Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6876

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
15/297925-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling en verstoring demonstratie met auto

Op 3 maart 2025 reed de verdachte met een auto tijdens een vreedzame demonstratie van Extinction Rebellion in Haarlem op het slachtoffer in, die de demonstratie filmde. De verdachte reed door een spandoek heen en raakte het slachtoffer, die op de motorkap belandde en viel. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte met voorwaardelijk opzet handelde en een poging tot zware mishandeling pleegde.

Daarnaast werd bewezen verklaard dat de verdachte de demonstratie opzettelijk verstoorde, de plaats van het ongeval verliet terwijl hij wist dat het slachtoffer letsel had, en gevaar op de weg veroorzaakte. De verdediging voerde vrijspraak aan, maar dit werd verworpen op basis van videobeelden en getuigenverklaringen.

De rechtbank legde een taakstraf van 200 uur op, een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding van €1.100 en proceskosten van €1.108 toegewezen.

De rechtbank benadrukte het belang van het demonstratierecht en veroordeelde het handelen van de verdachte als een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het fundamentele recht op demonstratie. De strafdoelen van vergelding, preventie en het afgeven van een signaal aan de samenleving speelden een belangrijke rol in de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 200 uur taakstraf, één maand voorwaardelijke gevangenisstraf en twaalf maanden rijontzegging wegens poging zware mishandeling en verstoring demonstratie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/297925-25 (P)
Uitspraakdatum: 11 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
.
De zaak is op 17 februari 2026 door de politierechter van deze rechtbank naar de meervoudige kamer van deze rechtbank verwezen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. L. Rienks en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. M.C. Kersemaekers-Schraven, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat hij op 3 maart 2025 in Haarlem heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een auto op haar in te rijden. Subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling. De verdachte wordt daarnaast verweten dat hij opzettelijk een demonstratie van Extinction Rebellion heeft gestoord, dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten en dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.
De volledige tenlastelegging luidt dat:
1.
primairhij op of omstreeks 3 maart 2025 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met een personenauto is ingereden op die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op en/of tegen de motorkap van voornoemde personenauto terecht is gekomen en/of
- te rijden terwijl die [slachtoffer] zich op en/of tegen de personenauto bevond, waarna die [slachtoffer] op de grond ten val kwam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 3 maart 2025 te Haarlem [slachtoffer] heeft mishandeld, door met een personenauto tegen het lichaam van die [slachtoffer] aan te rijden;
2.
hij op of omstreeks 3 maart 2025 te Haarlem door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis, te weten door met een personenauto door een spandoek heen te rijden en/of tegen [slachtoffer] aan te rijden, ten gevolge waarvan zij ten val kwam en letsel heeft opgelopen en/of zij moest stoppen met streamen en/of zij niet heeft deelgenomen aan de dei-in tijdens het luchtalarm, een geoorloofde betoging, te weten een demonstratie van Extincion Rebellion, opzettelijk heeft gestoord;
3.
hij, als degene die als bestuurder van een personenauto betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Haarlem op/aan de Dreef, op of omstreeks 3 maart 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht;
4.
hij op of omstreeks 3 maart 2025 te Haarlem als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de weg, Dreef,
- met onverminderde snelheid op voornoemd spandoek en/of een groep personen is afgereden en/of
- met onverminderde snelheid tegen het spandoek is aangereden en/of
- met onverminderde snelheid tegen een persoon, te weten [slachtoffer] is aangereden, waardoor zij op de motorkap terecht kwam en ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier
van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op de verweren van de raadsvrouw zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten 1, 3 en 4
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting (waaronder de beelden die op de zitting uitgebreid vertoond en besproken zijn) het volgende vast.
Op 3 maart 2025 vindt bij het Provinciehuis aan De Dreef in Haarlem een demonstratie van Extinction Rebellion plaats. Bij deze demonstratie wordt (onder meer) de ingang van de parkeergarage van het Provinciehuis door demonstranten met een spandoek versperd. De verdachte rijdt kort voor 11:00 uur als bestuurder van een rode Audi met [kenteken] de oprijlaan richting de parkeergarage op. Op het moment dat de verdachte de inrit naar de parkeergarage nadert, wordt het spandoek door twee demonstranten in gele overalls over de weg gespannen (nadat zij onmiddellijk daarvoor doorgang hadden verleend aan een auto die de parkeergarage verliet). Om het spandoek heen staat nog een aantal demonstranten. Het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer / de benadeelde partij) staat op de oprijlaan van de parkeergarage halverwege de oprit de demonstratie te filmen voor een livestream. Zij staat een aantal meter achter het spandoek. Naast haar staat een demonstrant in een gele overall met een rugzak op zijn rug. Op het moment dat de verdachte op de oprijlaan richting het over de weg gespannen spandoek rijdt, hangt het spandoek lager dan de bovenkant van de motorkap van de auto van de verdachte; de voorruit wordt door het spandoek op dat moment niet bedekt. Het slachtoffer staat nog altijd achter het spandoek te filmen en naast haar staat de demonstrant met de gele overall met rugzak. De verdachte rijdt op dat moment met een gemiddelde snelheid van ongeveer 8.7 kilometer per uur. De rechtbank noemt dit moment ‘Fase 1’.
De verdachte rijdt door, claxonneert een aantal keer en raakt vervolgens met de bovenkant van zijn motorkap het spandoek, waarbij de bovenste rand van het spandoek niet boven de bovenrand van de motorkap uitkomt. De rechtbank noemt dit moment ‘Fase 2’.
