De rechtbank Noord-Holland heeft op 4 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats, die op 28 maart 2026 te Castricum diverse winkelgoederen van Dekamarkt heeft weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen. De verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend, waarna de rechtbank dit wettig en overtuigend bewezen verklaarde.
De rechtbank kwalificeerde het bewezenverklaarde als diefstal en stelde vast dat er geen omstandigheden waren die de wederrechtelijkheid of strafbaarheid uitsloten. De verdachte heeft een uitgebreid strafblad met meerdere veroordelingen voor overlastgevende feiten, vermogens- en geweldsdelicten, en vertoont een patroon van recidive, mede veroorzaakt door dakloosheid, alcohol- en psychische problematiek.
De officier van justitie vorderde een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van één jaar zonder aftrek van voorarrest. De verdediging verzocht afwijzing van deze maatregel om de verdachte de kans te geven zelfstandig naar Polen terug te keren. De rechtbank sloot zich aan bij het reclasseringsadvies en oordeelde dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel passend en geboden is, mede omdat de verdachte geen concreet terugkeerplan heeft en geen reëel minder ingrijpend alternatief bestaat.
De ISD-maatregel is opgelegd voor één jaar, met als doel de recidive te beëindigen en een zachte landing bij repatriëring naar Polen te faciliteren. De rechtbank besloot de duur van de maatregel niet te verkorten met de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De uitspraak werd gewezen door mr. J.F. van Halderen, mr. J.M. Jongkind en mr. S.J. Riem.