Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6827

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
11901128 \ CV EXPL 25-3486
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 BWArt. 7:17 lid 2 BWArt. 7:18 lid 1 sub a BWArt. 7:18 lid 2 sub a BWArt. 7:18 lid 2 sub d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenkoop tweedehands auto: toerekenbare tekortkoming en vergoeding herstelkosten

Op 13 januari 2025 kocht eiser een tweedehands Peugeot 207SW van gedaagde voor € 2.750,00. Kort na de koop traden gebreken aan de auto op, waaronder een defecte temperatuursensor en meerdere andere technische mankementen die de rijdbaarheid beïnvloedden. Eiser gaf gedaagde meerdere kansen tot herstel, maar gedaagde kwam niet binnen een redelijke termijn tot reparatie over.

Na ingebrekestellingen liet eiser de auto door een derde, een autobedrijf, repareren voor € 1.713,19. Gedaagde betwistte de gebreken en stelde dat de auto de gebreken gelet op de leeftijd en prijs kon vertonen, maar kon dit niet voldoende onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat de auto niet aan de overeenkomst voldeed en dat eiser gerechtigd was de reparatiekosten op gedaagde te verhalen.

Daarnaast wees de rechtbank de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toe. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de herstelkosten, incassokosten, rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde is toerekenbaar tekortgeschoten en veroordeeld tot betaling van herstelkosten, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11901128 \ CV EXPL 25-3486 TB
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. F.L.P. Vulto,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 september 2025
- het mondeling antwoord van 1 oktober 2025
- het tussenvonnis van 15 oktober 2025
- de brief van 4 november 2025 van [eiser]
- het tussenvonnis van 10 december 2025
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] en zijn gemachtigde zijn op de mondelinge behandeling verschenen. [gedaagde] is niet verschenen op de mondelinge behandeling.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 13 januari 2025 heeft [eiser] een tweedehands auto van het merk Peugeot type 207SW (hierna: de auto) gekocht van [gedaagde] voor een bedrag van € 2.750,00. [eiser] heeft de koopsom voldaan door inruil van zijn oude auto voor een bedrag van € 250,00 en betaling van het restant in geld.
2.2.
Voorafgaand aan de koop heeft [eiser] een proefrit gemaakt en is de auto APK gekeurd.
2.3.
Op 14 januari 2025 heeft [eiser] problemen met de auto gekregen en contact opgenomen met [gedaagde] . [gedaagde] heeft de auto vervolgens een paar dagen later gecontroleerd.
2.4.
Op 29 januari 2025 ondervond [eiser] opnieuw problemen met de auto waarop [eiser] naar [gedaagde] is gereden. Volgens [gedaagde] was de temperatuursensor stuk gegaan waarna [gedaagde] een nieuwe sensor heeft besteld.
2.5.
Op 31 januari 2025 heeft [eiser] via Whatsapp aan [gedaagde] gevraagd of de sensor al binnen is. [gedaagde] reageert: “Nog niet straks denk ik”.
2.6.
Op 2 februari 2025 heeft [eiser] via Whatsapp aan [gedaagde] laten weten dat de auto opnieuw niet start en dat hij de auto twee maal met een jumpstarter heeft moeten starten.
2.7.
Op 3 februari 2025 heeft [eiser] via Whatsapp aan [gedaagde] laten weten dat hij de koopovereenkomst ontbindt, zijn geld terug wil en dat [gedaagde] de auto weer terug krijgt. [gedaagde] reageert hierop met onder andere: “Ik weet niet wat jij denk allemaal maar ik ben geen wegenwacht die elke keer langs komt omdat jij weer is een lege accu heb” en “Bij deze doe ik hellemaal niks meer voor je en hoop dat je een andere zoekt die wel voor je gaat rennen".
2.8.
Op 22 april 2025 heeft (de gemachtigde van) [eiser] een schriftelijke ingebrekestelling aan [gedaagde] verstuurd. [gedaagde] heeft op 2 mei 2025 aan de gemachtigde van [eiser] gemaild (samengevat) dat [eiser] geen geduld had en dreigende berichten begon te sturen. [eiser] probeert een slaatje te slaan uit een auto die maar € 2.500,00 heeft gekost. [gedaagde] heeft uiteindelijk gezegd dat hij niets meer doet voor [eiser] .
2.9.
Op 20 mei 2025 heeft [eiser] de auto naar [Autobedrijf] gebracht voor onderzoek. [Autobedrijf] heeft naar aanleiding van het onderzoek meerdere gebreken vastgesteld en benoemd wat er vervangen dan wel gerepareerd moet worden: vervanging van het oliefilterhuis; vervanging van een lekkend kleppendeksel; vervanging van de pakking vacuümpomp; reparatie van een defecte oliedrukschakelaar en vervanging vanwege een lek in het expansievat van het koelsysteem.
2.10.
Bij brief van 2 juni 2025 heeft [eiser] [gedaagde] een tweede ingebrekestelling gestuurd, vergezeld met de offerte van [Autobedrijf] . [gedaagde] is niet overgegaan tot herstel van de gebreken.
2.11.
[eiser] heeft de auto laten repareren door [Autobedrijf] voor € 1.713,19.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen op 13 januari 2025 gesloten koopovereenkomst en vordert betaling van € 1.713,19, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer tegen de vordering.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Consumentenkoop
4.1.
Vast staat dat [eiser] de auto als consument heeft gekocht en dat sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 van Pro het Burgerlijk Wetboek (“BW”).
Non-conformiteit
4.2.
