Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6519

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
15/146467-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 55 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor opzetverkrachting met geweld, mishandeling en meervoudige diefstallen

De rechtbank Noord-Holland heeft op 3 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een jeugdige verdachte die werd verdacht van opzetverkrachting met geweld, mishandeling en meerdere diefstallen, waaronder een gewelddadige diefstal uit een supermarkt.

De rechtbank achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en vond voldoende steunbewijs in forensisch DNA-onderzoek, letselrapportages en getuigenverklaringen. De verdediging voerde vrijspraak aan vanwege inconsistenties in de verklaring van het slachtoffer, maar dit werd verworpen. Ook het alternatieve scenario van de verdediging werd niet aannemelijk geacht.

De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van twee maanden met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 180 uur, met een subsidiaire gevangenisstraf van 90 dagen. Daarnaast werd een schadevergoeding van €3.048,11 toegewezen aan het slachtoffer. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op gericht op begeleiding en hulpverlening.

De strafrechtelijke kwalificatie betrof opzetverkrachting voorafgegaan en vergezeld van geweld, mishandeling, diefstal door meerdere personen en diefstal gevolgd door geweld en bedreiging. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming.

De uitspraak benadrukt het belang van passende begeleiding en toezicht om recidive te voorkomen en de ontwikkeling van de jeugdige verdachte te bevorderen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twee maanden voorwaardelijke jeugddetentie, 180 uur werkstraf en schadevergoeding van €3.048,11 voor opzetverkrachting met geweld, mishandeling en diefstallen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/146467-25 en 15/300722-25 (ttz.gev.)
Uitspraakdatum: 3 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis(P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 13 en 20 mei 2026 in de zaken tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie [officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Baatenburg de Jong, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder parketnummer 15/146467-25 ten laste gelegd dat:

1.(hierna: feit 1)

hij op of omstreeks 22 december 2024 te Huisduinen, gemeente Den Helder
met een persoon, te weten [de benadeelde partij 1]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
  • het (tong)zoenen van die [de benadeelde partij 1] en/of
  • het betasten van de borsten en/of vagina van die [de benadeelde partij 1] en/of
  • het bijten van (de borsten van) die [de benadeelde partij 1] en/of
  • het brengen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [de benadeelde partij 1] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [de benadeelde partij 1] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging,
door die [de benadeelde partij 1]
  • op te sluiten in de kamer en/of
  • een of meermaals te slaan en/of
  • een of meermaals (met kracht) te duwen en/of
  • een of meermaals (op/in haar borst(en)) te bijten;

2.(hierna: feit 2)

hij op of omstreeks 22 december 2024 te Huisduinen, gemeente Den Helder
[de benadeelde partij 1] heeft mishandeld, door die [de benadeelde partij 1]
  • een of meermaals te slaan en/of
  • een of meermaals (met kracht) te duwen en/of
  • een of meermaals (op/in haar borst(en)) te bijten.
Aan de verdachte is onder parketnummer 15/300722-25 ten laste gelegd dat:

1.(hierna: feit 3)

hij, op een of meer tijdstippen in de periode van 6 november 2025 t/m 7 november 2025 te Castricum
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
flessen hennessey cognac, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan de [supermarkt] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.(hierna: feit 4)

