3.3.3.Bewijsmotivering en bespreking van gevoerde verweren
Zaak A, feit 2
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Op 5 oktober 2023, rond 23.30 uur, heeft zich een ontploffing voorgedaan bij een bedrijfspand aan de [adres A] in Alkmaar. Door de ontploffing is een beginnende brand ontstaan, die door een voorbijganger is geblust. Uit forensisch onderzoek ter plaatse is gebleken dat de ontploffing is veroorzaakt door een VBC, die bestond uit ten minste drie stuks Cobra 6 vuurwerk, die aan een plastic fles met een snel ontbrandende vloeistof waren vast getapet. Door de drukgolf van de explosie en de ontstane brand was gemeen gevaar voor goederen te duchten, te weten voor het pand [adres A] , de aangrenzende panden en de daarin aanwezige goederen.
Buurtbewoners zagen direct na de explosie een persoon wegrennen. Deze persoon is door hen aangehouden en aan de politie overgedragen. Het bleek te gaan om de minderjarige [betrokkene A] (hierna: [betrokkene A] ). [betrokkene A] heeft bekend dat hij bij het pand [adres A] in Alkmaar een vuurwerkbom tot ontploffing heeft gebracht.
Verklaring [betrokkene A]
De verklaringen die [betrokkene A] heeft afgelegd houden – samengevat – onder meer het volgende in.
[betrokkene A] is op 5 oktober 2023 via Snapchat benaderd door iemand met de schermnaam ‘ [schermnaam D 1] ’. Deze [schermnaam D 1] berichtte dat hij [betrokkene A] nodig had om die avond een explosief te laten afgaan in Alkmaar. Hij zou daar een goed bedrag voor krijgen. [betrokkene A] is hier op ingegaan. Vervolgens werd [betrokkene A] via Snapchat benaderd door een persoon die [naam A] zou heten. [naam A] gaf aan dat hij de naam van [betrokkene A] van [schermnaam D 1] had gekregen. [naam A] had van [schermnaam D 1] gehoord dat [betrokkene A] ‘het’ zou gaan doen. [betrokkene A] is die avond door [naam A] met de auto opgehaald bij het station in Wormerveer en naar Alkmaar gebracht. [naam A] heeft ergens een explosief opgehaald en aan [betrokkene A] gegeven. Het waren drie Cobra’s, die aan een Spa-fles met iets vloeibaars waren vastgemaakt. [naam A] heeft [betrokkene A] verteld hoe en bij welk adres de explosie moest plaatsvinden en er zijn afspraken gemaakt over de plek waar [naam A] [betrokkene A] naderhand weer zou ophalen. In de auto heeft [naam A] een paar schoenen aan [betrokkene A] gegeven, zodat hij niet ‘heet’ zou zijn met zijn eigen schoenen. Toen het volgens [naam A] tijd was, is [betrokkene A] naar het opgegeven adres gegaan en heeft hij het explosief laten afgaan met behulp van een aansteker die hij van [naam A] had meegekregen. Na de explosie is [betrokkene A] gaan rennen, maar hij werd aangehouden door enkele mannen.
[betrokkene A] beschouwt [naam A] als de opdrachtgever en [schermnaam D 1] als een tussenpersoon. Het in de telefoon van [betrokkene A] aangetroffen Snapchat-contact [contact A] is [naam A] . [schermnaam D 1] had tegen [betrokkene A] gezegd dat hij [contact A] moest toevoegen op Snapchat.
Identificatie verdachte
Op 22 mei 2024 is onder de verdachte een iPhone 15 Pro in beslag genomen. Het op deze telefoon ingestelde Snapchat-account was ‘ [account C] ’. Daarnaast was aan deze telefoon een Snapchat-account gekoppeld met de username ‘ [usernaam A] ’ en de schermnaam ‘ [schermnaam D 1] ’. Gezien het feit dat de telefoon in beslag genomen is onder de verdachte, dat de username van zowel Facebook als de Apple Wallet op de telefoon ‘ [verdachte] ’ was en dat op de telefoon selfies van de verdachte en met deze telefoon gemaakte foto’s van een identiteitsbewijs van de verdachte zijn aangetroffen, lijdt het naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel dat de verdachte de gebruiker was van deze telefoon en van het daaraan gekoppelde Snapchat-account met de schermnaam ‘ [schermnaam D 1] ’. Er zijn geen aanwijzingen dat iemand anders van de telefoon en het Snapchat-account gebruik heeft gemaakt. De rechtbank concludeert daarom dat de verdachte de persoon is die [betrokkene A] ‘ [schermnaam D 1] ’ noemt en die [betrokkene A] op 5 oktober 2023 via Snapchat heeft geworven voor het laten afgaan van een explosief en die het contact tussen [betrokkene A] en ‘ [naam A] ’ tot stand heeft gebracht.
Identificatie [medeverdachte B]
Aan het Snapchat-account met de gebruikersnaam ‘ [usernaam B] ’ blijkt met ingang van 5 oktober 2023 het emailadres [mailadres] @icloud.com te zijn gekoppeld. Bij een zoekslag in de politiesystemen kwam naar voren dat dit icloud-account in 2022 werd gebruikt in een iPhone die in beslag was genomen onder [medeverdachte A] . Bij onderzoek aan een onder de moeder van [medeverdachte A] en [medeverdachte B] in beslag genomen smartphone bleek dat in deze telefoon het Snapchat-account met gebruikersnaam ‘ [usernaam B] ’ als tegencontact stond opgeslagen. Tevens werd een screenshot/snapshot aangetroffen van een Snapchat-conversatie waarin ‘ [contact A] ’ het volgende bericht stuurt:
Ik ben [medeverdachte B] hallo, Hallo mirelle ik ben [medeverdachte B] u wilde mij spreken, Kopieer dat, Hallo mirelle ik ben [medeverdachte B] u wilde mij spreken.Blijkens de door Snapchat verstrekte gegevens is de schermnaam ‘ [usernaam B] ’ op 5 oktober 2023 veranderd in ‘ [contact A] ’. Het account ‘ [contact A] ’ is op 7 oktober 2023 verwijderd. Dit betekent dat de conversatie waarin de gebruiker met schermnaam ‘ [contact A] ’ zich voorstelt als ‘ [medeverdachte B] ’ moet hebben plaatsgevonden tussen 5 oktober en 7 oktober 2023. De rechtbank leidt uit deze bevindingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, af dat [medeverdachte B] op 5 oktober 2023 de gebruiker was van het Snapchat-account met de schermnaam ‘ [contact A] ’. Dit leidt de rechtbank tevens tot de conclusie dat [medeverdachte B] de persoon is die [betrokkene A] in zijn verklaringen aanduidt als ‘ [naam A] ’.
