ECLI:NL:RBNHO:2026:67

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
HAA 25/5625 en HAA 25/5624
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor het verkrijgen van een chauffeurskaart

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland, gedateerd op 7 januari 2026, wordt de weigering van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om aan eiser een verklaring omtrent het gedrag (VOG) te verlenen voor het verkrijgen van een chauffeurskaart bij Kiwa Register B.V. behandeld. Eiser is het niet eens met deze weigering en heeft beroep ingesteld, vergezeld van een verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat de staatssecretaris de VOG terecht heeft geweigerd. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het beroep ongegrond is verklaard.

Het procesverloop toont aan dat eiser op 13 juni 2025 een aanvraag voor een VOG heeft ingediend, maar dat de staatssecretaris op basis van justitiële documentatie heeft besloten om de aanvraag te weigeren. Eiser heeft meerdere strafbare feiten op zijn naam staan, waaronder verkeersdelicten, die volgens de staatssecretaris een risico voor de samenleving opleveren. De voorzieningenrechter concludeert dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd dat de belangen van de samenleving zwaarder wegen dan die van eiser.

De voorzieningenrechter benadrukt dat de staatssecretaris de recente strafbare feiten en het risico op herhaling in de belangenafweging heeft betrokken. Eiser heeft weliswaar zijn persoonlijke situatie uiteengezet, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat de bescherming van de samenleving voorop staat. De uitspraak bevestigt dat de staatssecretaris geen VOG aan eiser heeft hoeven verstrekken, en dat er geen aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/5625 en HAA 25/5624
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 januari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Cras),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. R.P. Stehouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering om aan eiser een verklaring omtrent het gedrag (VOG) te verlenen voor het verkrijgen van een chauffeurskaart bij Kiwa Register B.V. (Kiwa). Eiser is het niet eens met deze weigering. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de VOG heeft mogen weigeren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.
2.1.
Eiser heeft op 13 juni 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG waarbij is aangegeven dat het gaat om het specifieke screeningsprofiel 65: taxibranche; chauffeurskaart.
2.2.
De dienst Justis heeft de aanvraag namens de staatssecretaris behandeld en de justitiële documentatie van eiser opgevraagd bij de Justitiële informatiedienst.
2.3.
Bij brief van 11 juli 2025 heeft de staatssecretaris eiser in kennis gesteld van de ontvangen justitiële informatie en op grond daarvan aangegeven dat eiser mogelijk geen VOG zal krijgen. Eiser heeft op 23 juli 2025 zijn zienswijze hieromtrent kenbaar gemaakt.
2.4.
Op 7 oktober 2025 heeft de staatssecretaris besloten om niet over te gaan tot verlening van de gevraagde VOG (het primaire besluit). Eiser heeft op 31 oktober 2025 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
2.5.
Op 1 december 2025 heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
2.6.
Op 4 december 2025 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.7.
De staatssecretaris heeft op 17 december 2025 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
Op 19 december 2025 heeft eiser zijn gronden van beroep aangevuld.
2.9.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
2.10.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep. [1]

Beoordeling

Het bestreden besluit

3.
3.1.
De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat er sprake is van strafbare feiten die, indien herhaald als taxichauffeur, een risico voor de samenleving opleveren. Er is daarom volgens de staatssecretaris voldaan aan het objectieve criterium dat moet worden gehanteerd bij de toetsing van een weigering van een aangevraagde VOG.
3.2.
De staatssecretaris heeft verder overwogen dat het tijdsverloop sinds eiser in aanraking is gekomen met justitie relatief kort is, dat eiser meerdere strafbare feiten op zijn naam heeft (binnen en buiten de terugkijktermijn van vijf jaar), dat sprake is van een herhaling van verkeersfeiten en dat het daarbij niet om lichte strafbare feiten gaat. De betreffende feiten zijn bovendien bij uitstek onverenigbaar met de functie van taxichauffeur. Voor de beoordeling van het tijdsverloop gaat de staatssecretaris uit van de data van de strafbeschikkingen en niet van de pleegdata. De staatssecretaris heeft eisers leeftijd en belangen bij het verkrijgen van een VOG meegewogen. Eiser moet echter volgens de staatssecretaris voordat hem (opnieuw) een VOG wordt verleend eerst voor een langere periode laten zien dat hij niet meer met justitie in aanraking komt. De staatssecretaris is daarom ook subjectief toetsend tot het oordeel gekomen dat de belangen van de samenleving bij weigering van de VOG zwaarder dienen te wegen dan eisers belangen bij verlening.
3.3.
De staatssecretaris heeft daarom besloten om geen VOG te verlenen.
Het toetsingskader
4.1.
Op grond van artikel 35 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt de afgifte van een VOG geweigerd als de aanvrager van de VOG voorkomt in de justitiële documentatie en sprake is van een strafbaar feit dat, als het zou worden herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.
4.2.
Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de staatssecretaris de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 (de beleidsregels). In de beleidsregels is bepaald dat als een aanvrager voorkomt in het JDS de staatssecretaris aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is.
4.3.
Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt de staatssecretaris of de justitiële gegevens, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Is daarvan sprake, dan zal de aanvraag in beginsel worden afgewezen. De onderhavige aanvraag is beoordeeld op basis van het screeningsprofiel voor de taxibranche; chauffeurskaart. Voor de toetsing aan dit screeningsprofiel geldt een terugkijktermijn van vijf jaren.
4.4.
Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang van de aanvrager bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG toch afgegeven. Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. In de belangenafweging wordt rekening gehouden met de hoeveelheid antecedenten, de strafrechtelijke afdoening daarvan en de mate van tijdsverloop.
De informatie uit het Justitieel Documentatie Systeem (JDS)
Op het op 21 november 2025 gedateerde uittreksel van het JDS staat onder andere het volgende:
- Bij strafbeschikking van 25 oktober 2025 is aan eiser een geldboete van € 360,- opgelegdwegens het overtreden van artikel 81, vijfde lid, van het Besluit personenvervoer 2000. Hiertegen is op 17 november 2025 verzet ingesteld
.- Bij strafbeschikking van 10 september 2024 is aan eiser een geldboete van € 720,- opgelegd wegens het overschrijden van de maximumsnelheid.
- Bij strafbeschikking van 2 april 2024 is eiser het opvolgen aanwijzingen van een instantie voor de duur van 24 uren opgelegd wegens het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs is gevorderd en nog niet is teruggegeven.
- Bij strafbeschikking van 12 december 2023 is aan eiser een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 109 dagen en een geldboete van
€ 1150,- opgelegd wegens het overschrijden van de maximumsnelheid.
- Bij strafbeschikking van 9 mei 2023 is aan eiser een geldboete van € 650,- opgelegd wegens het als bestuurder onverzekerd rijden.
- Bij strafbeschikking van 22 januari 2021 is aan eiser een geldboete van € 390,- opgelegd wegens het overschrijden van de maximumsnelheid.
- Bij strafbeschikking van 13 november 2020 is aan eiser een geldboete opgelegd van
€ 300,- wegens schuldheling.
Standpunten van partijen
Eiser
6.1.
Eiser betwist, behoudens het gestelde overtreden van artikel 81, vijfde lid, van het Besluit personenvervoer 2000, de aan de weigering ten grondslag gelegde antecedenten niet. Ook betwist eiser niet dat toetsing aan het objectieve criterium binnen de terugkijktermijn van vijf jaar leidt tot de conclusie dat de VOG in beginsel geweigerd dient te worden. De voorzieningenrechter gaat daar bij de beoordeling van het beroep daarom van uit.
6.2.
Volgens eiser heeft de staatssecretaris de VOG ten onrechte niet met toepassing van het subjectieve criterium toegekend. Eiser stelt dat het risico gelet op het hierna volgende in voldoende mate is afgenomen om toewijzing van de VOG te rechtvaardigen.
6.3.
Hij wijst er op dat hij ten tijde van de pleegdata jonger dan 23 jaar was en dat hij daardoor de gevolgen van zijn handelen niet goed heeft kunnen overzien. Door het voornemen van Kiwa in 2023 om zijn chauffeurskaart in te trekken is eiser duidelijk geworden dat zijn verkeersgedrag kon leiden tot verlies van zijn chauffeurspas, zijn onderneming en zijn volledige inkomen. Hierna is hij bewuster en verantwoordelijker gaan rijden en heeft hij een cursus van het CBR gevolgd en afgerond. Dit volgt ook uit zijn strafblad. De laatste onbetwiste pleegdatum is van juli 2023; dat is tweeënhalf jaar geleden, over de helft van de terugkijktermijn dus. De recidive ligt gelet hierop ver genoeg in het verleden. Eiser heeft na het bericht van Kiwa een nieuwe VOG aangevraagd. Deze is toen geweigerd. Vervolgens heeft eiser niets meer van Kiwa vernomen. Tot oktober 2025 heeft hij met zijn chauffeurskaart zonder problemen zijn werk kunnen verrichten. Toen is bij een algemene politiecontrole gebleken dat zijn chauffeurskaart niet meer geldig was. Een bericht van Kiwa daarover heeft hem kennelijk niet bereikt waardoor hij van de daadwerkelijke ongeldigverklaring van zijn pas niet op de hoogte was. Dit mag hem niet worden tegengeworpen. Hij heeft dan ook verzet ingesteld tegen de in verband daarmee bij strafbeschikking opgelegde boete.
