ECLI:NL:RBNHO:2026:6617

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/15/377372 / JU RK 26-646 en C/15/377373 / JU RK 26-647 en C/15/377374 / JU RK 26-648
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:113 BWArt. 8 Brussel IIArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige kinderen

De zaak betreft verzoeken tot verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen, waarbij de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting optreedt. De kinderen verblijven in een jeugdhulpaccommodatie en een pleeggezin vanwege ernstige zorgen over hun veiligheid en ontwikkeling.

De moeder heeft een licht verstandelijke beperking en kan onvoldoende structuur en bescherming bieden, terwijl de vader door niet-aangeboren hersenletsel beperkt belastbaar is. De kinderen hebben cognitieve kwetsbaarheden en hebben intensieve begeleiding nodig. De GI heeft onvoldoende regie gevoerd en geen zicht gehouden op de kinderen, wat de kinderrechter als een kwalijke zaak beoordeelt.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk zijn vanwege de ernstige ontwikkelingsbedreiging en het ontbreken van voldoende vrijwillige hulpverlening. Voor twee kinderen wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot het bereiken van meerderjarigheid, met een geleidelijke terugplaatsing naar de moeder. Voor het jongste kind wordt de machtiging met vier maanden verlengd en wordt nader onderzoek naar terugkeer naar huis bevolen.

De verzoeken van de moeder en vader om afwijzing worden verworpen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen met voorwaarden voor terugplaatsing en nader onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummers: C/15/377372 / JU RK 26-646 en C/15/377373 / JU RK 26-647 en C/15/377374 / JU RK 26-648
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
hierna tezamen ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. J.J. Stobbe uit Utrecht,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. V.J.M.H.Y. van Haaster uit Haarlem,
hierna tezamen ook te noemen: de ouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift voor [de minderjarige 2] (in de zaak met zaaknummer C/15/377372 / JU RK 26-646), met bijlagen, ontvangen op 24 april 2026;
  • het verzoekschrift voor [de minderjarige 1] (in de zaak met zaaknummer C/15/377373 / JU RK 26-647), met bijlagen, ontvangen op 24 april 2026;
  • het verzoekschrift voor [de minderjarige 3] (in de zaak met zaaknummer C/15/377374 / JU RK 26-648), met bijlagen, ontvangen op 24 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De moeder en de vader zijn ter zitting bijgestaan door een tolk in de Franse taal.
1.4.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld door de kinderrechter gehoord te worden, maar hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De moeder is belast met het gezag over [de minderjarige 3] .
2.2.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ( [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ). [de minderjarige 3] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 14 mei 2020 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en duurt nog tot 14 mei 2026.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 10 oktober 2024 is een machtiging tot
uithuisplaatsing van de kinderen verleend. Bij beschikking van de kinderrechter van
27 januari 2025 is het verzoek tot het (verder) verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] afgewezen. Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor [de minderjarige 3] verleend tot 14 mei 2025.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 14 mei 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] bij een crisispleeggezin verlengd. Bij beschikking van 27 mei 2025 zijn de machtigingen tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ) en een pleeggezin (ten aanzien van [de minderjarige 3] ) verlengd tot 14 mei 2026.
2.6.
Bij beschikking van de kinderrechter van 10 februari 2026 is de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers (die het toezicht uitvoerde) vervangen door de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot het bereiken van zijn meerderjarigheid. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te verlengen voor de duur van één jaar. Verder verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van één jaar, waarvan nu zes maanden worden toegewezen en de beslissing op de resterende verzoeken worden aangehouden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van de verzoeken heeft de GI het volgende naar voren gebracht.
3.2.
De ontwikkelingsbedreiging van de kinderen hangt samen met hun eigen cognitieve kwetsbaarheid, eerdere ervaringen van onveiligheid en het ontbreken van structurele opvoedingsmogelijkheden bij de ouders. De moeder toont weliswaar betrokkenheid bij en liefde voor haar kinderen, maar heeft door haar verstandelijke beperking structureel moeite met overzicht, emotieregulatie, het stellen van grenzen en het aanvoelen van signalen van de kinderen. Haar draagkracht is beperkt. De moeder is onvoldoende in staat de kinderen de noodzakelijke structuur en bescherming te bieden. De vader is door zijn niet-aangeboren hersenletsel ook beperkt belastbaar en kan momenteel geen actieve of veilige rol in de opvoeding vervullen. Er moet nader onderzoek plaatsvinden met betrekking tot de (actuele) veiligheidsaspecten.