Medeplegen
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte de minderjarige [betrokkene A] heeft geronseld om, tegen betaling, een explosief te laten afgaan in Alkmaar. Nadat [betrokkene A] zich had laten overhalen om hiermee in te stemmen, heeft de verdachte tegen [betrokkene A] gezegd dat hij het Snapchat-account ‘ [contact A] ’ moest toevoegen en er zo voor gezorgd dat [medeverdachte B] met [betrokkene A] in contact kon komen. Vervolgens hebben [medeverdachte B] en [betrokkene A] het plan om een explosie te laten plaatsvinden gezamenlijk uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte op deze manier een essentiële en onmisbare rol heeft gespeeld in de uitvoering van het feit en dat zijn bijdrage daaraan van voldoende gewicht was om van een nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde medeplegen daarom bewezen.
Zaak C
De tenlastelegging in deze zaak ziet op – kort gezegd – het medeplegen van de criminele uitbuiting van de minderjarige [betrokkene A] . Deze verdenking vloeit rechtstreeks voort uit het hiervoor in zaak A onder 2 primair bewezen verklaarde feit.
Op grond van de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring van feit 2 primair in zaak A is gestoeld stelt de rechtbank vast dat de minderjarige [betrokkene A] ertoe is aangezet een ernstig strafbaar feit te plegen, namelijk het tot ontploffing brengen van een explosief bij een bedrijfspand, met gemeen gevaar voor goederen als gevolg. Ook [betrokkene A] liep als uitvoerder van deze opdracht gevaar. Het aansteken van een zwaar explosief (drie Cobra’s 6 tegelijk, in combinatie met een snel ontbrandende vloeistof
)brengt immers grote risico’s met zich. Daarnaast heeft [betrokkene A] het risico gelopen om voor het plegen van dit feit strafrechtelijk te worden vervolgd en veroordeeld. [betrokkene A] was vanwege zijn jonge leeftijd kwetsbaar en voelde zich blijkens zijn verklaringen in een situatie gebracht waarin hij geen ‘nee’ (meer) kon zeggen. Het onder deze omstandigheden vervoeren en overbrengen van een minderjarige en het aan hem verstrekken van middelen voor het teweegbrengen van een ontploffing, waardoor de verdachten zelf aanzienlijk minder risico’s liepen, leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat de verdachten hebben gehandeld met het oogmerk van uitbuiting.
Pleegplaats
De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging als pleegplaats alleen Alkmaar vermeldt. De niet ongebruikelijke uitbreiding ‘althans in Nederland’ ontbreekt. Nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld waar de verdachte(n) en [betrokkene A] zich bevonden toen contact werd gelegd via Snapchat, kan dat onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen worden verklaard. Dit brengt met zich dat ook het element ‘werven’ in de tenlastelegging niet bewezen kan worden.
Medeplegen
Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van zaak A, feit 2 primair heeft overwogen met betrekking tot het medeplegen, is de rechtbank van oordeel dat ook de criminele uitbuiting van de minderjarige [betrokkene A] door de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte B] tezamen en in vereniging is gepleegd.
Zaak A, feit 3 primair ( [adres B] ) en feit 4 primair ( [adres C] )
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
In de nacht van 1 februari 2024 vonden kort na elkaar twee incidenten plaats in Alkmaar. Het eerste incident vond plaats bij de woning aan de [adres C] . Even na middernacht ontving de politie de melding dat de bewoners van de woning met nummer 17 een harde knal hadden gehoord. Op beelden van de bewakingscamera van de woning was te zien dat kort voor de melding een persoon in de voortuin van de woning stond met in zijn handen een tegel en een fles. De persoon zette de fles in de voortuin neer, haalde een voorwerp uit zijn broekzak en bukte voorover alsof hij de fles probeerde aan te steken. Daarna gooide de persoon de tegel richting de ruit en raakte de tegel het kozijn. Nadat de persoon even twijfelend heen en weer liep in de tuin, liep de persoon naar de fles en rende daarmee weg. In de grond waar de fles had gestaan en was omgevallen voordat de persoon die oppakte en ermee wegrende, werden later resten van een ontbrandbare vloeistof, zoals lampolie, gevonden.
Ongeveer tien minuten na de melding over het incident in de [A-straat] ontving de politie een tweede melding, over een harde knal. Dit keer kwam de melding van bewoners aan de [B straat] . Het bleek dat de onderste ruit naast de voordeur van de woning aan de [adres B] was gebroken. Op de grond voor de voordeur en de woning lagen onder andere glasscherven en restanten van een zwarte ballon. Op de stoep en een parkeerplaats voor de woningen met de nummers [adres B] en [naastgelegen adres] vonden politieagenten restanten van een ontplofte Cobra, een spoor van vloeistof naar een kapotte fles met (wat later bleek) lampolie en een niet-ontplofte Cobra 6. Verderop in de straat vond de politie restanten van een fles met (wat later bleek) eveneens een ontbrandbare vloeistof, zoals lampolie. Op beelden van de cameradeurbel van de woning aan de [adres B] was te zien dat een persoon kort voor de melding iets bij de voordeur neerzette en diverse pogingen deed om dit aan te steken, terwijl de persoon met de andere hand een mobiele telefoon vasthield. Nadat het aansteken van het voorwerp was gelukt, kwam rook omhoog langs de camera en rende de persoon weg. Direct na de harde knal die volgde, zag een buurtbewoner een jongen wegrennen vanaf de [B straat] en als passagier instappen in een auto, waarna deze auto direct met gedoofde lichten was weggereden.
De politie heeft direct onderzoek gedaan naar de weggereden auto. Het bleek dat medeverdachte [medeverdachte C] (hierna: [medeverdachte C] ) ten tijde van de feiten de bestuurder van deze auto was. De persoon die was te zien op de camerabeelden van zowel de woning aan de [adres C] als de woning aan de [adres B] bleek later de medeverdachte [medeverdachte D] (hierna: [medeverdachte D] ) te zijn geweest.
