3.3.2.Bewijsoverweging feiten 1 en 2
Betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer
De eerste vraag die de rechtbank, gelet op het verweer van de verdediging, dient te beantwoorden is of de verklaring van het slachtoffer als betrouwbaar aangemerkt kan worden. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Het slachtoffer heeft in het informatieve gesprek en haar verhoor bij de politie namelijk uitgebreid verklaard, waarbij zij in grote lijnen en op belangrijke onderdelen eenduidig, gedetailleerd, specifiek en consistent heeft verklaard over het algehele verloop van die nacht alsmede de feiten en omstandigheden waaronder de seksuele en geweldshandelingen – zoals die ook ten laste zijn gelegd – hebben plaatsgevonden. De omstandigheid dat het slachtoffer door de politie op een sturende manier is ondervraagd, maakt haar verklaring niet onbetrouwbaar of ongeloofwaardig. Het slachtoffer heeft op deze sturende vragen namelijk gedetailleerde antwoorden gegeven en daarbij opmerkelijke details benoemd, zoals dat de verdachte door haar kleding heen op haar borst heeft gebeten, dat hij haar met twee vingers heeft gevingerd en dat hij met een deodorant bus op haar hand heeft gespoten waardoor zij blaren kreeg. Die details komen op de rechtbank authentiek over en dragen bij aan de betrouwbaarheid. Dit geldt ook voor de emoties die bij het slachtoffer zijn waargenomen op de ochtend van het incident. Zowel aangeefster [aangeefster] als getuige [getuige] verklaren dat het slachtoffer zich die ochtend groot probeerde te houden, maar dat zij zagen dat er iets aan de hand was. Uiteindelijk brak het slachtoffer waarna zij moest huilen. Zij heeft hen vervolgens verteld wat er was gebeurd en dit komt op belangrijke punten overeen met haar latere verklaring bij de politie.
Daarnaast zijn er geen indicaties dat het slachtoffer haar verklaring heeft willen aandikken. Zo zegt zij bijvoorbeeld dat de verdachte haar niet tot heel ver vingerde, een beetje, dat ze het eerst niet voelde en dat het ook ineens stopte.
De rechtbank ziet ook overigens in de verklaring, of anderszins in het dossier, geen aanwijzingen die maken dat er redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan de verklaring van het slachtoffer. De rechtbank acht de verklaring van het slachtoffer dan ook betrouwbaar en zal van de juistheid daarvan uitgaan.
Steunbewijs
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of voldaan is aan het bewijsminimum, zoals bepaald in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Anders gezegd: is er voldoende steunbewijs ter ondersteuning van de beschuldiging door het slachtoffer. In een zedenzaak als onderhavige, is niet vereist dat de handelingen waarover de aangeefster verklaart als zodanig bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen, maar is het afdoende dat die verklaring op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron. Deze bewijsmiddelen dienen voldoende steun te geven aan de verklaring van het slachtoffer. Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van het slachtoffer, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. Bovendien mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de verklaringen van het slachtoffer en het overige gebruikte bewijsmateriaal.
Het slachtoffer heeft verklaard dat zij met de verdachte in de nacht van 21 op 22 december 2024 in de kamer van de verdachte is gaan roken. Op een gegeven moment heeft de verdachte het slachtoffer op haar beide armen geslagen en heeft tegen haar gezegd dat zij niet mocht weggaan. Later heeft hij haar getongzoend. Daarna heeft hij met zijn handen in haar borsten geknepen. Vervolgens heeft hij boven en op haar borst gebeten, over haar kleding heen. Het slachtoffer bleef stil omdat ze bang was voor de verdachte. Op een later moment heeft hij haar broek en onderbroek naar beneden gedaan en twee vingers in haar vagina gebracht. Het slachtoffer heeft gezegd dat ze het niet wilde en haalde ook steeds de hand van de verdachte weg. De verdachte stopte ineens. Op enig moment heeft de verdachte met een deodorant bus op de hand van het slachtoffer gespoten, waardoor zij blaren kreeg. Hierna heeft ze hem in zijn ballen getrapt en is ze weggegaan.