3.3.
[de minderjarige 1] heeft een verstandelijke beperking en is afhankelijk van duidelijke structuur, voorspelbaarheid en intensieve begeleiding. Hij heeft ondersteuning nodig bij school en stage, zijn sociale – en seksuele ontwikkeling en bij zijn emotieregulatie. [de minderjarige 1] verblijft momenteel bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , maar deze plek wordt slechts tot juni 2026 gefinancierd en is niet structureel ingekocht. Hierdoor bestaat onzekerheid over de voortzetting van de plaatsing vanuit de Jeugdwet. In de komende periode moet regie worden gevoerd op het organiseren van een passende en duurzame vervolgplek en om de noodzakelijke 18-pluszaken voor [de minderjarige 1] zorgvuldig voor te bereiden en te regelen.
3.4.
[de minderjarige 2] heeft ook een verstandelijke beperking. Hij is zeer beïnvloedbaar en heeft moeite met het reguleren van zijn emoties en het overzien van de gevolgen van zijn gedrag. Hij heeft intensieve begeleiding nodig bij school, dagstructuur, sociale weerbaarheid en zijn seksuele ontwikkeling. [de minderjarige 2] verblijft net als [de minderjarige 1] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Zijn perspectief is op dit moment nog niet helder. De GI wil in de komende zes maanden zicht krijgen op de veiligheid, het opvoed- en verblijfsperspectief van [de minderjarige 1] en de benodigde zorg/begeleiding. Ook moeten de omgang met de ouders en de invulling van de ouderrollen op afstand worden gestructureerd. Daarna moet een toetsmoment door de rechtbank volgen.
3.5.
[de minderjarige 3] heeft een belaste voorgeschiedenis. In de periode voorafgaand aan haar
uithuisplaatsing was sprake van onvoldoende basiszorg, gebrekkige hygiëne, onvoldoende
voeding en beperkte emotionele beschikbaarheid van volwassenen. Dit heeft invloed gehad
op haar sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling en maakt haar extra gevoelig voor
spanning en veranderingen. [de minderjarige 3] verblijft momenteel in een pleeggezin van Kenter
Jeugdhulp, waar zij zichtbaar tot rust komt, veilige hechtingssignalen laat zien en profiteert
van structuur, voorspelbaarheid en nabijheid. Hoewel haar ontwikkeling in het pleeggezin
positief verloopt, heeft [de minderjarige 3] blijvend behoefte aan bescherming, co‑regulatie en een
stabiele opvoedplek. Veranderingen en contactmomenten met de moeder kunnen bij haar
spanningsreacties oproepen. Een terugplaatsing naar de moeder zou [de minderjarige 3] opnieuw
overvragen en brengt een reëel risico mee op schade aan haar verdere ontwikkeling. Ook voor [de minderjarige 3] is het perspectief nog niet formeel vastgesteld. De GI acht het noodzakelijk om in de komende zes maanden nader onderzoek te doen naar haar veiligheid en ontwikkelingsbehoeften en om haar perspectief duidelijk vast te stellen. Ook moeten de omgang met de ouders en de invulling van de ouderrollen op afstand worden gestructureerd. Daarna moet een toetsmoment door de rechtbank volgen.

4.De standpunten

4.1.
Namens de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij de zorgen van de GI niet herkent. De kinderen hebben het thuis goed thuis en zij willen ook graag terug naar huis komen. De moeder ontkent hulpverlening in het verleden te hebben geweigerd. Met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] heeft de moeder regelmatig contact; zij komen drie à vier keer per week bij de moeder langs. [de minderjarige 3] ziet de moeder (te) weinig. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben gezegd dat het thuis niet perfect is, maar zij zijn het liefst bij de moeder. [de minderjarige 1] wordt over twee maanden al meerderjarig, de mogelijkheid bestaat dat hij dan weer bij zijn moeder gaat wonen. De moeder is van mening dat zij geen hulp nodig heeft. Door de GI is niet onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor terugkeer van [de minderjarige 3] naar de moeder, terwijl [de minderjarige 3] gewoon weer thuis kan wonen. Namens de moeder is daarom verzocht de verzoeken af te wijzen. Mocht het toch tot een verlenging komen, dan is de moeder van mening dat een onderzoek naar terugplaatsing met opvoedondersteuning het doel voor de komende periode moet zijn.