Betrokkenheid van de verdachte
Onder de medeverdachte [medeverdachte C] zijn bij zijn aanhouding op 1 februari 2024 twee smartphones in beslag genomen, waaronder een iPhone 14. In die iPhone 14 werd een Snapchat gesprek aangetroffen van 31 januari 2024, vanaf 22.42 uur, tussen ‘ [usernaam C] ’, een Snapchatnaam van [medeverdachte C] , en een gebruiker met de schermnaam ‘ [usernaam D] ’. In dit gesprek deelt [medeverdachte C] een foto van een telefoon waarop een screenshot is te zien van een chatconversatie die werd gevoerd via de applicatie Session. Op de afbeelding is te zien dat een Snapchat-gebruiker met de naam ‘ [naam B] ’ berichten ontvangt van een gebruiker met de naam ‘ [schermnaam B] ’. Vastgesteld is dat medeverdachte [medeverdachte E] (hierna: [medeverdachte E] ) de gebruiker is van de naam ‘ [naam B] ’. [schermnaam B] zegt dat hij ‘die lijst’ aan [naam C] heeft gestuurd. Uit later onderzoek is gebleken dat de persoon achter de schermnaam ‘ [naam C] ’ de medeverdachte [medeverdachte F] (hierna: [medeverdachte F] ) is. [medeverdachte E] antwoordt:
‘dens(de rechtbank begrijpt: stuur)
et via hier’ ‘moet aan die drive(de rechtbank begrijpt: driver/chauffeur)
laten zien’. [schermnaam B] stuurt dan: ‘
Wacht’en
‘ [adres D] , [adres B] ’, ‘ [C straat 1] hier moeten ze bij die flat kijken achternaam [naam D] en dan die deur raggen! Deze adje(de rechtbank begrijpt: adres)
moet als laatste’. [medeverdachte E] reageert met: ‘
oke’, waarop [schermnaam B] bericht: ‘
na al die acties kunnen ze naar Europaplein beverwijk rijden daar ben ik kunnen ze pla(de rechtbank begrijpt: geld)
pakken of ik breng t na jou morgen wat jij wilt’en
‘en alle acties filmen ook aub’.Gelet op de incidenten die in de vroege nacht van 1 februari 2024 in de [A-straat] en op de [B straat] in Alkmaar hebben plaatsgevonden en mede gelet op de verklaring [medeverdachte D] , concludeert de rechtbank dat [schermnaam B] hier aan [medeverdachte E] de adressen doorgeeft waar die avond/nacht explosies moesten plaatsvinden. Dat in de [A-straat] een poging tot ontploffing is gepleegd op nummer [adres C] , in plaats van op nummer [naastgelegen perceel] , moet als een kennelijke vergissing van de uitvoerder(s) worden beschouwd. Het adres [adres D] in Alkmaar betreft immers de woning van [persoon A] , partij in het in de inleiding van dit vonnis beschreven conflict, die op meerdere data doelwit is geweest van (pogingen) tot ontploffing/brandstichting.
De door [schermnaam B] aan [medeverdachte E] verstrekte informatie en instructies zijn door [medeverdachte E] één-op-één doorgegeven aan [medeverdachte C] , de chauffeur die ook de VBC’s bij zich had. Daarnaast heeft [schermnaam B] informatie – de lijst van beoogde doelwitadressen – verstrekt aan [medeverdachte F] , die deze informatie op zijn beurt weer heeft doorgespeeld aan de uitvoerder, [medeverdachte D] .
Identificatie ‘ [schermnaam B] ’
Vervolgens ligt de vraag voor of de persoon die zich op Session bediende van de naam ‘ [schermnaam B] ’, kan worden geïdentificeerd als de verdachte, zoals door de officier van justitie is gesteld. Anders dan de verdediging, beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend. Aan dit oordeel liggen de volgende overwegingen ten grondslag.
In een niet aan deze zaak gerelateerd opsporingsonderzoek in Rotterdam is onder de verdachte een telefoon in beslag genomen met telefoonnummer [nummer A] . Dit telefoonnummer was gekoppeld aan de applicatie Signal en binnen die applicatie aan de contactnaam [schermnaam B] . Daarnaast kwam de verdachte met het telefoonnummer [nummer A] voor als tegencontact in een telefoon van een ander subject in dat Rotterdamse onderzoek.
Uit onderzoek is verder gebleken dat het telefoonnummer [nummer A] meerdere malen is gebruikt om bestellingen te doen bij Thuisbezorgd.nl, waarbij het afleveradres het adres betrof van ofwel de verdachte ofwel zijn moeder. Bij deze bestellingen werd enkele malen een emailadres opgegeven, waarvan de verdachte heeft verklaard dat hij daar gebruik van maakte.
Daar komt bij dat de verdachte eerder op vergelijkbare wijze met medeverdachte [medeverdachte E] betrokken is geweest bij het tot ontploffing brengen van een VBC bij een woning. De rechtbank verwijst hiertoe naar de hierna te bespreken gebeurtenissen in Vijfhuizen in november 2023 (zaak B).
De mogelijkheid, zoals geopperd door de verdediging, dat de persoon die zich op Signal ‘ [schermnaam B] ’ noemt een andere persoon is dan de ‘ [schermnaam B] ’ die via Session met [medeverdachte E] communiceert, is weliswaar in theorie aanwezig, maar is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk.
Medeplegen
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de betrokkenheid van de verdachte bij de poging tot ontploffing aan de [adres C] en de geslaagde ontploffing aan de [adres B] kan worden gekwalificeerd als die van een medepleger.
De verdachte heeft via de ‘tussenbrokers’ [medeverdachte E] en [medeverdachte F] de adressen verstrekt waar explosies moesten plaatsvinden. Ook heeft de verdachte instructies gegeven in welke volgorde de adressen moesten worden getroffen en dat er gefilmd moest worden. Nadat de acties zouden zijn uitgevoerd, zou de verdachte zorg dragen voor de betaling aan de uitvoerders.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte hiermee een essentiële en onmisbare bijdrage heeft geleverd in de voorbereiding, aansturing en uitvoering van de incidenten aan de Lekstraat en [adres B]. Deze bijdrage was van zodanig gewicht dat van medeplegen sprake is.
Gevaarzetting
Tot slot zal de rechtbank stilstaan bij de vraag van welk gevaar sprake zou zijn geweest als in de woning aan de [adres C] een ontploffing had plaatsgevonden en welk gevaar als gevolg van de ontploffing bij de [adres B] is ontstaan.
De rechtbank is van oordeel dat bij voltooiing van het voorgenomen handelen naast gemeen gevaar voor goederen ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning aan de [adres C] te duchten was. De rechtbank betrekt bij dit oordeel de bevindingen van het forensisch onderzoek bij en in de woning aan de [adres C] en de omstandigheid dat de bewoners ten tijde van het feit in de woning aanwezig waren en lagen te slapen. Onder deze omstandigheden was naar algemene ervaringsregels levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de [adres C] voorzienbaar.
