ECLI:NL:RBNHO:2026:6739

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
K/4101/12016461
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 lid 3 RvArt. 6:96 lid 2 BWArt. 139 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke veroordeling huurders tot betaling huurachterstand, makelaarskosten en schadevergoeding bedrijfsruimte

De zaak betreft een geschil over de afwikkeling van een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte tussen eiser en de huurders, gedaagde 1 en gedaagde 2. De huurovereenkomst was verlengd tot februari 2025, maar partijen sloten een beëindigingsovereenkomst om deze vroegtijdig te beëindigen per 21 februari 2025. Daarbij werd onder meer een huurachterstand vastgesteld en afspraken gemaakt over verrekening met de waarborgsom en betaling van makelaarskosten.

Eiser vordert betaling van een bedrag van € 1.648,97 aan huurachterstand en makelaarskosten, verminderd met de waarborgsom, en daarnaast schadevergoeding voor achtergelaten goederen, achterstallig onderhoud aan de cv-installatie en roldeur, en een betaling aan het Waterschap. Gedaagde 1 voert verweer, onder meer over de makelaarskosten en onderhoud, terwijl gedaagde 2 niet is verschenen en verstek is verleend.

De kantonrechter oordeelt dat de vorderingen van eiser grotendeels toewijsbaar zijn. De huurachterstand en makelaarskosten worden toegewezen tot € 1.648,97, de schadevergoeding tot € 2.117,43 en de betaling aan het Waterschap tot € 78,56. Ook worden buitengerechtelijke incassokosten van € 509,40 toegewezen. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken, zodat beide huurders aansprakelijk zijn voor het volledige bedrag.

Daarnaast worden de proceskosten toegewezen aan eiser, waarbij gedaagde 1 en 2 hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het griffierecht, de betekening, een deel van het salaris van de gemachtigde en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde 1 en 2 worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 3.844,96, incassokosten en proceskosten na beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 12016461 \ CV EXPL 25-4902
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. S. Zorluözpinar,
tegen
1.
[gedaagde 1],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij
procederend in persoon,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij
niet verschenen.
Partijen worden hierna genoemd: [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 maart 2026
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben vanaf 1 maart 2020 van [eiser] bedrijfsruimte gehuurd aan [adres] te [plaats 3] . Van de huurovereenkomst maken de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte en ander bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW deel uit.
2.2.
Partijen hebben een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarin is vastgelegd dat de partijen de huurovereenkomst, die per 28 februari 2025 is verlengd voor 5 jaar, vroegtijdig willen beëindigen per 21 februari 2025. Partijen zijn onder meer overeengekomen dat
- De huurachterstand inclusief boete op 20 februari 2025 € 2.529,86 bedraagt en dat dit bedrag per direct wordt verrekend met de nog openstaande waarborgsom,
- de waarborgsom € 2.995,00 bedraagt,
- de makelaarskosten voor de verhuur ad. € 1.747,20 exclusief btw door de vertrekkend huurder worden betaald.
2.3.
De bedrijfsruimte is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 17 februari 2025 opgeleverd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, na wijziging en vermindering van de vordering ter zitting, dat de kantonrechter [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.648,97. Dat bedrag ziet op de in de beëindigingsovereenkomst vastgestelde huurachterstand en boete tot 21 februari 2025 en de makelaarskosten van € 2.114,11 (inclusief btw) verminderd met de waarborgsom van € 2.995. Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van schadevergoeding, € 250,00 vanwege achtergelaten goederen die verwijderd moesten worden, € 1.867,43 kosten vanwege achterstallig onderhoud aan de cv-installatie en de roldeur en € 78,56 voor een betaling aan het Waterschap.
3.2.
[gedaagde 1] heeft verweer gevoerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

