Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6620

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
HAA 26/2493
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom rijksmonument

Verzoeker heeft een last onder dwangsom opgelegd gekregen van €172.000,- vanwege het niet in stand houden van een rijksmonument. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om invordering van de dwangsom en executiemaatregelen te voorkomen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat bij financiële geschillen spoedeisend belang niet snel aanwezig is, omdat het bedrag na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden terugbetaald met rente. Verzoeker stelde dat executiemaatregelen en derdenbeslag op inkomsten en aandelen dreigen, wat financieel nadeel zou veroorzaken.

Echter is niet gebleken dat sprake is van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood. Het verzoek om meer tijd om kapitaal vrij te maken is onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en omdat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2493

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr.drs. H.J.M. van Schie),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wormerland, het college
(gemachtigde: mr. J.E. Hamann).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende het beroep tegen de aan hem opgelegde last onder dwangsom van 5 februari 2025 van in totaal € 172.000,- in verband met het niet in stand houden van het rijksmonument aan de [adres] in [plaats] .
1.1.
Het college heeft met het besluit van 5 februari 2025 de last onder dwangsom van in totaal € 172.000,- opgelegd. Met het bestreden besluit van 8 juli 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter op 1 mei 2026 verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening, in verband met de invordering van de dwangsom en de daarna getroffen executiemaatregelen door het college.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert hierover aan dat het college, in verband met het invorderingsbesluit, executiemaatregelen heeft getroffen en derdenbeslag heeft laten leggen op zijn inkomsten die hij ontvangt van [bedrijf] B.V. Ook dreigt beslag en executie op zijn aandelen wat groot financieel nadeel zal brengen, terwijl het bestreden besluit nog niet onherroepelijk is. Verzoeker stelt dat hem voldoende tijd moet worden gegund om kapitaal op een verantwoorde wijze vrij te maken.
4. Uit wat verzoeker heeft aangevoerd blijkt niet dat sprake is van een dreigende onomkeerbare situatie, dan wel acute financiële nood. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat de door hem genoemde executiemaatregelen hem daadwerkelijk in een acute financiële noodsituatie brengen. Dat hij meer tijd zou willen om eventueel kapitaal vrij te maken, is onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen.
5. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. Ook is het in beroep bestreden besluit niet evident onrechtmatig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.