hij, op of omstreeks 9 november 2025 te Castricum
flessen hennessey cognac, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan de [supermarkt] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij
betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door:
  • die [de benadeelde partij 2] meermaals tegen het lichaam te duwen en/of bij de keel te grijpen en/of
  • meermaals een knietje in de richting van het lichaam van die [de benadeelde partij 2] te geven en/of
  • meermaals tegen die [de benadeelde partij 2] te roepen dat: "hij zijn tanden uit zijn bek ging slaan", althans woorden van een gelijke dreigende aard of strekking.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle vier ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit van feit 1, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer heeft verkracht. De verdachte ontkent dat de ten laste gelegde seksuele en geweldshandelingen hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft het slachtoffer alleen hardhandig vastgepakt om haar zijn kamer uit te werken. Volgens de verdediging moet de verklaring van de verdachte als uitgangspunt worden genomen. De belastende verklaring van het slachtoffer wekt twijfel, omdat deze inconsistenties vertoont – in het bijzonder over de volgorde van de gebeurtenissen van de desbetreffende nacht – en na sturend doorvragen door de politie tot stand is gekomen. De twijfel over de geloofwaardigheid van de verklaring van het slachtoffer is zodanig dat die verklaring niet voor het bewijs kan worden gebruikt.
Het overige bewijsmateriaal in het dossier vormt geen zelfstandig bewijs, althans geen steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster, aangezien de daarin genoemde feiten en omstandigheden eveneens passen bij de verklaring van de verdachte.
Ten aanzien van de bewezenverklaring van de overige ten laste gelegde feiten heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van alle vier ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2.
Bewijsoverweging feiten 1 en 2
Betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer
De eerste vraag die de rechtbank, gelet op het verweer van de verdediging, dient te beantwoorden is of de verklaring van het slachtoffer als betrouwbaar aangemerkt kan worden. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Het slachtoffer heeft in het informatieve gesprek en haar verhoor bij de politie namelijk uitgebreid verklaard, waarbij zij in grote lijnen en op belangrijke onderdelen eenduidig, gedetailleerd, specifiek en consistent heeft verklaard over het algehele verloop van die nacht alsmede de feiten en omstandigheden waaronder de seksuele en geweldshandelingen – zoals die ook ten laste zijn gelegd – hebben plaatsgevonden. De omstandigheid dat het slachtoffer door de politie op een sturende manier is ondervraagd, maakt haar verklaring niet onbetrouwbaar of ongeloofwaardig. Het slachtoffer heeft op deze sturende vragen namelijk gedetailleerde antwoorden gegeven en daarbij opmerkelijke details benoemd, zoals dat de verdachte door haar kleding heen op haar borst heeft gebeten, dat hij haar met twee vingers heeft gevingerd en dat hij met een deodorant bus op haar hand heeft gespoten waardoor zij blaren kreeg. Die details komen op de rechtbank authentiek over en dragen bij aan de betrouwbaarheid. Dit geldt ook voor de emoties die bij het slachtoffer zijn waargenomen op de ochtend van het incident. Zowel aangeefster [aangeefster] als getuige [getuige] verklaren dat het slachtoffer zich die ochtend groot probeerde te houden, maar dat zij zagen dat er iets aan de hand was. Uiteindelijk brak het slachtoffer waarna zij moest huilen. Zij heeft hen vervolgens verteld wat er was gebeurd en dit komt op belangrijke punten overeen met haar latere verklaring bij de politie.
Daarnaast zijn er geen indicaties dat het slachtoffer haar verklaring heeft willen aandikken. Zo zegt zij bijvoorbeeld dat de verdachte haar niet tot heel ver vingerde, een beetje, dat ze het eerst niet voelde en dat het ook ineens stopte.
De rechtbank ziet ook overigens in de verklaring, of anderszins in het dossier, geen aanwijzingen die maken dat er redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan de verklaring van het slachtoffer. De rechtbank acht de verklaring van het slachtoffer dan ook betrouwbaar en zal van de juistheid daarvan uitgaan.
Steunbewijs
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of voldaan is aan het bewijsminimum, zoals bepaald in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Anders gezegd: is er voldoende steunbewijs ter ondersteuning van de beschuldiging door het slachtoffer. In een zedenzaak als onderhavige, is niet vereist dat de handelingen waarover de aangeefster verklaart als zodanig bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen, maar is het afdoende dat die verklaring op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron. Deze bewijsmiddelen dienen voldoende steun te geven aan de verklaring van het slachtoffer. Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van het slachtoffer, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. Bovendien mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de verklaringen van het slachtoffer en het overige gebruikte bewijsmateriaal.