6.4.
Eiser wijst er daarnaast op dat de feiten licht zijn afgedaan. Er zijn uitsluitend strafbeschikkingen uitgevaardigd, wat erop duidt dat ook volgens het OM sprake was van relatief geringe ernst. In vrijwel alle zaken is gekozen voor de laagste strafmodaliteit, namelijk een geldboete. Verder is slechts sprake van één rijontzegging. Het betreft dan ook geen ernstige delicten. Er is geen sprake van een delictspatroon op basis waarvan gesteld kan worden dat eiser een risico zal zijn tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden. De continue controle en screening leidt nu bij eiser tot integer en verantwoordelijk rijgedrag.
6.5.
Eiser stelt tot slot dat de staatssecretaris zijn persoonlijke belangen onvoldoende heeft meegewogen. Hij is vastberaden geen verkeersovertredingen meer te begaan. Hij ziet in wat voor risico’s hij heeft genomen en hoeveel er op het spel is komen te staan. Hij is sinds 2021 als ZZP’er volledig afhankelijk van zijn werkzaamheden en inkomsten als taxichauffeur. Hij heeft investeringen gedaan. Als hij geen VOG kan overleggen blijft hij met enorme schulden achter. Hij kan dan ook niet meer aan zijn vaste lasten en de getroffen betalingsregelingen voldoen. Ook zijn woonlasten (en die van zijn zieke moeder) kan hij niet meer betalen. Er zullen schulden bijkomen. Eiser heeft geen andere relevante diploma’s of werkervaring, waarmee hij over kan stappen naar een andere branche.
De staatssecretaris
7.1.
De staatssecretaris heeft eisers leeftijd bij de besluitvorming betrokken en daarin geen aanleiding gezien om toch een VOG te verstrekken. Toegelicht is dat het beleid voorziet in een kortere terugkijktermijn (2 jaar) indien op het moment van de aanvraag de leeftijd van 23 jaar nog niet is bereikt. Daar voldoet eiser echter niet aan. Verder acht de staatssecretaris het contact met justitie nog te recent om te oordelen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen. Hierbij is toegelicht dat het laatste (vermoedelijk) gepleegde strafbare feit absoluut onverenigbaar is met het doel waarvoor de VOG is aangevraagd, maar dat ook de andere recente, daarmee niet te verenigen, feiten nog te kort geleden zijn. Eiser zal voor een langere tijd moeten laten zien dat hij zich onthoudt van het plegen van strafbare feiten.
7.2.
De staatssecretaris stelt voorts dat het, anders dan eiser stelt, niet om lichte strafbare feiten gaat. Toegelicht is dat snelheidsovertredingen pas in het JDS worden opgenomen als er meer dan 30 km per uur te hard gereden wordt. Er zijn daarbij ook forse straffen opgelegd. Ook voor het onverzekerd rijden heeft eiser een niet lichte straf gekregen. Dit heeft de staatssecretaris zwaar laten meewegen.
7.3.
De staatssecretaris heeft ten aanzien van de door eiser gestelde belangen gewezen op de mogelijkheid om werk te verrichten waarvoor geen VOG nodig is of waarvoor geen diploma’s of relevante werkervaring vereist zijn. Vermeld is dat eiser ook niet voorgoed is uitgesloten van het verkrijgen van de gevraagde VOG. Tijdsverloop zal in eisers voordeel kunnen gaan werken als hij zich verder onthoudt van het plegen van strafbare feiten en als doorslaggevende factor kunnen gaan meewegen.
Oordeel voorzieningenrechter
8.
8.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd dat ook aan het subjectieve criterium wordt voldaan. De staatssecretaris heeft alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging betrokken.
8.2.
De staatssecretaris heeft daarbij mogen meewegen dat het nog maar kort geleden is dat eiser met justitie in aanraking is gekomen. De strafbeschikking van 25 oktober 2025 is zelfs van na de onderhavige aanvraag van 13 juni 2025 en de voorlaatste boete dateert van slechts negen maanden voor de aanvraag. Ook heeft de staatssecretaris zwaar mogen laten wegen dat er herhaaldelijk sprake is geweest van verkeersdelicten en dat de door eiser begane feiten ook forse overschrijdingen van de maximumsnelheid betreffen, die niet licht zijn afgedaan. Daarnaast is daarbij terecht van belang geacht dat sprake is geweest van het rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd alsmede van onverzekerd rijden, welke strafbare feiten evenmin licht zijn afgedaan. Gevolgd kan worden dat voornoemde strafbare feiten bij uitstek onverenigbaar zijn met de functie van taxichauffeur. Dat eiser vastberaden is geen verkeersovertredingen meer te begaan is een goede ontwikkeling. Echter, zoals hiervoor overwogen, is de zogenoemde recidivevrije periode nog te kort om de kans op herhaling reeds als gering in te schatten. De staatssecretaris heeft van eiser mogen verlangen dat hij dit nog voor een langere tijd volhoudt.
8.3.
De voorzieningenrechter begrijpt dat afgifte van de VOG voor eiser van (groot) belang is. De staatssecretaris heeft echter wel de bescherming van de samenleving belangrijker kunnen vinden dan de persoonlijke situatie van eiser. Daarbij heeft de staatssecretaris er terecht op gewezen dat niet is gebleken dat er geen andere mogelijkheden voor eiser zijn om in zijn inkomen te kunnen voorzien. Eiser kan immers ook op zoek naar werk waarvoor geen VOG is vereist.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit houdt stand. Dat betekent dat de staatssecretaris geen VOG aan eiser heeft hoeven verstrekken. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.