Uit forensisch onderzoek dat bij de woning aan de [adres B] is verricht, blijkt dat als gevolg van de ontploffing bij de voordeur van die woning materiële schade is ontstaan en dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Uit dat onderzoek is niet gebleken van potentieel (levens)gevaar voor andere personen dan de medeverdachte. Omdat het dossier geen aanwijzingen bevat voor potentieel (levens)gevaar voor andere personen, zal de verdachte voor feit 3 primair van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Zaak A, feit 4 primair ( [adres D] , 3 februari 2024 en 4 februari 2024)
Incident [adres D] (3 februari 2024)
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
In de vroege nacht van 3 februari 2024 hield de politie in de Lekstraat in Alkmaar een persoon aan die later bleek te zijn de medeverdachte [medeverdachte G] (hierna: [medeverdachte G] ). Kort daarvoor, rond 00.40 uur, had een politieagent gezien dat [medeverdachte G] in de [C straat 2] , eveneens in Alkmaar, uit een auto stapte en vanuit de [C straat 2] met iets witkleurigs in zijn handen richting de woning aan de [adres D] liep. [medeverdachte G] liep naar de woning en liep vervolgens door richting nabij gelegen garageboxen. Op beelden van de bewakingscamera van de [A-straat] was te zien dat [medeverdachte G] kort de voortuin van de woning aan de [adres D] instapte, voordat hij doorliep richting de garageboxen. Nadat een andere politie-eenheid de [A-straat] inreed, liep [medeverdachte G] terug over de [A-straat] en liep hij voorbij de woning met nummer [adres D] . Op camerabeelden was te zien dat [medeverdachte G] ter hoogte van de woning aan de [adres D] iets weggooide in de bosjes en vervolgens doorliep richting de [C straat 2] . Na de staandehouding van [medeverdachte G] vond de politie naast de heg tegenover de woning aan de [adres D] een Cobra 6 en een wit plastic tasje met daarin een flesje met (wat later bleek) benzine. Ongeveer zes meter verder, ter hoogte van de woning aan de [adres F] , vond de politie een aansteker.
Begin van uitvoering
De verdediging heeft bepleit dat geen sprake is geweest van een strafbare poging tot het teweegbrengen van een ontploffing of van brandstichting, maar hoogstens van (niet ten laste gelegde) voorbereidingshandelingen. De rechtbank volgt dit standpunt niet en legt hierna uit waarom.
Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is vereist dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering indien de door de verdachte verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een begin van uitvoering, komt het aan op de feiten en omstandigheden van het concreet voorliggende geval. Een belangrijke beoordelingsfactor daarbij is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele andere deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte H] (hierna: [medeverdachte H] ), volgt dat [medeverdachte G] op de late avond van 2 februari 2024 met een snorder van Amsterdam naar Alkmaar is gekomen. [medeverdachte G] had, toen hij rond 00.40 uur op de [A-straat] was, een tasje bij zich met daarin een Cobra 6 en een flesje benzine. Dit flesje had hij eerder die avond zelf bij een tankstation gevuld met benzine en de Cobra 6 had [medeverdachte H] geregeld. Deze VBC is geschikt om een ontploffing/brand te veroorzaken.
Gelet op de chatgesprekken die [medeverdachte G] op 2 en 3 februari 2024 met anderen heeft gevoerd, concludeert de rechtbank dat [medeverdachte G] met de meegenomen VBC bij de woning aan de [adres D] een ontploffing moest veroorzaken. Zo vroeg ene ‘Wrb’ een kleine tien minuten voor de staandehouding van [medeverdachte G] per sms-bericht aan [medeverdachte G] of
‘die c6 aan die fles’was. [medeverdachte G] antwoordde hierop:
‘ja, lont is lang’en
‘is in een zak samen’. Gevraagd of hij ook moet filmen, schreef [medeverdachte G] vervolgens aan ‘Wrb’:
‘jamn filmen ook’en
‘gw 1 hand film 1 hand aansteken’.
De rechtbank komt in het licht van de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering. Het was de bedoeling van [medeverdachte G] om de VBC bij de woning aan de [adres D] tot ontploffing te brengen. [medeverdachte G] is met dat doel naar Alkmaar gekomen, is in de nabije omgeving van de [A-straat] uit de auto van de snorder gestapt en vervolgens met het tasje met daarin de VBC richting de woning aan de [adres D] gelopen. Hij is de voortuin van die woning kort ingelopen, voordat hij doorliep richting nabije garageboxen. Vervolgens is [medeverdachte G] teruggelopen richting de woning op nummer 19 en heeft hij het tasje met de VBC in de heg tegenover deze woning gegooid omdat op dat moment een politie-eenheid de [A-straat] inreed. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [medeverdachte G] lagen in tijd en plaats heel dicht bij de voltooiing van het misdrijf en hij zou het misdrijf hebben voltooid als hij niet was gestoord door de politie. Dat geen sprake zou zijn van een poging omdat [medeverdachte G] geen lucifers of aansteker bij zich had, volgt de rechtbank niet. Op korte afstand van de plek waar de Cobra 6 en het tasje met de flesje benzine lagen, is namelijk een aansteker aangetroffen. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat deze aansteker, net als de Cobra en het tasje, door [medeverdachte G] is weggegooid toen hij de politie zag. Het verweer wordt verworpen.
Identificatie ' [schermnaam C] '
Bij de aanhouding van de medeverdachte [medeverdachte I 1] (hierna: [medeverdachte I 1] ) is onder meer een iPhone 12 in beslag genomen. Op deze telefoon stond een snapchat-account ingesteld met de username [usernaam E] en de schermnaam [schermnaam D 2] [adelaars-icoontje]. In de contactenlijst van dit account werden de accounts [account D] en [schermnaam C] aangetroffen. Uit het profiel van het account [schermnaam C] blijkt dat [schermnaam C] de schermnaam is en dat de username [usernaam F] is. Verder is bij het profiel een rood ballonnetje te zien met de tekst ’16 feb'. Onder ‘opgeslagen in chat’ is een foto te zien van een persoon die door de politie is herkend als de verdachte. Deze herkenning wordt bevestigd door het feit dat de geboortedatum van de verdachte [geboortedatum] 2001 is. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat op Snapchat een pictogram van een rode ballon een verjaardag aanduidt.
Ook is bij het profiel een afbeelding te zien met links boven de woorden
[schermnaam C]en
6 dagen geleden.Daaronder staat het Snapchat-logo en:
[account D] [account C]. In een transparante balk staat de tekst:
Nieuwe snap deze gaat weg! @ [account C] .Het is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat deze afbeelding is verstuurd door [schermnaam C] aan zijn contacten, waaronder [medeverdachte I 1] , met de boodschap dat het snap-account [usernaam F] wordt vervangen door [account C] .