De kern van het geschil is of [eiser] bevoegd was de auto door een derde te laten herstellen en de kosten daarvan op [gedaagde] te verhalen. Dit is het geval als de auto niet beantwoordt aan de overeenkomst omdat deze niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten [1] , en als de verkoper vervolgens de auto niet binnen een redelijke termijn heeft hersteld [2] . De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] hiertoe bevoegd was. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd.
4.3.
In de eerste plaats moet worden beoordeeld of de auto niet de eigenschappen bezit die [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. [eiser] mocht verwachten dat de auto de eigenschappen zou bezitten die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefte te betwijfelen. Bij een consumentenkoop geldt daarbij het rechtsvermoeden van artikel 7:18a BW, waarin is bepaald dat als zich binnen één jaar na de aflevering een gebrek openbaart, de zaak wordt vermoed bij aflevering niet aan de overeenkomst te hebben beantwoord. Verder moet de zaak bijvoorbeeld (voor zover van toepassing) wat betreft de beschrijving, het type en kwaliteit voldoen aan de overeenkomst (artikel 7:18 lid 1 sub a BW Pro) en moet de zaak geschikt zijn voor de doeleinden waarvoor zaken van hetzelfde type gewoonlijk worden gebruikt en ook de kenmerken bezitten, onder meer met betrekking tot duurzaamheid en functionaliteit, die voor hetzelfde type zaken normaal zijn en die de koper redelijkerwijs mag verwachten gelet op onder meer de aard van de zaak (artikel 7:18 lid 2 sub a respectievelijk Pro sub d BW). Een afwijking van de objectieve conformiteitseisen is alleen mogelijk als de consument hiervan uitdrukkelijk in kennis is gesteld én de consument die afwijking uitdrukkelijk en afzonderlijk heeft aanvaard (artikel 7:18 lid 6 BW Pro).
4.4.
[eiser] stelt dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde omdat de auto niet de eigenschappen bezit die hij op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De eerste gebreken aan de auto openbaarde zich al binnen 24 uur na aankoop. [eiser] heeft met [gedaagde] contact opgenomen, waarna [gedaagde] de auto heeft gecontroleerd. Nog geen twee weken later verscheen er een waarschuwingsmelding in het dashboard, duidend op een te hoge motortemperatuur. [gedaagde] bestelde een nieuwe temperatuursensor, maar dit bleek niet de oplossing. Bij [Autobedrijf] bleek dat een stekker getaped was; het expansievat van het koelsysteem lek was; de pakking van de vacuümpomp versleten was en er een scheur zat in het oliehuis. [eiser] heeft [gedaagde] hiervan middels een tweede ingebrekestelling op de hoogte gebracht waarop [gedaagde] (samengevat) heeft gereageerd dat hij bij zijn eerste reactie bleef (dat hij niets meer doet voor [eiser] ). [gedaagde] stelde verder dat de auto maar € 2.750,00 heeft gekost en dat de olielekkage van de auto iets is wat je kan verwachten van een auto uit 2009. Daarnaast was [gedaagde] van mening dat [eiser] het er zelf naar gemaakt heeft dat hij de auto niet meer voor [eiser] zou herstellen, gelet op de houding van [eiser] . Hij is normaal de moeilijkste niet, aldus [gedaagde] .
4.5.
Het verweer van [gedaagde] gaat niet op. Nu de gebreken zich binnen een jaar voordeden, wordt vermoed dat deze bij aflevering al aanwezig waren. Nu deze gebreken leidden tot oververhitting van de motor, was de auto niet rijdbaar. Het is daarom aan [gedaagde] om te stellen (en zo nodig te bewijzen) dat de auto bij aflevering wel aan de overeenkomst beantwoordde. De stelling van [gedaagde] dat je deze gebreken kon verwachten bij een auto van € 2.750,- uit 2009, is onvoldoende.
4.6.
Als de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, kan de koper - onder meer – herstel van de afgeleverde zaak eisen [3] . Dit heeft [eiser] ook gedaan. [eiser] heeft [gedaagde] daarbij schriftelijk een redelijke termijn geboden om tot herstel van de auto over te gaan, maar dat heeft [gedaagde] (in strijd met artikel 7:21 lid 3 BW Pro) nagelaten.
4.7.
Doordat [gedaagde] niet binnen een redelijke termijn nadat hij daartoe schriftelijk door [eiser] was aangemaand tot herstel van de auto is overgegaan, was [eiser] bevoegd om het herstel van de auto door een derde ( [Autobedrijf] ) te laten plaatsvinden en de kosten daarvan op [gedaagde] te verhalen [4] . [Autobedrijf] heeft voor het verhelpen van de gebreken een bedrag van in totaal € 1.723,19 bij [eiser] in rekening gebracht. [gedaagde] heeft de redelijkheid van deze kosten niet betwist. De vordering van [eiser] tot vergoeding van € 1.723,19 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2025 (zeven dagen na de sommatie van 2 juni 2025).
Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
4.8.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 310,94 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
4.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
Totaal
632,50
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op 13 januari 2025 tussen partijen gesloten overeenkomst,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.713,19, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 310,94 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 t/m 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:17 lid 2 BW Pro.
2.Artikel 7:21 lid 1 sub b BW Pro.
3.Artikel 7:21 lid 1 sub b BW Pro.
4.Artikel 7:21 lid 6 BW Pro.