Het slachtoffer heeft verklaard dat zij met de verdachte in de nacht van 21 op 22 december 2024 in de kamer van de verdachte is gaan roken. Op een gegeven moment heeft de verdachte het slachtoffer op haar beide armen geslagen en heeft tegen haar gezegd dat zij niet mocht weggaan. Later heeft hij haar getongzoend. Daarna heeft hij met zijn handen in haar borsten geknepen. Vervolgens heeft hij boven en op haar borst gebeten, over haar kleding heen. Het slachtoffer bleef stil omdat ze bang was voor de verdachte. Op een later moment heeft hij haar broek en onderbroek naar beneden gedaan en twee vingers in haar vagina gebracht. Het slachtoffer heeft gezegd dat ze het niet wilde en haalde ook steeds de hand van de verdachte weg. De verdachte stopte ineens. Op enig moment heeft de verdachte met een deodorant bus op de hand van het slachtoffer gespoten, waardoor zij blaren kreeg. Hierna heeft ze hem in zijn ballen getrapt en is ze weggegaan.
De verklaring van het slachtoffer vindt steun in de letselrapportage. De forensische arts heeft bloeduitstortingen op de neus en wang, bijtwonden op de rechter borst, een kraswond op de rechter bovenarm, bloeduitstortingen op de rechter bovenarm, een bijtwond op de rechter onderarm, een brandwond op de rechter duimmuis, een bloeduitstorting op de linkerzijde van de bovenrug en bloeduitstortingen op de buitenzijde van het rechter bovenbeen van het slachtoffer geconstateerd. De forensische arts heeft geconcludeerd dat de gemelde toedracht, te weten dat het slachtoffer in het aangezicht en op de ledenmaten is geslagen en bij de borst en de pols is gebeten, zeer goed passend is bij de aangetroffen letsels. In het bijzonder zijn de bijtverwondingen patroonletsels die passend zijn bij de gegeven toedracht. De bijtwonden op de rechter borst kunnen ook niet door het slachtoffer zelf zijn toegebracht.
Verder vindt de verklaring van het slachtoffer steun in de forensische DNA-onderzoeksrapportage. Verschillende kledingstukken van het slachtoffer zijn bemonsterd, waaronder de buiten- en binnenzijde van de tailleband van de broek en de binnenzijde van de tailleband van de onderbroek. Ook is een vlek ter hoogte van de rechterborst op de hoodie van het slachtoffer bemonsterd, waarbij een aanwijzing is gevonden voor de aanwezigheid van speeksel.
Uit deze bemonsteringen van de trui en de buitenzijde van de tailleband van de broek zijn DNA-profielen verkregen, te weten een DNA-hoofdprofiel op de hoodie waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard en een afgeleid DNA-mengprofiel op de buitenzijde van de tailleband van de broek. Uit de overige hierboven genoemde bemonsteringen zijn additionele DNA-kenmerken verkregen.
Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit DNA-hoofdprofiel, het DNA-mengprofiel en de additionele DNA-kenmerken.
De rechtbank concludeert hieruit, in onderlinge samenhang bezien en met inachtneming van de rest van het dossier, dat de verdachte donor is van het celmateriaal op de hoodie, de broek en de onderbroek.
Tot slot vindt de verklaring van het slachtoffer steun in de verklaring van de getuige [getuige] en de verklaring van aangeefster [aangeefster] (pagina’s 9 en 10 van het papieren dossier). Uit beide verklaringen volgt dat zij het slachtoffer hebben gezien vlak na het incident en dat ze zagen dat er iets met haar aan de hand was. Hoewel ze zich eerst groot probeerde te houden, breekt ze uiteindelijk en vertelt hen wat er is gebeurd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hiermee is voldaan aan de toepasselijke maatstaf van steunbewijs, als genoemd in artikel 342, tweede lid, Sv.
Alternatief scenario
Door de verdediging is een alternatief scenario geschetst, inhoudende dat het slachtoffer de verdachte heeft gezoend, dat hij dat niet wilde, dat hij boos op haar is geworden omdat ze nare dingen tegen hem heeft gezegd en dat hij haar hardhandig zijn kamer heeft uitgewerkt. Een deel van het bij het slachtoffer geconstateerde letsel kan volgens de verdediging zijn ontstaan toen de verdachte het slachtoffer hardhandig heeft vastgepakt. Het DNA van de verdachte kan om dezelfde reden op de kleding van het slachtoffer zijn aangetroffen.
De rechtbank gaat hieraan voorbij, nu dit alternatieve scenario, naar het oordeel van de rechtbank, op geen enkele manier nader is onderbouwd en geen steun vindt in het dossier. Daarbij is van belang dat zijn verklaring over de gebeurtenissen van die nacht inconsistent is. Enerzijds kan hij zich namelijk vrijwel niets herinneren, anderzijds ontkent hij stellig de ten laste gelegde seksuele handelingen te hebben gepleegd. Bovendien wordt de verklaring van de verdachte weerlegd door de bewijsmiddelen, in het bijzonder de bijtwond op de borst, de brandwond op de duimmuis en het aangetroffen celmateriaal van de verdachte op de hoodie, de broek en de onderbroek van het slachtoffer.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte feiten 1 en 2 heeft begaan, zoals hierna zal worden bewezenverklaard, en dat de verdachte zich daarom schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting en mishandeling van het slachtoffer.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 15/146467-25 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 22 december 2024 te Huisduinen, gemeente Den Helder
met [de benadeelde partij 1] seksuele handelingen heeft verricht die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten
  • het tongzoenen van die [de benadeelde partij 1] en
  • het betasten van de borsten en vagina van die [de benadeelde partij 1] en
  • het bijten in de borst van die [de benadeelde partij 1] en
  • het brengen van zijn vingers in de vagina van die [de benadeelde partij 1] ,
terwijl hij wist dat bij die [de benadeelde partij 1] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door geweld, door die [de benadeelde partij 1]
  • meermaals te slaan en
  • meermaals met kracht te duwen en
  • meermaals in haar borst te bijten;
2.
hij op 22 december 2024 te Huisduinen, gemeente Den Helder
[de benadeelde partij 1] heeft mishandeld, door die [de benadeelde partij 1]
  • meermaals te slaan en
  • meermaals met kracht te duwen en
  • meermaals in haar borst te bijten.
De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 15/300722-25 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 6 november 2025 tot en met 7 november 2025 te Castricum, tezamen en in vereniging met een ander, flessen Hennessy cognac,
die aan de [supermarkt] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 9 november 2025 te Castricum, flessen Hennessy cognac, die aan de [supermarkt] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door:
  • die [de benadeelde partij 2] meermaals tegen het lichaam te duwen en bij de keel te grijpen en
  • meermaals een knietje in de richting van het lichaam van die [de benadeelde partij 2] te geven en
  • meermaals tegen die [de benadeelde partij 2] te roepen dat: “hij zijn tanden uit zijn bek ging slaan”.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
15/146467-25: eendaadse samenloop van
1. opzetverkrachting voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door geweld
en
2. mishandeling;
15/300722-25 feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
15/300722-25 feit 2: diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren en onder de dadelijk uitvoerbare bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De officier heeft ook gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
6.2.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is (subsidiair) bepleit dat aan de verdachte een lagere straf dient te worden opgelegd dan geëist.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig zedendelict, namelijk opzetverkrachting met geweld. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij door zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer en onvoldoende stil heeft gestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Dit geldt te meer nu de verdachte op verschillende manieren het lichaam van het slachtoffer is binnengedrongen, het slachtoffer op een bijzonder nare manier heeft gebeten en het slachtoffer kwetsbaar was. In zijn algemeenheid geldt dat dit soort feiten slachtoffers grote schade toebrengt, waar zij nog lang last van hebben. Dat de verkrachting ook een grote impact heeft gehad op het slachtoffer, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring.
Daarnaast heeft de verdachte meerdere keren op een brutale manier alcoholische drank gestolen bij de supermarkt. Dit heeft hij meerdere keren samen met zijn medeverdachte gedaan en een keer alleen, waarna hij op de vlucht een medewerker van de supermarkt met geweld heeft bedreigd en ook daadwerkelijk geweld tegen die medewerker heeft gepleegd.
Dit zijn ergerlijke feiten die schade en hinder veroorzaken bij de gedupeerde winkels. De verdachte heeft hiermee aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendom. Door geweld te gebruiken jegens het winkelpersoneel heeft de verdachte andermans lichamelijke integriteit geschonden en de winkelmedewerker tijdens zijn werkzaamheden en de omstanders geconfronteerd met geweld. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten niet alleen pijn en ongemak kunnen ervaren, maar nog langdurig met angstgevoelens te kampen kunnen hebben.
De rechtbank rekent de verdachte deze feiten ernstig aan.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
  • het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 7 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit;
  • het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 28 april 2026 van de Raad.
Het rapport van de Raad houdt – kort en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van hechtingsproblematiek. Hij woont al jaren niet thuis en verblijft nu bij [verblijfplaats] . Hij krijgt daar één op één begeleiding en lijkt daar zijn plek te hebben gevonden. Vanwege de ontkennende houding van de verdachte kan de Raad geen inschatting maken van het recidiverisico van seksueel delictgedrag. Het algemeen recidiverisico wordt als hoog geschat en het dynamisch risicoprofiel als midden.
De verdachte heeft geen dagbesteding en geen gestructureerde vrijetijdsbesteding. Hij gaat al jaren niet naar school. Hij is makkelijk beïnvloedbaar en het ontbreekt hem aan intrinsieke motivatie en inzicht in eigen gedrag om aan zichzelf te werken. De verdachte lijkt geweld als manier te zien om dingen op te lossen en zijn emotie-regulatie heeft aandacht nodig. Er zijn zorgen over zijn middelen- en alcoholgebruik. De Raad ziet dit allemaal als risicofactoren en vindt het zeer belangrijk dat hiervoor aandacht is in de begeleiding van de verdachte.
De Raad adviseert de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie en een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Daarnaast vindt de Raad begeleiding door de jeugdreclassering passend, zodat in kaart gebracht kan worden of er nog andere en/of aanvullende hulpverlening voor de verdachte nodig is en om zijn begeleiding een verplicht karakter te geven.
De Raad heeft zijn advies ter zitting gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
