Uitspraak
[gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een geschil over de afwikkeling van een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte tussen eiser en de huurders, gedaagde 1 en gedaagde 2. De huurovereenkomst was verlengd tot februari 2025, maar partijen sloten een beëindigingsovereenkomst om deze vroegtijdig te beëindigen per 21 februari 2025. Daarbij werd onder meer een huurachterstand vastgesteld en afspraken gemaakt over verrekening met de waarborgsom en betaling van makelaarskosten.
Eiser vordert betaling van een bedrag van € 1.648,97 aan huurachterstand en makelaarskosten, verminderd met de waarborgsom, en daarnaast schadevergoeding voor achtergelaten goederen, achterstallig onderhoud aan de cv-installatie en roldeur, en een betaling aan het Waterschap. Gedaagde 1 voert verweer, onder meer over de makelaarskosten en onderhoud, terwijl gedaagde 2 niet is verschenen en verstek is verleend.
De kantonrechter oordeelt dat de vorderingen van eiser grotendeels toewijsbaar zijn. De huurachterstand en makelaarskosten worden toegewezen tot € 1.648,97, de schadevergoeding tot € 2.117,43 en de betaling aan het Waterschap tot € 78,56. Ook worden buitengerechtelijke incassokosten van € 509,40 toegewezen. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken, zodat beide huurders aansprakelijk zijn voor het volledige bedrag.
Daarnaast worden de proceskosten toegewezen aan eiser, waarbij gedaagde 1 en 2 hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het griffierecht, de betekening, een deel van het salaris van de gemachtigde en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde 1 en 2 worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 3.844,96, incassokosten en proceskosten na beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte.