Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
- de dagvaarding van 11 juli 2025 (met producties),
- de incidentele conclusie van onbevoegdheid tevens houdende incidentele conclusie ingevolge artikel 224 Rv Pro: stellen van zekerheid proceskosten door eiser, tevens houdende conclusie van antwoord (met producties),
- de conclusie van antwoord in de incidenten van 28 oktober 2025 (met producties),
- het bewijs van inschrijving van 17 november 2025,
- de akte producties van [verzoeker] ontvangen op 20 februari 2026 (met producties),
- het verwijzingsvonnis van 25 maart 2026 waarbij de kantonrechter het relatieve bevoegdheidsincident heeft afgewezen, [verzoeker] heeft veroordeeld zekerheid te stellen voor de proceskosten en in de hoofdzaak de zaak heeft verwezen naar de verzoekschriftprocedure van de rechtbank,
- de zekerheidstelling ex artikel 224 Rv Pro [verzoeker] ontvangen op 13 april 2026,
- de akte overlegging aanvullende producties van [verzoeker] van 4 mei 2026 (met producties),
- het aanvullend verweerschrift c.q. zienswijze na verwijzing naar de verzoekschriftprocedure tevens verzoek correctie Conclusie van Antwoord (kennelijke verschrijving) van 22 mei 2026,
- de akte wijziging (vermindering) van verzoek ontvangen op 27 mei 2026, en
- de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen
2.De beoordeling
mits en voor zover dit bedrag uitdrukkelijk en schriftelijk wordt aangemerkt als zekerheidsstelling ex artikel 224 Rv Pro, derhalve niet als betaling, en onder de voorwaarde dat restitutie integraal plaatsvindt indien geen proceskostenveroordeling volgt’.