ECLI:NL:RBNHO:2026:6793

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
12150444 / VV EXPL 26-27
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:440 BWArt. 6:96 BWArt. 556 RvArt. 557 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewindvoerder moet woning ontruimen ondanks huurachterstand, betaling achterstallige huur afgewezen

In deze kortgedingprocedure vordert de eigenaar van een woning dat de bewindvoerder van de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand. De huurder staat onder bewind en de huurachterstand is opgelopen tot zeven maanden.

De kantonrechter oordeelt dat de ontruiming toewijsbaar is omdat de huurachterstand een ernstige tekortkoming vormt en van de verhuurder niet kan worden verlangd de huurovereenkomst voort te zetten. De belangen van de minderjarige kinderen van de huurder wegen niet op tegen het belang van de verhuurder, mede omdat alternatieve huisvesting beschikbaar is.

De vordering tot betaling van de huurachterstand wordt afgewezen omdat de huurovereenkomst zonder toestemming van de bewindvoerder is gesloten en de huur niet op het onder bewind gestelde vermogen kan worden verhaald. De gevorderde dwangsom en machtiging tot zelfontruiming worden eveneens afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Bewindvoerder moet woning binnen 30 dagen ontruimen, maar wordt niet veroordeeld tot betaling van de huurachterstand.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 12150444 \ VV EXPL 26-27
Vonnis in kort geding van 1 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. I.R. Lieshout,
tegen
KBI HOORN B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van
[naam 1], wonende te [plaats] ,
gevestigd te Hoorn (NH),
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder dan wel [naam 1] ,
gemachtigde: mr. L. Stolk-Hogeterp.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 maart 2026, met productie 1;
- de e-mail van 10 mei 2026 van mr. Stolk-Hogeterp namens [naam 1] , met daarin producties 1-4;
- de mondelinge behandeling van 11 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Stolk-Hogeterp heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.