vonnis op tegenspraak
4.1.
[gedaagde 2] is niet verschenen, aan hem wordt verstek verleend. Omdat [gedaagde 1] wel in de procedure is verschenen, wordt één vonnis gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. [1] De door de [gedaagde 1] aangevoerde verweren werken niet in het voordeel van [gedaagde 2] , tenzij sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing. Daarvan is geen sprake.
De vorderingen en het verweer van [gedaagde 1]
4.2.
[gedaagde 1] heeft verweer gevoerd tegen de in de dagvaarding geformuleerde eis. Hij heeft de overeenkomst die is gesloten in verband met de beëindiging van de huur erkend. Daarbij heeft hij wel – terecht – aangevoerd – dat een borg is betaald die nog moet worden verrekend. [eiser] is aan dat verweer tegemoetgekomen met haar wijziging van de eis.
4.3.
[gedaagde 1] heeft over de makelaarskosten gesteld dat hem was toegezegd dat hij deze niet hoefde te betalen, omdat het pand al snel weer verhuurd werd. Volgens [gedaagde 1] zijn door [gedaagde 2] spullen achtergelaten, hij heeft zijn spullen opgeruimd. [gedaagde 1] beaamt dat de roldeur niet is onderhouden, maar stelt dat de schade is ontstaan door ratten die aan het rubber knagen. Volgens [gedaagde 1] zou [gedaagde 2] er voor zorgen dat de cv-installatie onderhouden werd. De rekening van het Waterschap bestrijdt hij, [gedaagde 1] stelt dat hij alleen een prullenbak had staan.
4.4.
[eiser] is tijdens de zitting ingegaan op het verweer van [gedaagde 1] en heeft haar vorderingen nader toegelicht. [eiser] betwist dat aan [gedaagde 1] is gezegd dat hij de makelaarskosten niet zou hoeven te betalen. Zo’n toezegging strookt ook niet met de inhoud van de beëindigingsovereenkomst, waarin deze kosten uitdrukkelijk aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden toegerekend.
4.5.
[eiser] heeft verder toegelicht en benadrukt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als huurders beiden aansprakelijk zijn voor de correcte oplevering van het gehuurde en voor het onderhoud van de cv-installatie en de roldeur. Of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarover onderlinge afspraken hebben gemaakt is niet van belang, [eiser] kan als verhuurder beide huurders aanspreken op hun verplichtingen. Dat schade aan de roldeur zou zijn ontstaan door overlast van ratten, is nooit aan [eiser] gemeld.
4.6.
De heffing van het waterschap is volgens [eiser] in januari 2025 opgelegd en dient volgens [eiser] voor rekening van de huurders te komen. [eiser] heeft die aanslag betaald, en vordert dat bedrag nu van de huurders terug.
4.7.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde 1] , ondanks dat hij daarvoor is opgeroepen, zonder nader bericht niet op de zitting is verschenen. Hij heeft daardoor de nadere toelichting en de reactie van [eiser] op zijn verweer onweersproken gelaten.
Aan het niet verschijnen van [gedaagde 1] op de zitting verbindt de kantonrechter het gevolg dat de nadere toelichting door [eiser] voor juist wordt gehouden.
4.8.
Het voorgaande brengt met zich dat de gewijzigde vorderingen van [eiser] betreffende de met de borg verrekende huurachterstand en het restant van de makelaarskosten worden toegewezen, tot het bedrag van € 1.648,97. In dat bedrag is, anders dan in de beëindigingsovereenkomst, rekening gehouden met de kosten van de makelaar inclusief btw. De kantonrechter gaat er ook van uit dat [eiser] deze factuur met btw aan de makelaar moet betalen.
4.9.
De gevorderde schadevergoeding voor het opruimen van achtergelaten goederen en vanwege het achterstallig onderhoud aan de cv-installatie en de roldeur is door [gedaagde 1] onvoldoende gemotiveerd betwist en wordt daarom tot een bedrag van € 2.117,43 toegewezen. Dat de goederen door [gedaagde 2] zijn achtergelaten of dat hij afspraken met [gedaagde 1] met betrekking tot het onderhoud van de installatie en de roldeur niet of niet volledig is nagekomen, ontslaat [gedaagde 1] niet van zijn verplichtingen tegenover [eiser] .
4.10.
Wat betreft de aanslag van het Waterschap stelt de kantonrechter aan de hand van het betreffende stuk en de toelichting ter zitting vast dat het niet gaat om een overtreding of het veroorzaken van een vervuiling, maar om de heffing die het waterschap jaarlijks oplegt aan gebruikers van een woning of bedrijfsgebouw waar een rioolaansluiting is. Die aanslag komt voor rekening van de huurders. [eiser] heeft die kosten betaald en maakt terecht aanspraak op terugbetaling van € 78,56.
4.11.
De conclusie is dat de vordering van [eiser] in hoofdsom tot een bedrag van in totaal € 3.844,96 wordt toegewezen. Wettelijke rente over dit bedrag wordt niet toegewezen, omdat [eiser] dat niet heeft gevorderd.
4.12.
[eiser] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte komen voor vergoeding in aanmerking. [2] [eiser] heeft gesteld zij voor het uitbrengen van de dagvaarding aanmaningen aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft gezonden. Dat is door [gedaagde 1] niet betwist. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen tot een bedrag van € 509,40 (inclusief btw), conform het in voormeld Besluit bepaalde tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
De vorderingen tegen [gedaagde 2]
4.13.
De vorderingen van [eiser] tegen de niet verschenen gedaagde [gedaagde 2] kunnen worden toegewezen, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen. [3] Dit is, met inachtneming van de wijziging van de eis, niet het geval. De wijziging houdt een vermindering van eis in. De kantonrechter laat deze toe, ook al heeft [gedaagde 2] daar niet op kunnen reageren. [gedaagde 2] wordt hierdoor niet benadeeld.
4.14.
Ook [gedaagde 2] zal worden veroordeeld om de hoofdsom van € 3.844,96 en de incassokosten van € 509,40 te betalen.
Hoofdelijke veroordeling
4.15.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Proceskosten
4.16.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
154,71
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.388,71
4.17.
[eiser] heeft door geen acht te slaan op de borg en de overeengekomen verrekening daarvan, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor een te hoog bedrag gedagvaard. Daarom worden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten aanzien van het griffierecht slechts veroordeeld tot betaling van het griffierecht dat verschuldigd is voor het toe te wijzen bedrag. Het meerdere, dat op grond van de dagvaarding in rekening is gebracht, dient voor rekening van Hazekoog te blijven.
4.18.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn (hoofdelijk) aansprakelijk voor de proceskosten voor zover ze zien op het griffierecht, de betekening van de dagvaarding, één salarispunt en de nakosten, in totaal € 1.100,71. [gedaagde 2] , tegen wie verstek is verleend, is niet aansprakelijk voor het salaris van de gemachtigde van [eiser] voor het bijwonen van de zitting, € 288,00.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag in hoofdsom van € 3.844,96,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag aan incassokosten van € 509,40,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.388,71, en daarbij [gedaagde 1] in de kosten van de zitting, € 288,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 140 lid 3 Rv Pro
2.artikel 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder c BW
3.in artikel 139 Rv Pro