4.2.
Namens de vader is ter zitting aangegeven dat hij zich aansluit bij het standpunt van de moeder. De vader had zijn hoop gevestigd op de GI, gezien hun expertise, maar het is spijtig dat niets is gebeurd. De vader is van mening dat de moeder een goede moeder is en zij goed voor de kinderen kan zorgen. De verzoeken dienen dan ook te worden afgewezen.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Door de omstandigheid dat de ouders en de kinderen de Ivoriaanse
nationaliteit hebben, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter
rechtsmacht heeft met betrekking tot de verzoeken. Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:113 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang gelezen met artikel 8 Brussel Pro II ter rechtsmacht toe en kan de rechter een oordeel geven over de verzoeken.
5.2.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is in deze zaken. Op
grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht
van toepassing op de verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van de kinderen wordt nog steeds ernstig bedreigd. Sinds 2020 bestaan al zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder. De zorgen zijn gelegen in de emotionele beschikbaarheid voor de kinderen, het voldoende stimuleren om de kinderen tot ontwikkeling te laten komen en het geven van structuur, regels en grenzen. Ook zijn zorgen over fysiek geweld richting de kinderen en de basale zorg voor [de minderjarige 3] . Bij de moeder is sprake van een licht verstandelijke beperking en door de hulpverlening wordt gezien dat tips en adviezen onvoldoende worden opgevolgd door de moeder. Uit het dossier blijkt dat het geen onwil is, maar onmacht. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat in de thuissituatie meer emotionele stabiliteit komt en de moeder beter aan kan sluiten bij de opvoedbehoeften van de kinderen.
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Er zijn immers diverse hulpverleningstrajecten ingezet, maar dit heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd. De moeder herkent de zorgen die de GI heeft niet en blijkt onvoldoende in staat om de hulpverlening effectief te accepteren.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] voor de duur van zijn minderjarigheid en de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voor de duur van een jaar.
De kinderrechter ziet geen aanleiding een extra toetsmoment in te lassen voor de ondertoezichtstelling voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] nu voldoende duidelijk is geworden dat de moeder structureel hulp en ondersteuning nodig heeft bij de opvoeding.
5.7.
Ter zitting is gebleken dat vrijwel direct na de overdracht van de ondertoezichtstelling aan de huidige GI, de betrokken jeugdbeschermers door ziekte zijn uitgevallen. In de periode daarna is door de GI bijna geen regie gevoerd en – afgezien van het continueren van de huidige verblijfplaatsen van de kinderen – geen hulp ingezet. De GI heeft daardoor onvoldoende zicht verkregen op de fysieke maar ook emotionele veiligheid van de kinderen. Desgevraagd heeft de GI ter zitting contact opgenomen met [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en is de GI zo te weten gekomen dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zelf contact opnemen met de moeder en zij regelmatig bij de moeder langsgaan. Ook is desgevraagd ter zitting gebleken dat [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] hier van op de hoogte is, maar dat niemand dit monitort of anderszins in de gaten houdt. Ook dat wist de GI niet. De rechtbank acht dit een zeer kwalijke zaak. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn uithuisgeplaatst in verband met zorgen over hun (emotionele) veiligheid thuis. Het is dan onbegrijpelijk dat deze kwetsbare jongens, terwijl voor de GI niet duidelijk was dat de thuissituatie kennelijk was veranderd, ongecontroleerd naar huis kunnen. De kinderrechter acht het daarnaast een kwalijke zaak dat [de minderjarige 1] al bijna achttien jaar is, zijn plek bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] maar tot juni 2026 wordt gefinancierd en tot op heden geen aanvraag is gedaan voor een vervolgplek.
5.8.
Vaststaat dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] regelmatig bij hun moeder thuis zijn. Ook vanuit [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] komen daar geen al te grote zorgen over naar voren. De jongens zijn inmiddels zestien en bijna achttien jaar oud. Voor de kinderrechter is duidelijk dat de GI feitelijk geen uitvoering heeft gegeven aan de kinderbeschermingsmaatregelen. Desondanks, doen de jongens het relatief goed bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en gaan ze gewoon naar school. De jongens hadden veel baat kunnen hebben bij een GI die in hun belang de regie had gepakt en de nodige hulpverlening voor hen had ingezet, zodat zij zich steviger hadden kunnen ontwikkelen tot jongvolwassenen. Dat is helaas niet gebeurd. Inmiddels voelen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zich kennelijk veilig genoeg om naar huis te gaan en met de moeder te verblijven en van de GI hoeft de komende tijd geen actievere rol te worden verwacht. Onder deze omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gestructureerd, maar in een rustig tempo, volledig bij de moeder moeten worden teruggeplaatst. De uithuisplaatsing van zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] is nu nog in hun belang [2] , maar zal worden toegewezen tot
[datum] , totdat [de minderjarige 1] meerderjarig is. Gedurende deze periode is het aan de GI om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] rustig aan naar huis te begeleiden. De kinderrechter gaat ervan uit dat de GI dit serieus en voortvarend zal oppakken. De resterende termijn van het verzoek voor [de minderjarige 2] zal worden afgewezen.
5.9.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] is ook noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [de minderjarige 3] is een jong meisje en zij heeft andere ontwikkelingsbehoeften dan haar oudere broers. [de minderjarige 3] heeft in de thuissituatie onvoldoende basale verzorging gehad en de ouders zijn onvoldoende emotioneel beschikbaar geweest voor haar. Dit heeft invloed gehad op haar sociaal- emotionele ontwikkeling en cognitieve ontwikkeling. Hoewel het verblijf van [de minderjarige 3] in het pleeggezin kennelijk stabiel en rustig is, heeft de GI daar onvoldoende zicht op. Daarbij komt dat de moeder ter zitting heeft aangegeven [de minderjarige 3] graag (meer) te willen zien. De kinderrechter acht het van belang dat onderzocht wordt of terugkeer naar huis in het belang van [de minderjarige 3] is en zo ja hoe een terugkeer van [de minderjarige 3] naar huis eruit zou kunnen zien en wat daarvoor nodig is. De kinderrechter is van oordeel dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige 3] – mits in het belang van [de minderjarige 3] – zo snel mogelijk moet worden uitgebreid en daar structuur in aangebracht moet worden. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige 3] is eenmaal in de drie weken omgang met de moeder te weinig. Daarnaast dient bekeken te worden of traumatherapie voor [de minderjarige 3] ingezet kan worden, zodat zij geholpen kan worden gebeurtenissen uit het verleden te verwerken. De kinderrechter ziet daarom aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] met vier maanden te verlengen en de resterende termijn van het verzoek aan te houden. De kinderrechter verwacht uiterlijk een week voor de nieuwe zittingsdatum door de GI te worden geïnformeerd over de huidige stand van zaken ten aanzien van de omgang, de opbouw en of een terugplaatsing van [de minderjarige 3] bij de moeder in haar belang is.
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige 1]tot [datum] ;
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige 2]en
[de minderjarige 3]tot
14 mei 2027;
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 1] en
[de minderjarige 2]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot [datum] ;
6.4.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 3]in pleeggezin tot 14 september 2026;
6.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af het meer of anders verzochte voor [de minderjarige 2] ;
6.7.
houdt de behandeling van het verzoek voor [de minderjarige 3] voor het overige aan
tot een nader te bepalen zitting in de eerste helft van september 2026in het gerechtsgebouw De Appelaar te Haarlem;
6.8.
bepaalt dat de GI de kinderrechter uiterlijk een week voor de zitting schriftelijk zal informeren over de actuele stand van zaken ten aanzien van de omgang, de opbouw en of een terugplaatsing van [de minderjarige 3] bij de moeder in haar belang is.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. Boon als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.