2.De uitgangspunten

2.1.
[eiser] is eigenaar van de woning gelegen aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
2.2.
Partijen zijn een huurovereenkomst aangegaan op 23 januari 2025 tegen een kale huurprijs van € 1.250,- per maand. Op 18 maart 2025 zijn partijen een nieuw huurcontract aangegaan, waarbij [eiser] en [naam 1] hebben afgesproken dat het huurcontract zou eindigen op 31 december 2025.
2.3.
Bij een eerder kort gedingvonnis van 20 januari 2026 zijn - kort gezegd - de vorderingen van [eiser] afgewezen. De kantonrechter vond toen dat niet was vast komen te staan dat [naam 1] overlast had veroorzaakt en wees daarom de ontruimingsvordering af, en oordeelde dat [eiser] werd geacht bekend te zijn met het bewind van [naam 1] en daarom geen recht had op betaling van de huurachterstand.
2.4.
Inmiddels is de huurachterstand (tot en met mei 2026) opgelopen tot € 8.750,- exclusief gas, water en licht.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de bewindvoerder veroordeelt tot de ontruiming van de woning met daarin alle aanwezige personen en zaken;
II. de bewindvoerder veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 250,- per dag(deel) dat hij nalaat tijdig aan de ontruimingsverplichting te voldoen, met een maximum van € 10.000,-;
III. [eiser] machtigt om de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, indien de bewindvoerder niet tijdig aan de ontruimingsverplichting voldoet;
IV. de bewindvoerder veroordeelt tot betaling van de huur(achterstand) vanaf 1 november 2025, te vermeerderen met de lopende huurtermijnen en de wettelijke rente;
V. de bewindvoerder veroordeelt tot betaling van € 687,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
VI. de bewindvoerder veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Sinds het vonnis van 20 januari 2026 is de huurachterstand opgelopen tot zeven maanden. Daardoor schiet [naam 1] ernstig tekort in de nakoming van de huurovereenkomst en kan van [eiser] niet verlangd worden dat hij de huurovereenkomst nog langer laat voortduren. De bewindvoerder heeft daarnaast aangegeven dat betaling niet mogelijk is en dat er geen regeling tot stand zal komen. De voortdurende bewoning zonder betaling leidt tot oplopende schade en een structurele financiële last aan de zijde van [eiser] . [naam 1] dient de woning dan ook te ontruimen en de huurachterstand te betalen.
3.3.
De bewindvoerder voert verweer en voert kort gezegd het volgende aan. De bewindvoerder heeft van meet af aan het standpunt ingenomen dat zij geen akkoord heeft gegeven voor deze huurovereenkomst. [naam 1] betwist echter niet dat hij huur moet betalen, maar zijn financiële situatie heeft dat tot nu toe onmogelijk gemaakt. [naam 1] heeft inmiddels zicht op werk en is bezig met het ontvangen van een uitkering bij de gemeente met terugwerkende kracht. Ook heeft hij in de tussentijd gezocht naar andere (sociale huur)woningen, maar dit heeft nog niets opgeleverd. [naam 1] betwist gelet hierop dat er geen zicht zou zijn op concrete beëindiging van de situatie.
Verder mist er in dit dossier een vroegsignalering van schulden bij de gemeente door [eiser] , terwijl een verhuurder bij een huurachterstand de huurder schriftelijk in kennis moet stellen van de mogelijkheid tot schuldhulpverlening en het voornemen tot melding van de huurachterstand bij de gemeente. Daarbij moet de verhuurder de achterstand uiteindelijk bij de gemeente melden.
Omdat de bewindvoerder geen toestemming heeft gegeven voor het aangaan van de huurovereenkomst, kan de huurachterstand niet verhaald worden op het onder bewind gestelde vermogen van [naam 1] . De vordering tot betaling van de huurachterstand moet daarom afgewezen worden.
In het kader van een eventuele belangenafweging bij de gevorderde ontruiming is verder van belang dat de zoon van [naam 1] om de week (van woensdag tot woensdag) bij hem verblijft en zijn dochters in de weken dat zijn zoon er is, van zaterdag tot woensdag ook bij hem verblijven. Als gevolg van een ontruiming, zullen zijn kinderen niet meer bij hem kunnen verblijven. Dit heeft nadelige gevolgen, met name voor de zoon van [naam 1] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van de vorderingen is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] ten aanzien van de gevorderde ontruiming en de gevorderde huurachterstand een spoedeisend belang heeft. Het gaat inmiddels om een grote huurachterstand van zeven maanden en het belang van [eiser] om het verder oplopen van betalingsachterstanden te voorkomen.
Ontruiming
4.2.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat de door [eiser] gevorderde ontruiming toewijsbaar is. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.4.
Een vordering tot ontruiming van woonruimte kan in kort geding alleen worden toegewezen indien met een grote mate van waarschijnlijkheid in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken. Bovendien moet vast staan dat van de verhuurder in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de huurder nog langer gebruik maakt van het gehuurde ook al is de huurovereenkomst nog niet rechtsgeldig geëindigd. De kantonrechter zal aan de hand van deze maatstaf onderzoeken of de door [eiser] gestelde tekortkomingen in dit geding de veroordeling van [naam 1] tot ontruiming van de woning kunnen rechtvaardigen.
4.5.