In het profiel van het account met de schermnaam [account D] is te zien dat de gebruikersnaam [account C] is. Ook bij dit profiel is een rood ballonnetje te zien met de vermelding ' [geboortedatum] '. De verdachte heeft verklaard dat hij het Snapchat account ‘ [account C] ’ gebruikt.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte kan worden aangemerkt als de gebruiker van de Snapchat-accounts [schermnaam C] ( [usernaam F] ) en [account D] ( [account C] ).
Medeplegen
Op de avond van 2 februari 2024 vindt een Snapchat-gesprek plaats tussen [medeverdachte G] en [medeverdachte H] , waarin [medeverdachte H] zegt dat er een opdracht (‘model’) in Alkmaar is. Er wordt gesproken over het regelen van vervoer en het fixen van een ‘c6’
(de rechtbank begrijpt: Cobra 6). [medeverdachte H] heeft verklaard dat hij die avond met [medeverdachte G] in Amsterdam naar een tankstation is gereden om daar een flesje met benzine te vullen. Dit deed hij omdat dat moest van de opdrachtgever. [medeverdachte H] heeft [medeverdachte G] het adres gegeven waar hij in Alkmaar naar toe moest en heeft hem afgezet bij een snorder die [medeverdachte G] naar Alkmaar zou vervoeren.
In de iPhone 15 Plus van de medeverdachte [medeverdachte I 1] zijn screenshots van berichten aangetroffen die blijkens de metadata zijn gemaakt in de avond van 2 februari 2024.
Daarop is het volgende te lezen.
Op 2 februari 2024 om 22.18 uur: ‘2 ossos Alkmaar c6 met benzine bomme’.
Op 2 februari 2024 om 22.20 uur: een chatgesprek tussen ‘Ik’( [medeverdachte I 1] ) en ‘ [schermnaam C] ’ (de verdachte):
‘Ik’: ‘Ja?’
‘ [schermnaam C] : ‘Ja’
‘Ik’: ‘Mitta’
‘ [schermnaam C] ': ‘Oke Hoelang’
‘lk’: ‘Bel ze nu Voorschot?’
' [schermnaam C] ': ‘Neeman pla
(de rechtbank begrijpt: geld)kan gelijk opgehaald worden als is gekino
(de rechtbank begrijpt: gefilmd)’.
Vervolgens is een afbeelding te zien van een hand die meerdere bundels 50-eurobiljetten vasthoudt. Kennelijk wil ' [schermnaam C] ' laten zien dat hij over het geld beschikt om uit te betalen.
Op 2 februari 2024 om 23.22 uur: een zwarte achtergrond met de tekst ‘Tegel door voorruit en dan die ding na binnen, kino maken en wegwezen morgen doen ze die andere adje
(de rechtbank begrijpt: adres)’. Dit zelfde screenshot is ook aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte H] . Het screenshot op de telefoon van [medeverdachte I 1] is een minuut eerder gemaakt.
Op 2 februari 2024 om 23:25 uur: een chatgesprek tussen ‘Ik’ ( [medeverdachte I 1] ) en ‘ [schermnaam C] ’ (de verdachte):
‘Ik’: ‘En die adje van morgen. 2.5?’
‘ [schermnaam C] ': ‘yes’.
De interpretatie van de politie is dat voor het adres van morgen 2.500 euro wordt betaald. ‘ [schermnaam C] ’: ‘Die man v me Zegt nu Tegel hoeft niet Tegen die raam van die woonkamer plakken aansteken Kino Wegwezen Laten ze niet met eigen Karie gaan’.
Dit betekent volgens de politie dat de opdrachtgever van de verdachte zegt dat er geen tegel door de ruit heen hoeft, maar dat het explosief tegen het raam geplakt kan worden. Er moet een video van de explosie gemaakt worden en dan wegwezen. Ze moeten niet met hun eigen auto gaan.
Uit deze berichten leidt de rechtbank af dat de verdachte de opdracht voor de aanslag op de [adres D] in Alkmaar op 3 februari 2024 heeft verstrekt aan [medeverdachte I 1] . [medeverdachte I 1] heeft de opdracht vervolgens doorgezet naar [medeverdachte H] , die op zijn beurt de uitvoerder, [medeverdachte G] , heeft aangestuurd. De verdachte geeft aan dat als het gefilmd is, het geld direct kan worden opgehaald. Om te bewijzen dat hij goed is voor zijn woord, stuurt de verdachte een foto van een dik pak bankbiljetten.
[medeverdachte I 1] geeft om 23.22 uur instructies door aan [medeverdachte H] met betrekking tot de uitvoering (‘Tegel door de voorruit en dan die ding na binnen, kino maken en wegwezen morgen doen ze die andere adje’). Drie minuten later brengt de verdachte [medeverdachte I 1] op de hoogte van een wijziging in de instructies, die kennelijk afkomstig zijn van de uiteindelijke opdrachtgever (‘die man v me’). Het bericht luidt ‘Die man v me Zegt nu Tegel hoeft niet Tegen die raam van die woonkamer plakken aansteken Kino Wegwezen Laten ze niet met eigen Karie gaan’. Uit dit bericht kan worden afgeleid dat de oorspronkelijke instructies ook door de verdachte aan [medeverdachte I 1] zijn gestuurd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte door het uitzetten van de opdracht, het doorgeven van instructies voor de uitvoering en het garant staan voor de uitbetaling van de uitvoerder(s) een essentiële en onmisbare rol gespeeld in de planning en de uitvoering van de poging tot ontploffing/brandstichting bij de woning aan de [adres D] in Alkmaar op 3 februari 2024. Deze bijdrage was van zodanig gewicht dat van medeplegen sprake is.
Gevaarzetting
De rechtbank is van oordeel dat in het geval de VBC bij de woning aan de [adres D] zou zijn aangestoken en ontploft, sprake zou zijn geweest van gemeen gevaar voor goederen, namelijk materiële schade aan die woning en/of aangrenzende woningen en de goederen daarin.
De rechtbank acht niet bewezen dat ook sprake zou zijn geweest van potentieel (levens)gevaar voor andere personen dan uitvoerder [medeverdachte G] . De verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Voor deze conclusie is allereerst van belang dat de woning aan de [adres D] door de burgemeester was gesloten waardoor er in de nacht van 3 februari 2024 niemand in de woning aanwezig was. Uit het dossier wordt verder niet duidelijk of de bewoners van nabijgelegen woningen thuis waren en, zo ja, waar zij zich bevonden op het moment dat [medeverdachte G] de woning aan de [adres D] naderde. Evenmin volgt uit het dossier op welke afstand tot de woning de aanwezige politieagenten zich bevonden en of zich nog andere personen in de (directe) omgeving bevonden.
