Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6614

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
11408462 \ CV EXPL 24-3104
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Richtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid prijswijzigingsbeding in algemene voorwaarden leaseovereenkomst

BMW Financial Services Nederland B.V. vordert betaling van een openstaande hoofdsom en rente van een gedaagde die niet is verschenen. In een tussenvonnis was het prijswijzigingsbeding in de algemene voorwaarden voorlopig als oneerlijk beoordeeld, waarna de eisende partij een akte heeft ingediend ter onderbouwing.

De kantonrechter beoordeelt ambtshalve het beding opnieuw en concludeert dat het beding niet oneerlijk is. Het beding koppelt prijsverhogingen aan objectieve en controleerbare indices van BOVAG en CBS, die de onderhoudskosten van het voertuig weerspiegelen. Dit maakt het beding transparant en begrijpelijk voor de consument.

Verder is het niet onredelijk dat de consument bij prijsindexering geen opzeggingsrecht heeft, conform de geldende uitzonderingen. De gevorderde hoofdsom en rente worden toegewezen, maar de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen vanwege eerdere overwegingen over het incassokostenbeding.

De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente en proceskosten, waarbij de kosten van de akte voor rekening van de eisende partij blijven. Het vonnis is verstekvonnis en uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het prijswijzigingsbeding is niet oneerlijk en de gevorderde hoofdsom en rente worden toegewezen, incassokosten afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 11408462 \ CV EXPL 24-3104
Uitspraakdatum: 4 juni 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
BMW Financial Services Nederland B.V.
te Breda
de eisende partij
gemachtigde: mr. H.J.M. Hofman
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De verdere procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 12 maart 2026 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het in het daarin voorshands uitgesproken oordeel over de oneerlijkheid van het prijswijzigingsbeding in de overeenkomst en de algemene voorwaarden. De eisende partij heeft daartoe een akte genomen.

2.De verdere beoordeling

Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.1.
De eisende partij stelt zich in de akte op het standpunt dat het prijswijzigingsbeding niet oneerlijk is. Zij voert aan dat de eventuele prijsverhogingen op grond van dit beding objectiveerbaar en controleerbaar zijn omdat deze zijn gekoppeld aan de gemiddelde stijging van de lonen en prijzen bij garagebedrijven. Bovendien is het redelijk dat deze kosten worden doorbelast aan de klant omdat deze samenhangen met het gebruik van het voertuig.
2.2.
Dit betoog slaagt. Het beding geeft de eisende partij, samengevat, de mogelijkheid om de leaseprijs te wijzigen bij een stijging van de reparatie- en onderhoudskosten van meer dan 3% per jaar. Voor de berekening van de reparatie- en onderhoudskosten wordt in het beding aangeknoopt bij de desbetreffende indices van de BOVAG en het CBS. De eisende partij is gebonden aan de hoogte daarvan. Naar het oordeel van de kantonrechter vormt de mogelijkheid om eventuele prijsstijgingen bij garagebedrijven voor het onderhoud van de auto, hetgeen – zoals de eisende partij terecht aanvoert – rechtstreeks van invloed is op de kosten van het gebruik van het voertuig, een geldige reden voor prijswijziging.
2.3.
De kantonrechter ziet aanleiding om terug te komen op het in het tussenvonnis voorshands gegeven oordeel dat het beding niet transparant is. Door de in het beding opgenomen gebondenheid van de eisende partij aan de relevante indices van de BOVAG en het CBS is het voor een consument voldoende mogelijk om de economische gevolgen van de toepassing van het beding voor zijn verplichtingen in te schatten. Ook de economische redenen voor de toepassing hiervan, namelijk eventuele snel gestegen onderhoudskosten, zijn duidelijk en begrijpelijk. Anders dan in het tussenvonnis overwogen leidt de omstandigheid dat er, bij gebreke aan verstrekking van deze gegevens door de BOVAG en het CBS, wordt aangeknoopt bij niet nader gespecificeerde ‘vergelijkbare gegevens’ er niet zonder meer toe dat het beding onvoldoende transparant is. Hierbij neemt de kantonrechter in overweging dat de kans dat geen van beide instanties deze gegevens zullen publiceren, gering is. Daarnaast strekt het te ver om de eisende partij te verplichten om alle eventuele scenario’s en haar reactie daarop uitputtend in het beding te beschrijven. Daarmee is het beding voldoende duidelijk en begrijpelijk geformuleerd.
2.4.
Anders dan in het tussenvonnis is overwogen, leidt de omstandigheid dat niet is gebleken dat de consument bij toepassing van het beding een mogelijkheid heeft om de overeenkomst op te zeggen, evenmin tot een ander oordeel. Voor deze verplichting geldt immers een uitzondering voor bedingen van prijsindexering, hetgeen in dit geval aan de orde is. [1] Al met al ziet de kantonrechter hierin aanleiding om terug te komen op het in het tussenvonnis voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van het beding en komt tot de conclusie dat het beding niet oneerlijk is. Het beding zal dan ook in stand worden gelaten.
Wat is toewijsbaar?
2.5.
De gevorderde hoofdsom en rente worden toegewezen, omdat deze vorderingen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden, gelet op hetgeen in het tussenvonnis over de oneerlijkheid van het incassokostenbeding is overwogen, afgewezen.
2.6.
De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor het opstellen van de akte komen echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten was dat het nodig was om deze kosten te maken.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 1.090,39, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.084,17 vanaf 1 november 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 114,71;
griffierecht € 328,00;
salaris gemachtigde € 144,00;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Art. 3 lid Pro 3, gelezen in verbinding met nummer 1 onder l, en nummer 2 onder d van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.