De verklaring van het slachtoffer vindt steun in de letselrapportage. De forensische arts heeft bloeduitstortingen op de neus en wang, bijtwonden op de rechter borst, een kraswond op de rechter bovenarm, bloeduitstortingen op de rechter bovenarm, een bijtwond op de rechter onderarm, een brandwond op de rechter duimmuis, een bloeduitstorting op de linkerzijde van de bovenrug en bloeduitstortingen op de buitenzijde van het rechter bovenbeen van het slachtoffer geconstateerd. De forensische arts heeft geconcludeerd dat de gemelde toedracht, te weten dat het slachtoffer in het aangezicht en op de ledenmaten is geslagen en bij de borst en de pols is gebeten, zeer goed passend is bij de aangetroffen letsels. In het bijzonder zijn de bijtverwondingen patroonletsels die passend zijn bij de gegeven toedracht. De bijtwonden op de rechter borst kunnen ook niet door het slachtoffer zelf zijn toegebracht.
Verder vindt de verklaring van het slachtoffer steun in de forensische DNA-onderzoeksrapportage. Verschillende kledingstukken van het slachtoffer zijn bemonsterd, waaronder de buiten- en binnenzijde van de tailleband van de broek en de binnenzijde van de tailleband van de onderbroek. Ook is een vlek ter hoogte van de rechterborst op de hoodie van het slachtoffer bemonsterd, waarbij een aanwijzing is gevonden voor de aanwezigheid van speeksel.
Uit deze bemonsteringen van de trui en de buitenzijde van de tailleband van de broek zijn DNA-profielen verkregen, te weten een DNA-hoofdprofiel op de hoodie waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard en een afgeleid DNA-mengprofiel op de buitenzijde van de tailleband van de broek. Uit de overige hierboven genoemde bemonsteringen zijn additionele DNA-kenmerken verkregen.
Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit DNA-hoofdprofiel, het DNA-mengprofiel en de additionele DNA-kenmerken.
De rechtbank concludeert hieruit, in onderlinge samenhang bezien en met inachtneming van de rest van het dossier, dat de verdachte donor is van het celmateriaal op de hoodie, de broek en de onderbroek.
Tot slot vindt de verklaring van het slachtoffer steun in de verklaring van de getuige [getuige] en de verklaring van aangeefster [aangeefster] (pagina’s 9 en 10 van het papieren dossier). Uit beide verklaringen volgt dat zij het slachtoffer hebben gezien vlak na het incident en dat ze zagen dat er iets met haar aan de hand was. Hoewel ze zich eerst groot probeerde te houden, breekt ze uiteindelijk en vertelt hen wat er is gebeurd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hiermee is voldaan aan de toepasselijke maatstaf van steunbewijs, als genoemd in artikel 342, tweede lid, Sv.
Alternatief scenario
Door de verdediging is een alternatief scenario geschetst, inhoudende dat het slachtoffer de verdachte heeft gezoend, dat hij dat niet wilde, dat hij boos op haar is geworden omdat ze nare dingen tegen hem heeft gezegd en dat hij haar hardhandig zijn kamer heeft uitgewerkt. Een deel van het bij het slachtoffer geconstateerde letsel kan volgens de verdediging zijn ontstaan toen de verdachte het slachtoffer hardhandig heeft vastgepakt. Het DNA van de verdachte kan om dezelfde reden op de kleding van het slachtoffer zijn aangetroffen.
De rechtbank gaat hieraan voorbij, nu dit alternatieve scenario, naar het oordeel van de rechtbank, op geen enkele manier nader is onderbouwd en geen steun vindt in het dossier. Daarbij is van belang dat zijn verklaring over de gebeurtenissen van die nacht inconsistent is. Enerzijds kan hij zich namelijk vrijwel niets herinneren, anderzijds ontkent hij stellig de ten laste gelegde seksuele handelingen te hebben gepleegd. Bovendien wordt de verklaring van de verdachte weerlegd door de bewijsmiddelen, in het bijzonder de bijtwond op de borst, de brandwond op de duimmuis en het aangetroffen celmateriaal van de verdachte op de hoodie, de broek en de onderbroek van het slachtoffer.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte feiten 1 en 2 heeft begaan, zoals hierna zal worden bewezenverklaard, en dat de verdachte zich daarom schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting en mishandeling van het slachtoffer.