Incident [adres D] (4 februari 2024)
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
De medeverdachte [medeverdachte I 2] (hierna: [medeverdachte I 2] ) heeft op 2 februari 2024 de medeverdachte [medeverdachte J] , die nu [medeverdachte J] heet, (hierna: [medeverdachte J] ) de opdracht gegeven om tegen betaling VBC’s bij een woning in Alkmaar te plaatsen. [medeverdachte J] heeft deze opdracht aanvaard en heeft daarop medeverdachte [medeverdachte K] (hierna: [medeverdachte K] ) ingeschakeld als uitvoerder. [medeverdachte K] heeft zich bereid verklaard tegen betaling de VBC’s voor de woning te plaatsen. [medeverdachte J] heeft met [medeverdachte K] via Snapchat gecommuniceerd over het verkrijgen van materialen voor de VBC’s. [medeverdachte I 2] heeft [medeverdachte J] via Snapchat laten weten waar hij Cobra’s kon ophalen.
Op 4 februari 2024 heeft [medeverdachte J] de Cobra’s opgehaald in Amsterdam, waarna hij de Cobra’s aan twee flessen wasbenzine heeft vastgeplakt. Diezelfde avond heeft [medeverdachte J] met zijn auto [medeverdachte K] opgehaald in Utrecht. De VBC’s bevonden zich in een plastic tas in de auto. [medeverdachte J] en [medeverdachte K] zijn samen naar Alkmaar gereden. Bij het eerste adres, de [C straat 1] , werden zij tegengehouden door de politie. Daarna zijn ze naar de [A-straat] gegaan. Op enig moment is [medeverdachte K] uit de auto gestapt en heeft hij de twee VBC’s voor de voordeur van de woning aan de [adres D] neergezet. Daarna is [medeverdachte K] met versnelde pas weggelopen.
Begin van uitvoering
Met betrekking tot de vraag of sprake is van het voor een strafbare poging vereiste begin van uitvoering verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar het hiervoor uiteengezette juridisch kader.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting en overweegt daartoe als volgt.
In de telefoon van [medeverdachte I 1] is een screenshot te zien van 4 februari 2024 om 19.05 uur met de tekst: ‘ [C straat 1] achternaam [naam D] moeten ze zoeken en dan daar laaien’. [medeverdachte I 2] heeft verklaard dat hij dit bericht heeft gekregen van ‘ [medeverdachte I 1] ’ (van wie is vastgesteld dat dit medeverdachte [medeverdachte I 1] betreft) en dat met ‘laaien’ werd bedoeld: uitvoeren, tot ontploffing brengen. Op 4 februari 2024 om 19.53 stuurt [medeverdachte I 2] aan [medeverdachte J] hetzelfde screenshot door.
In een bericht van 4 februari 2024 om 21.10 uur van ‘ [schermnaam C] ’ (de verdachte) aan [medeverdachte I 1] staat: ‘Dan moeten ze na die andere adje plakken. Plakken op voorruit. Van vorige X. Maar spits doen beetje. Niet te heet wakka daar. En live campoe’.
Volgens de politie is ‘spits doen’ straattaal voor snel doen; 'wakka’ is straattaal voor lopen; ‘live campoe’ betekent: live camera.
In een bericht van 22.14 uur van de verdachte staat: ‘dan zeg ze ga naar die [A-straat] . Maar zet whip voor de deur snel plakken op die raam. Kino maken vanuit waggie. Gas erop. Dan komen ze makkelijk loezoe’.
Deze zinnen zijn te interpreteren als dat de uitvoerders ‘dan’, dat wil zeggen nadat de [C straat 1] niet is doorgegaan, naar de [A-straat] moeten gaan, een auto voor de deur moeten zetten, waarna iets op het raam moet worden geplakt. Er moet een filmpje gemaakt worden vanuit de auto, dan snel wegrijden want dan komen ze makkelijk weg.
[medeverdachte I 2] heeft een bericht van [medeverdachte I 1] ontvangen van 22.25 uur: ‘Ze moeten naar andere adje. En die doen. Plakken tegen die raam. Lekstraat. Nummer [adres D] .’ Dit bericht heeft [medeverdachte I 2] weer doorgestuurd naar [medeverdachte J] .
Uit deze berichten volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het van meet af aan de bedoeling was dat zowel op de [C straat 1] als op de [A-straat] een ontploffing zou plaatsvinden. Met deze opdracht zijn [medeverdachte J] en [medeverdachte K] naar Alkmaar gereisd, met twee zelfgemaakte, gebruiksklare VBC’s bij zich. Na ontvangst van de gewijzigde instructies (omstreeks 22.25 uur) is [medeverdachte K] omstreeks 22.38 uur met een tas met daarin de VBC’s naar de voordeur van de woning aan de [adres D] gelopen. Al lopend pakt hij iets uit de tas, bukt voor de deur en zet daar iets neer en pakt opnieuw de tas om daar iets uit te pakken. Op dat moment rijdt de politie de straat in en rent [medeverdachte K] weg. Voor de voordeur worden twee VBC’s aangetroffen. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [medeverdachte K] lagen in tijd en plaats heel dicht bij het misdrijf en [medeverdachte K] zou het misdrijf hebben voltooid als de komst van de politie dit niet had verhinderd. Dat geen vuurbron is aangetroffen is naar het oordeel van de rechtbank geen contra-indicatie voor het aannemen van een begin van uitvoering, reeds omdat [medeverdachte K] heeft weten te ontkomen vanaf de plaats delict en niet ter plaatse is aangehouden. Het is met andere woorden geenszins uitgesloten dat hij een aansteker of andere vuurbron bij zich had op de plaats delict. Bovendien blijkt uit voornoemde berichten onmiskenbaar dat het de bedoeling was om de VBC’s tot ontploffing te brengen.
Medeplegen
Uit de hiervoor besproken berichten van 4 februari 2024 blijkt dat de verdachte concrete instructies (door)geeft aan [medeverdachte I 1] over wat er moet gebeuren, waar en op welke manier. Via [medeverdachte I 1] komt deze informatie vervolgens bij de uitvoerders terecht. Gelet hierop heeft de verdachte een belangrijke en noodzakelijke rol gespeeld bij de poging tot ontploffing/brandstichting op de [adres D] in Alkmaar op 4 februari 2024. Hiermee heeft hij een bijdrage aan het feit geleverd die van voldoende gewicht is om medeplegen bewezen te achten.
Gevaarzetting
De rechtbank acht niet bewezen dat in het geval de VBC’s bij de woning aan de [adres D] zouden zijn aangestoken en ontploft, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar te duchten zou zijn geweest. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor bij Incident [adres D] (3 februari 2024) is overwogen met betrekking tot de gevaarzetting.
Zaak A, feit 1
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 12 augustus 2023 tot en met 11 februari 2024 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen.