Het (op tijd) betalen van huur is voor de huurder één van de kernverplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst. Dit heeft [naam 1] nagelaten. Inmiddels is de huurachterstand ten tijde van de zitting opgelopen tot zeven maanden. [naam 1] heeft dit erkend. In de rechtspraak wordt een huurachterstand van drie maanden als een dusdanig ernstige tekortkoming aangemerkt dat toewijzing van een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. Omdat [naam 1] een huurachterstand van zeven maanden heeft laten ontstaan, maakt dat van [eiser] niet kan worden verlangd dat hij de huurovereenkomst met [naam 1] nog langer voortzet.
4.6.
Het betoog van [naam 1] dat hij mogelijk werk heeft gevonden, is niet onderbouwd en maakt het voorgaande niet anders. Bovendien heeft de bewindvoerder medegedeeld dat er geen mogelijkheden zijn om een regeling te treffen met [eiser] voor de huurachterstand, wat betekent dat [naam 1] geen zekerheid kan bieden aan [eiser] dat hij op korte termijn de huurachterstand kan inlopen en de maandelijkse huur zal gaan betalen.
4.7.
De belangen van de minderjarige kinderen van [naam 1] zijn ook geen reden om de ontruiming af te wijzen. Op de zitting is gebleken dat de kinderen ook gedeeltelijk bij hun moeders wonen en daar kunnen verblijven. Dat is weliswaar geen ideale situatie - zeker gelet op de verklaring van [naam 1] dat de moeder van zijn zoon ( [naam 2] ) mogelijk niet fulltime voor [naam 2] kan zorgen - maar er is momenteel alternatieve huisvesting en er dreigt dan ook geen dakloosheid van de kinderen door een ontruiming.
4.8.
Het standpunt van [naam 1] dat [eiser] [naam 1] in kennis had moeten stellen van de mogelijkheid tot schuldhulpverlening en dat [eiser] de huurachterstand had moeten melden bij de gemeente, gaat de kantonrechter aan voorbij. [eiser] stond namelijk ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst al onder bewind en kreeg in die zin al hulpverlening, zodat de genoemde schuldhulpverlening geen toegevoegde waarde heeft.
4.9.
Op basis van het voorgaande is de conclusie dat met een grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden. De daarop vooruitlopende ontruiming zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter stelt de ontruimingstermijn daarbij vast op 30 dagen na betekening van dit vonnis.
Dwangsom wordt afgewezen
4.10.
De door [eiser] gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Met de toewijzing van de veroordeling tot ontruiming heeft [eiser] een titel om eventueel tot gedwongen ontruiming over te gaan. [eiser] heeft niet onderbouwd op grond waarvan in dit specifieke geval een dwangsom als extra prikkel nodig is.
Machtiging tot zelfontruiming wordt afgewezen
4.11.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 Rv Pro overbodig is.
Huurachterstand
4.12.
[eiser] vordert verder nog dat [naam 1] wordt veroordeeld om de bestaande huurachterstand en de lopende huurtermijnen tot aan het ontruimen van de woning aan [eiser] te betalen. De bewindvoerder heeft hiertegen aangevoerd dat de bewindvoerder geen toestemming heeft gegeven voor het aangaan van de huurovereenkomst. Omdat de huurovereenkomst als een goed in de zin van artikel 1:431 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) valt aan te merken en [naam 1] onder bewind staat, kan [eiser] de huurschuld niet verhalen op het onder bewind gestelde vermogen van [naam 1] en moet de vordering van [eiser] afgewezen worden.
4.13.
De kantonrechter wijst deze vordering af. Hij licht dit als volgt toe.
Vaststaat dat de goederen van [naam 1] ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst onder bewind waren gesteld in de zin van artikel 1:431 lid 1 BW Pro en dat de bewindvoerder geen toestemming heeft gegeven aan het aangaan daarvan. Ingevolge artikel 1:440 lid 1 BW Pro kunnen de schulden die voortkomen uit die huurovereenkomst niet op de onder het bewind staande goederen worden verhaald. Het bewind is gepubliceerd en [eiser] had daarom het bewind behoren te kennen. Dat [eiser] het beschermingsbewindregister niet heeft geraadpleegd, komt voor zijn eigen rekening en risico.
4.14.
Gelet op het voorgaande, kan de kantonrechter niet voorshands oordelen dat de bodemrechter de bewindvoerder zou veroordelen tot betaling van de huurachterstand. De vordering tot betaling van de huurachterstand en de betaling van de lopende huurtermijnen totdat de woning is ontruimd, wordt dan ook afgewezen. Voor zover [eiser] van mening is dat hij de huurachterstand wel kan verhalen op de bewindvoerder, staat het hem vrij om deze vordering voor te leggen aan de kantonrechter in een bodemprocedure.
4.15.
Dit oordeel laat overigens onverlet dat de ontruiming zelf wel gerechtvaardigd is, zoals hiervoor onder 4.2 tot en met 4.9 overwogen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.16.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [naam 1] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro niet overgelegd. Daardoor is niet voldaan aan de wettelijke verplichting om de stukken waarop een beroep is gedaan over te leggen. De gevorderde vergoeding zal worden afgewezen, omdat de kantonrechter niet kan controleren of een correcte aanmaning is verstuurd.
Proceskosten
4.17.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt de bewindvoerder dan wel [naam 1] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.