketnummer 15/179411-25 bewezen verklaarde feit.
In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een (van de) medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de moeder van de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de moeder van de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Gelet op het strafdossier, de onderbouwing van de vordering en de toelichting en betwisting daarvan ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat de overige gestelde materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Onvoldoende aannemelijk is namelijk geworden dat de helm Roof Boxer in de buddyseat van de desbetreffende scooter past en door de verdachte en zijn medeverdachte is weggenomen. Evenmin is onvoldoende aannemelijk geworden dat de bril en Airpods ten tijde van de scooterdiefstal in het voorvak aanwezig waren en in het verlengde daarvan dat deze door de verdachte en zijn medeverdachte zijn weggenomen.
Nu de verdachte ten tijde van feit 6 dertien jaar oud was, wordt de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 6] geacht gericht te zijn tegen de moeder van de verdachte en kan ter zake van die vordering geen schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 266, 267, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht,
artikel 26 en Pro 55 van de Wet wapens en munitie.

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 15/021327-25 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 15/379753-24 onder 1., 2. en 3. primair ten laste gelegde feiten, het onder parketnummer 15/011792-25 ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 15/179411-25 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummers 15/379753-24, 15/011792-25 en 15/179411-25 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de hiervoor onder 4.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
180 dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 86 dagen,
nietten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten, en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd zal melden bij de jeugdreclassering van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd aan [adres] , op door de jeugdreclassering te bepalen tijden en plaatsen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
  • gedurende de proeftijd zijn medewerking zal verlenen aan zijn plaatsing bij en behandeling door [verblijfsadres] of een soortgelijke, door de jeugdreclassering aan te wijzen instelling, en zich aan de (huis)regels van die instelling zal houden, zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
  • gedurende de proeftijd zijn medewerking zal verlenen aan de door de jeugdreclassering nodig geachte hulpverlening en/of begeleiding gericht op de problematiek van de verdachte (te weten emotie- en agressie, trauma’s, sociale vaardigheden en identiteitsontwikkeling), zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
  • gedurende de proeftijd een zinvolle dagbesteding zal hebben in de vorm van onderwijs en/of een door de jeugdreclassering passend geachte dagbesteding;
  • gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [de medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de medeverdachte 5] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de medeverdachte 6] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de medeverdachte 7] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de medeverdachte 8] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de medeverdachte 9] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] ;
- [de medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] ,
zo lang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd zal houden aan een locatieverbod, inhoudende dat hij zich niet zal bevinden in de gemeente [gemeente] , zo lang de jeugdreclassering dit in overleg met het Openbaar Ministerie noodzakelijk acht;
- zich gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd zal houden aan een locatiegebod en een avondklok, inhoudende dat hij tussen 19:00 uur en 07:00 uur aanwezig is op zijn verblijfsadres bij [verblijfsadres] aan [adres] of een ander door de jeugdreclassering aan te wijzen verblijfsadres, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
waarbij de veroordeelde zich gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd onder elektronisch toezicht zal stellen ter (controle op de) nakoming van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden van locatieverbod en locatiegebod, zo lang de jeugdreclassering dit in overleg met het Openbaar Ministerie noodzakelijk acht. Versoepeling van de tijden van het locatiegebod is voorbehouden aan de jeugdreclassering.
Geeft opdracht aan De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Heerhugowaard, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering en kinderbeschermingsmaatregelen uitvoert tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Van rechtswege gelden voorts de voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclasseringsinstelling zo vaak en zo lang als de jeugdreclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 94 dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
80 urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 40 dagen jeugddetentie.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 4]geleden schade tot een bedrag van
€ 698,49, bestaande uit € 98,49 voor de materiële en € 600,- voor de immateriële schade, en veroordeelt de moeder van de verdachte [de moeder van de verdachte] tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 4] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de moeder van de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de moeder van de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij
[de benadeelde partij 5]niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 6]geleden materiële schade tot een bedrag van
€ 2.325,-,en veroordeelt de moeder van de verdachte [de moeder van de verdachte] tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 6] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de moeder van de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de moeder van de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. van Beek, voorzitter,
mr. S. Ok en mr. R.M. Verberne, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Hausenblasová,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 juni 2026.
Mr. Verberne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.