Beoordelingskader
Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Er moet sprake zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Voor ‘deelneming’ aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven. De verdachte hoeft niet bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (al binnen de organisatie) gepleegde misdrijven. Het opzet van de verdachte moet gericht zijn op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten. Dat is anders als uit de bewijsvoering slechts blijkt van het verrichten van hand- en spandiensten door de verdachte voor de deelnemers aan de criminele organisatie, zonder dat hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte daarbij handelde in de wetenschap dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Dan staat niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van de verdachte geen deelneming aan de criminele organisatie op.
Bestaan criminele organisatie
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen aan de hand van het hiervoor weergegeven beoordelingskader vast dat in de aan de verdachte ten laste gelegde periode sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, bestaande uit twee of meer personen, dat tot oogmerk had het plegen misdrijven, te weten het opzettelijk plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen. Andere deelnemers aan deze organisatie waren in ieder geval [medeverdachte A] en [medeverdachte B] .
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte contact had met zowel [medeverdachte A] , met wie hij tot 12 augustus 2023 gedetineerd was, als met [medeverdachte B] . Daartoe verwijst de rechtbank onder meer naar het in de telefoon van [medeverdachte A] aangetroffen screenshot (gemaakt op 22 augustus 2023) van een selfie van [medeverdachte B] en [verdachte] in een auto, met daarbij de tekst “Die jongens van me” en zogenaamde emoji’s in de vorm van hartjes. Uit opgenomen telecommunicatie, onder meer op 6 en 9 september 2023, dus na de vrijlating van de verdachte, blijkt dat [medeverdachte A] en [medeverdachte B] spreken over ‘[bijnaam]’, de bijnaam van de verdachte. De rechtbank duidt de inhoud van deze gesprekken zo, dat daarin gesproken wordt over wat de verdachte voor [medeverdachte A] en [medeverdachte B] zou kunnen betekenen. Er wordt immers gesproken over dat [medeverdachte B] ‘iets voor hem had’, maar dat hij (de verdachte) traag reageert, en ‘[bijnaam] gaat nu om de seconde op ons reageren’. Kort hierna, op 14 september 2023, vindt vervolgens de eerste explosie plaats die met het in de inleiding genoemde conflict in verband kan worden gebracht. Ook op 5 oktober 2023 vindt een explosie plaats op een adres dat met het conflict in verband kan worden gebracht en waarvoor de verdachte en [medeverdachte B] bij vonnis van heden als medeplegers worden veroordeeld.
De rechtbank stelt voorts vast dat binnen de criminele organisatie sprake was van een zekere rolverdeling. Uit het dossier (onder meer map Z: procesdossier criminele organisatie) blijkt immers dat bij de diverse (pogingen tot) brandstichting/teweegbrengen van een ontploffing, via veelal Snapchat, uitvoerders, waaronder chauffeurs en degenen die de explosieven plaatsten en aanstaken, voor deze misdrijven werden gezocht door zogenaamde brokers/ronselaars. Daarbij werden ook de VBC’s aan de uitvoerders ter beschikking gesteld en werd in de meeste gevallen de opdracht gegeven een en ander te filmen. Dat sommige deelnemers aan de criminele organisatie wel eens van rol wisselden omdat ze zich bijvoorbeeld binnen de organisatie opwerkten van uitvoerder tot broker, of omdat zij een dubbelrol vervulden, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat niet meer kan worden gesproken van een zekere rolverdeling.
Voor de rechtbank staat in dit verband vast dat [medeverdachte B] , als direct betrokkene bij het in de inleiding genoemde conflict, en ook de verdachte, onder meer vanwege zijn contacten met [medeverdachte B] en zijn betrokkenheid als medepleger waarvan ook één keer met [medeverdachte B] , bij diverse (pogingen tot) brandstichting/teweegbrengen van een ontploffing, een rol vervulde binnen de criminele organisatie en dat er in ieder geval tussen hen sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.
Oogmerk
De rechtbank is voorts van oordeel dat de organisatie het oogmerk had het plegen van brandstichtingen en/of het teweegbrengen van ontploffingen. Daartoe wordt allereerst verwezen naar het in de inleiding beschreven conflict. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het criminele oogmerk van de organisatie voortkomt uit het bestaan van dit conflict. [medeverdachte B] en [medeverdachte A] zijn immers beiden betrokken bij het conflict en zijn – zoals de rechtbank in de vonnissen van heden in hun zaken heeft geoordeeld – ook beiden betrokken bij de oprichting van de criminele organisatie. Er is voorts sprake geweest van een groot aantal brandstichtingen en/of ontploffingen dan wel pogingen daartoe bij woningen of panden die in verband kunnen worden gebracht met het conflict. De rechtbank verwijst daarvoor naar het in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen overzicht van deze feiten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank het criminele oogmerk van de organisatie ook daadwerkelijk verwezenlijkt.
De verdachte als deelnemer aan de organisatie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de bewezenverklaring dat de verdachte als medepleger betrokken was bij vijf (pogingen tot) brandstichting/teweegbrengen van een ontploffing bij diverse woningen die in verband kunnen worden gebracht met het in de inleiding beschreven conflict. Daar komt nog eens bij dat ten aanzien van de verdachte, zoals uit hetgeen hiervoor is weergegeven blijkt, ook bewezen is verklaard dat hij zich in relatie tot één van deze feiten schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het crimineel uitbuiten van een minderjarige uitvoerder van een explosie. De rechtbank kan er in dit verband voorts niet aan voorbijzien dat de verdachte 294 stuks zeer zwaar vuurwerk voorhanden had; Cobra’s 6 die, zoals hiervoor in de inleiding ook is aangegeven, gebruikt zijn om de zogenaamde VBC’s te maken, waarmee de feiten waar het oogmerk van de organisatie op was gericht, werden gepleegd.
Conclusie
Door dit beschreven handelen van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de verwezenlijking van het hiervoor weergegeven oogmerk van de criminele organisatie en dat zijn opzet daar ook op was gericht. De rechtbank merkt de verdachte dan ook aan als deelnemer aan deze criminele organisatie zoals tenlastegelegd.
Zaak B, feiten 1 en 2
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Op 23 november 2022, tussen 01.45 en 02.00 uur, heeft een explosie plaatsgevonden bij de voordeur van een woonboot aan de [adres E] in Vijfhuizen. In de woonboot waren op dat moment drie personen aanwezig, waaronder de aangever [slachtoffer A 1]. De aangever zag na de knal bij de onderkant van de voordeur vlammen, die hij heeft weten te blussen. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat een ontploffing teweeg is gebracht en brand is gesticht door middel van een VBC, te weten een flesje gevuld met motorbenzine, waarop een Cobra 6 was aangebracht. Naast gemeen gevaar voor goederen (de woonboot, aangrenzende woningen en daarin aanwezige goederen), zou in geval van branduitbreiding ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten zijn geweest.