Omdat het om ernstige feiten gaat, is ook een goede delictbespreking nodig. Indien de verdachte voor het zedendelict wordt veroordeeld, is het de vraag of [verblijfplaats] hem het nodige kan bieden. Daarom is het belangrijk dat de jeugdreclassering regie voert en beziet of en waar het nodige geboden moet worden. De Raad vindt het verder belangrijk dat de geadviseerde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard zodat de jeugdreclassering direct kan starten, ook als het recidiverisico dankzij het verblijf bij [verblijfplaats] thans als midden wordt ingeschat.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Daarnaast acht de rechtbank verplichte medewerking van de verdachte aan de door de jeugdreclassering nodig geachte hulpverlening, begeleiding en/of behandeling, gericht op de hechtingsproblematiek van de verdachte, zijn agressie- en/of emotieregulatie, zijn middelen- en alcoholgebruik, zijn seksuele ontwikkeling en de delictbespreking, noodzakelijk. Ook de verplichting om een zinvolle, door de jeugdreclassering passend geachte, dagbesteding te zoeken acht de rechtbank noodzakelijk. Voorwaarden en verplichtingen van die strekking zullen aan de voorwaardelijk op te leggen straf worden verbonden.
Ook is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.
De rechtbank zal daarbij bepalen dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, te weten één (1) dag, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor de dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één (1) dag jeugddetentie, in mindering wordt gebracht.
De rechtbank is van oordeel dat in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd en de positieve ontwikkelingen sinds zijn plaatsing bij [verblijfplaats] , en in het tijdsverloop sinds de pleegdata van de bewezen verklaarde feiten, grond is gelegen enigszins af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd.
Ten nadele van de verdachte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte door zijn houding ervan blijk gegeven heeft het laakbare van zijn handelen niet in te (willen) zien.
Gelet op de positieve ontwikkelingen, de hulpverlenging vanuit [verblijfplaats] die in het vrijwillige kader is ingezet en het recidiverisico dat thans als midden wordt geschat, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om de bijzondere voorwaarden en het jeugdreclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.048,11 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder parketnummer 15/146467-25 onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit de immateriële schade van € 8.000,- en de materiele schade (reiskosten) van € 48,11.
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van die vordering.
De verdediging heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat de immateriële schade tot een lager bedrag dient te worden toegewezen, omdat bij het slachtoffer sprake is van eerdere problematiek en kwetsbaarheid en omdat het onduidelijk is welke emotionele schade aan de verdachte kan worden toegerekend.
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade van € 48,11 voor de reiskosten rechtstreeks voortvloeit uit de onder parketnummer 15/146467-25 onder 1. en 2. bewezen verklaarde feiten. Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 3.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering, het verhandelde ter terechtzitting en de Rotterdamse schaal.
In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 3.048,11.
Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente:
  • over een bedrag van € 48,11 vanaf 16 april 2026, zijnde de dag waarop deze schadepost is opgetreden, tot aan de dag der algehele voldoening;
  • over de immateriële schade van € 3.000,- vanaf 22 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feiten 1 en 2 bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: opzetverkrachting met geweld en mishandeling) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 243, 300, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 15/146467-25 onder 1. en 2. en onder parketnummer 15/300722-25 onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de hiervoor onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
twee (2) maanden, met bevel dat deze straf
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
  • gedurende de proeftijd zijn medewerking zal verlenen aan de door de jeugdreclassering nodig geachte hulpverlening, begeleiding en/of behandeling, gericht op de hechtingsproblematiek van de verdachte, zijn agressie- en/of emotieregulatie, zijn middelen- en alcoholgebruik, zijn seksuele ontwikkeling en op de delictbespreking, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht;
  • gedurende de proeftijd een zinvolle, door de jeugdreclassering passend geachte dagbesteding zal zoeken, zo lang de jeugdreclassering dat nodig acht.
Geeft opdracht aan De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Heerhugowaard, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering en kinderbeschermingsmaatregel uitvoert tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Van rechtswege gelden voorts de voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclasseringsinstelling zo vaak en zo lang als de jeugdreclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt verdachte tot het verrichten van
180 urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 90 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 3.048,11, bestaande uit € 48,11 voor de materiële en € 3.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor onder 7. vermeld, aan [de benadeelde partij 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.048,11, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor onder 7. vermeld, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagenjeugddetentie.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Ok, voorzitter,
mr. J. van Beek en mr. R.M. Verberne, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Hausenblasová,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 juni 2026.
Mr. Verberne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.