Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.[eiser 1],
2.
[eiser 2],
3.
[eiser 3],
1.[gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
2.De feiten
- haar (niet geregistreerd) partner, de heer [erflater] (hierna: erflater), onder ontbindende voorwaarde van zijn overlijden, en
- [gedaagden], ieder voor gelijke delen (de verwachters), onder opschortende voorwaarde van het overlijden van erflater.
- erflater bevoegd is over het vermogen van erflaatster (hierna: het bezwaard vermogen) te beschikken en daarop in te teren;
- erflater binnen (drie maanden na het opleggen van de definitieve aanslag erfbelasting) een boedelbeschrijving moet opmaken van het bezwaard vermogen en deze aan [gedaagden] moet overhandigen;
- erflater verplicht is het bezwaard vermogen afzonderlijk van zijn overige vermogen te administreren en te beleggen;
- [gedaagden] recht hebben op inzage van de aangifte en de aanslag erfbelasting, voor zover deze betrekking hebben op het bezwaard vermogen.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Het gaat om de vraag of wanneer tot de nalatenschapsschulden ook de schulden horen uit belastingen die terzake van het openvallen van de nalatenschap worden geheven, deze integraal uit de nalatenschap moeten worden voldaan zodat de erfgenaam die meer successierecht is verschuldigd dan de ander daarmee per saldo voordeliger uit is. Het bestempelen van een schuld tot nalatenschapsschuld heeft vooral tot gevolg dat de schuld verhaald kan worden op de goederen van de nalatenschap - dat staat in artikel 3:192 BW Pro - zulks met inachtneming van de uit de wet voortvloeiende rangorde van de nalatenschapsschulden. Bijvoorbeeld: de vordering van een legitimaris gaat boven die van een legataris. Evenzo zijn aanspraken van een gewone schuldeiser van de erflater als nalatenschapsschuldeiser weer sterker dan die van een legitimaris. Sommige nalatenschapsschulden hebben slechts betrekking op een of enkele van de erfgenamen. Zo kunnen successierechten voor elk der erfgenamen een ander bedrag belopen. Ook is het mogelijk dat een schuld uit een legaat niet op alle erfgenamen rust maar dat slechts een der erfgenamen met dat legaat belast is. Bij het bepalen van het aandeel van de erfgenamen in de goederen van de nalatenschap wordt rekening gehouden met dat verschil bij het bepalen van ieders aandeel. Schulden die op de gezamenlijke erfgenamen rusten, kunnen gewoon ieder voor zijn deel in mindering worden gebracht op ieders aandeel in de goederen. Successierechten en andere schulden die op een der erfgenamen rusten, komen slechts in mindering op het aandeel van de desbetreffende erfgenaam in de nalatenschapsgoederen. Dit systeem ligt ten grondslag zowel aan het huidige erfrecht als aan het komende erfrecht van het nieuwe Boek 4. Degene die meer successierecht is verschuldigd dan de andere erfgenamen is dus per saldo niet voordeliger uit.”
verhaaldop goederen uit de nalatenschap. Dat betekent niet dat ook de draagplicht rust op de nalatenschap, in plaats van op de belastingplichtige erfgenaam.
vooral” in de geciteerde passage uit de wetgeschiedenis, blijkt dat artikel 4:7 lid 1 sub e BW Pro niet alleen een verhaalsmogelijkheid regelt, maar ook de nalatenschap als draagplichtige voor de erfbelasting aanwijst. Daarin krijgen zij geen gelijk. Dat betoog is namelijk niet te rijmen met het voorbeeld dat in de geciteerde passage in de wetgeschiedenis wordt uitgewerkt. Als de nalatenschap draagplichtig zou zijn voor de erfbelasting (en dus niet belastingplichtige erfgenaam), zou er immers geen reden zijn om de erfbelasting uitsluitend in mindering te brengen op het aandeel van de betreffende belastingplichtige erfgenaam, maar zou de erfbelasting in mindering strekken op het aandeel van iedere deelgenoot gelijkelijk. De omstandigheid dat bij het bepalen van het aandeel van de erfgenamen in de nalatenschap rekening wordt gehouden met het feit dat de erfbelasting voor elk van de erfgenamen een ander bedrag kan belopen, vormt juist een (sterke) aanwijzing dat draagplicht voor de erfbelasting rust op de betreffende belastingplichtige erfgenaam.
aandeelvan de betreffende erfgenaam in de nalatenschap en dus niet op de erfgenaam zelf. Ook hierin volgt de rechtbank [eisers] niet. Dat de erfbelasting in het door de wetgever genoemde voorbeeld in mindering wordt gebracht op het aandeel van de belastingplichtige erfgenaam, heeft immers (juist) tot gevolg dat de erfbelasting uiteindelijk wordt gedragen door de betreffende erfgenaam. Uit dit voorbeeld kan dus niet worden afgeleid dat de belastingplichtige erfgenaam niet zelf draagplichtig is. De geciteerde passage uit wetgeschiedenis bevat daarvoor ook geen andere aanknopingspunten. De uitdrukkelijke opmerking in de wetgeschiedenis dat artikel 4:7 lid 1 sub e BW Pro vooral tot gevolg heeft dat de belastingschuld
verhaaldkan worden op de nalatenschap, en de vermelding dat de belastingschulden “
op een der erfgenamen rusten”,wijzen op het tegendeel.
nietverkleinen.
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)