De verdachte is op 25 november 2022 aangehouden in het kader van een ander onderzoek. Daarbij is de telefoon van de verdachte in beslag genomen.
Op deze telefoon is een filmpje aangetroffen waarop te zien is dat een VBC wordt aangestoken en voor een deur neergelegd, waarna een ontploffing plaatsvindt. Aan de hand van het tijdstip waarop het filmpje was gemaakt, kon een verband worden gelegd met de explosie in Vijfhuizen. Bij nader onderzoek aan de telefoon bleek op de avond van 22 november 2022 met dit toestel te zijn gezocht op ‘taxiservice Vijfhuizen’ (een van de bewoners van de getroffen woonboot heeft een taxibedrijf met deze naam) en op ‘ [adres E] Vijfhuizen’. Ook was een screenshot gemaakt van de route naar dit adres op Google Maps.
Daarnaast bleek een chat te zijn gevoerd via Snapchat, die werd gestart op 22 november 2022, tussen het account met de gebruikersnaam ‘ [account A] ’ en de schermnaam ‘[voornaam verdachte]’ (de gebruiker van de telefoon) en een account met de gebruikersnaam ‘[account E]’ en de schermnaam ‘[schermnaam E]’.
De rechtbank concludeert op grond van de bewijsmiddelen dat de verdachte de gebruiker van de telefoon was en dat hij degene is die met de Snapchat schermnaam ‘[voornaam verdachte]’ de chat met [schermnaam E] heeft gevoerd.
Op 22 november 2022 in de avond stuurt de verdachte aan [schermnaam E]: ‘Breng je cobra’, ‘moet je m laaien’, ‘voor me ja’, ‘2kop’. De verdachte laat hiermee aan [schermnaam E] weten dat hij een cobra naar [schermnaam E] brengt, dat [schermnaam E] deze voor hem moet plaatsen en dat de beloning 2.000 euro bedraagt.
Even later stuurt [schermnaam E] aan de verdachte het adres President Kennedyplantsoen in Amsterdam.
De verdachte stuurt vervolgens naar een ander contact een afbeelding van een vuurwerkbom. Deze vuurwerkbom komt overeen met de VBC die te zien is op de video van de ontploffing in Vijfhuizen. Daarna stuurt de verdachte aan [schermnaam E] een screenshot van Google Streetview van het adres [adres E] Vijfhuizen.
Rond 23.30 uur hebben de verdachte en [schermnaam E] contact over de betaling voor de ‘driver’.
Om 01.04 (op 23 november 2022) uur vraagt de verdachte aan [schermnaam E]: ‘Al daar?’. Om 01.29 uur en 01.31 uur vraagt de verdachte nogmaals naar een update: ‘???’, ‘Yo’ en ‘Faka’
(hoe gaat het). Direct na dit laatste bericht slaat de verdachte op zijn telefoon het filmpje op waarop de explosie in Vijfhuizen te zien is.
Om 01.59 uur meldt de verdachte aan [schermnaam E] dat hij zo wordt gebeld om het geld
(‘die pap’)te halen en informeert: ‘Is die deur eruit?’, waarop [schermnaam E] antwoordt: ‘Alleen die glas volgens mij’ ‘Die doro
(de rechtbank begrijpt: deur)ging er nii uit’.
De volgende ochtend bekijkt de verdachte op zijn telefoon een nieuwsbericht met de kop: “Woonboot in Vijfhuizen na explosie getroffen door brand”.
De volgende dag geeft [schermnaam E] aan de verdachte door dat de driver haar geld wil.
Op 25 november 2022 laat de verdachte desgevraagd aan [schermnaam E] weten dat hij de betaling gaat regelen, desnoods uit zijn eigen zak.
De rechtbank acht in dit verband ook van belang het chatgesprek dat de verdachte op 23 november 2022 ’s middags voert met een contact genaamd ‘[contact F]’. Samengevat komt het erop neer dat de verdachte aangeeft dat hij deuren opblaast met een ‘plofpakket’, voor ‘2/3 k’ (2.000/3.000 euro) en dat hij dit niet alleen in Amsterdam doet. Hij voegt daaraan toe dat er gister eentje was en dat hij iemand gestuurd had. Als er weer een is, zal hij het [contact F] laten weten.
Uit het politieonderzoek is voorts gebleken dat het Snapchat account met de schermnaam [schermnaam E] van de medeverdachte [medeverdachte E] is. [medeverdachte E] heeft in zijn verklaring bij de politie bevestigd dat hij ‘[schermnaam E]’ is en toegegeven dat hij betrokken is geweest bij de explosie op de [adres E] in Vijfhuizen op 23 november 2022. [voornaam verdachte]
(de rechtbank begrijpt: de verdachte)had hem via Snapchat gezegd dat hij, [medeverdachte E] , vuurwerk voor een huis moest aansteken en dat hij daarvoor betaald zou worden. [voornaam verdachte] stuurde ook het adres. Op de avond voor de explosie heeft de verdachte bij het President Kennedyplantsoen in Amsterdam de vuurwerkbom aan [medeverdachte E] overhandigd. [medeverdachte E] is op diezelfde locatie in Amsterdam opgehaald door de chauffeur en naar Vijfhuizen gebracht. [medeverdachte E] is degene die het op de telefoon van de verdachte aangetroffen filmpje van de ontploffing heeft gemaakt en verstuurd.
Uit de chatberichten die tussen de verdachte en [medeverdachte E] zijn gewisseld, in samenhang met de verklaring van [medeverdachte E] , volgt dat de verdachte aan de medeverdachte de opdracht heeft gegeven voor het tot ontploffing brengen van een VBC bij de woonboot aan de [adres E] in Vijfhuizen op 23 november 2022, dat hij de medeverdachte dit adres heeft gestuurd, dat hij de gebruikte VBC aan de medeverdachte heeft gegeven en dat hij verantwoordelijk was voor het betalen van de medeverdachte en de chauffeur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte hiermee aan de uitvoering van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit een bijdrage geleverd, die van voldoende gewicht is om van de voor een bewezenverklaring van medeplegen noodzakelijke nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Het voorgaande brengt met zich dat de verdachte en zijn medeverdachte de voor de explosie gebruikte VBC gezamenlijk en in vereniging voorhanden hebben gehad. De VBC kan worden gekwalificeerd als een geïmproviseerde explosieve constructie, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing en daarmee als een wapen van Categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie. De rechtbank acht daarom ook het medeplegen van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde feit bewezen.