ECLI:NL:RBNHO:2026:6725

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/15/378776 / JU RK 26-894
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:113 BWArt. 1:257 BWArt. 1:265b BWArt. 7 Verordening Brussel-II-terArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die een belast verleden heeft en kampt met ernstige problemen zoals drugsgebruik en onttrekking aan ouderlijk toezicht.

De kinderrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat Nederlands recht van toepassing is. Gezien de acute en ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en het ontbreken van grip van de ouders, is een ondertoezichtstelling noodzakelijk.

Daarnaast is het in het belang van de verzorging en opvoeding dat de minderjarige uit huis wordt geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt voor vier weken verleend en de beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De behandeling van het verzoek wordt verder aangehouden en een zitting wordt gepland.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht en verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing met onmiddellijke werking.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/378776 / JU RK 26-894
Datum uitspraak: 5 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , [land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[ouder 1],
hierna te noemen: [ouder 1] ,
wonende in [woonplaats] ,
[ouder 2],
hierna te noemen: [ouder 2] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna samen te noemen: de ouders.
de gecertificeerde instelling
Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Haarlem.

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 5 juni 2026.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is door de ouders geadopteerd.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont bij zijn ouders.

3.Het verzoek

De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
Door de omstandigheid dat [ouder 2] en [de minderjarige] Brits burger zijn en [ouder 1] Burger van de Bondsrepubliek Duitsland is, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen. [1]
4.2.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Al jarenlang zijn er zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Hij kent een zeer belast verleden, hij heeft moeite met emotieregulatie en is kwetsbaar omdat hij het lastig vindt om sociale situaties goed in te schatten. Hoewel [de minderjarige] nog wel geregeld aanwezig is op school (in verband met het eten dat daar wordt gegeven), volgt hij al geruime tijd geen onderwijs. [de minderjarige] gebruikt verschillende soorten verdovende middelen, hij onttrekt zich aan het toezicht van zijn ouders door geen tot nauwelijks contact met hen te hebben en al bijna een maand niet meer thuis te slapen. Er zijn zorgen over de contacten die [de minderjarige] heeft op straat; dat hij omgaat met jongeren die zich in het criminele circuit bevinden. [de minderjarige] slaapt op plekken als maatschappelijke opvang, waar hij niet altijd kan blijven. Hierdoor slaapt hij ook op plekken als de sportschool en op straat. De ouders hebben geen grip meer op de situatie, niet op [de minderjarige] en niet op zijn drugsgebruik. Het is noodzakelijk dat hij op een passende plek gaat verblijven en zijn veiligheid kan worden gewaarborgd.
4.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [2] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
4.5.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [3]
4.6.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.8.
De Raad, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , [land] , voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 5 juni 2026 tot 5 september 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , [land] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 juni 2026 tot 3 juli 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.5.
roept de Raad, de GI en de ouders op voor de zitting van mr. F.W. van Dongen op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank, De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
5.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.7.
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 door
mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier, en op schrift gesteld op 8 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open. [4]

Voetnoten

1.Artikel 10:113 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 7 van Pro de Verordening Brussel-II-ter
2.Artikel 1:257 BW Pro.
3.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
4.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).