De verdachte blijft doorrijden. Het spandoek glijdt hierdoor over de voorruit van de auto heen, waardoor gedurende circa 1 seconde de gehele voorruit wordt bedekt. Ook dan blijft de verdachte doorrijden. Het slachtoffer staat ook op dat moment nog voor de auto van de verdachte. De verdachte stuurt zijn auto naar links richting de inrit van de parkeergarage. In het begin van de bocht naar links richting de inrit van de parkeergarage raakt de verdachte met zijn auto het slachtoffer, waardoor het slachtoffer op de motorkap van de auto belandt. De verdachte rijdt dan met een gemiddelde snelheid van ongeveer 6 kilometer per uur. De rechtbank noemt dit moment ‘Fase 3’.
De verdachte blijft doorrijden, waardoor het spandoek over de bovenkant van de auto heen glijdt. De verdachte bevindt zich inmiddels vlak voor de inrit van de parkeergarage. Het slachtoffer is door de auto meegevoerd naar de locatie vlak voor de inrit van de parkeergarage en komt met de voorzijde van het lichaam tegen de rechterkant van de motorkap van de auto van de verdachte aan. Naast haar staat de andere demonstrant in gele overall met rugzak die zijn armen strekt en zijn handen op het midden van de motorkap zet. De rechtbank noemt dit moment ‘Fase 4’. De verdachte blijft zonder te remmen doorrijden, waardoor het slachtoffer draait, met haar rug over de motorkap rolt en rechts naast de auto ten val komt. De verdachte rijdt vervolgens met een gemiddelde snelheid van ongeveer 24 kilometer per uur de parkeergarage in. De verdachte is op geen van deze momenten gestopt met rijden en heeft geen enkel moment geremd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden vast dat de verdachte, afgezien van een enkele seconde in fase 3, steeds vrij zicht heeft gehad op de personen die zich voor zijn auto bevonden. Bij de politie en ter terechtzitting heeft de verdachte echter verklaard dat hij op geen enkel moment iemand voor zijn auto heeft zien staan. Dit zou betekenen dat de verdachte de personen achter het spandoek heeft gemist zowel gedurende enige tijd dat hij aan kwam rijden op de oprijlaan (fase 1), als op het moment dat hij het spandoek raakte (fase 2) en het moment dat hij aan het einde van de bocht de inrit van de parkeergarage opreed terwijl twee personen waaronder het slachtoffer tegen zijn motorkap stonden (fase 4). De hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, gebaseerd op de ter terechtzitting getoonde beelden, zijn in redelijkheid echter volstrekt niet te rijmen met de verklaring van de verdachte. De rechtbank vindt de verklaring van de verdachte dat hij op geen enkel moment gedurende fase 1, fase 2 en fase 4 iemand voor zijn auto heeft zien staan daarom ongeloofwaardig.
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de gedragingen van de verdachte kunnen worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling, en zo niet, als mishandeling.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met zijn gedragingen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Het met een auto – een vervoersmiddel met een fors gewicht en forse omvang - inrijden op een persoon brengt naar algemene ervaringsregels de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid met zich mee dat deze persoon als gevolg van de impact of de wijze waarop hij ten val komt, zwaar lichamelijk letsel oploopt. Dat is ook het geval als de auto niet erg hard rijdt. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard doordat hij zonder te stoppen is doorgereden terwijl hij zich tijdens fase 1 en fase 2 bewust moet zijn geweest van de personen die zich achter het spandoek op de weg bevonden en tijdens fase 4 onmiddellijk voor en tegen zijn auto bevonden. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte opzet had, in voorwaardelijke zin, op zware mishandeling van het slachtoffer en komt tot een bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling (feit 1 primair).
Op basis van de hiervoor onder feiten en omstandigheden beschreven gedragingen acht de rechtbank bovendien bewezen dat de verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt (feit 4) en dat hij de plaats ongeval heeft verlaten (feit 3). Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte zich in een bedreigende situatie bevond en daarom is doorgereden, merkt de rechtbank op dat er geen enkele aanwijzing was dat de verdachte zich in een bedreigende situatie bevond. In het dossier zijn geen aanknopingspunten te vinden waaruit volgt dat de demonstranten zich op een wijze gedroegen die voor de verdachte redelijkerwijze als bedreigend kon zijn ervaren. Daar komt bij dat er aan het begin van oprijlaan naar de parkeergarage politieagenten stonden die meekeken tijdens de gehele demonstratie. Dat een andere politicus eerder op die dag een aanvaring zou hebben gehad met de demonstraten maakt nog niet dat de verdachte de situatie waarin hij zich bevond als bedreigend kon ervaren. Dat geldt temeer omdat de verdachte op 3 maart 2025 niet op de hoogte was van de ervaring van die andere politicus.
3.3.3
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2
Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake was van een geoorloofde betoging. De verdachte heeft deze betoging verstoord door met zijn auto door het spandoek heen te rijden en tegen het slachtoffer aan te rijden. De enkele omstandigheid dat de verdachte als gevolg van die demonstratie niet onbelemmerd de parkeergarage in kon rijden, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, doet niets af aan het geoorloofde karakter van de demonstratie. Enig ongemak door een demonstratie is inherent aan demonstreren en maakt een demonstratie daarmee op zichzelf niet ongeoorloofd.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1.
primairhij op 3 maart 2025 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met een personenauto is ingereden op die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op en tegen de motorkap van voornoemde personenauto terecht is gekomen en
- te rijden terwijl die [slachtoffer] zich op en tegen de personenauto bevond, waarna die [slachtoffer] op de grond ten val kwam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 3 maart 2025 te Haarlem door het verwekken van wanorde, te weten door met een personenauto door een spandoek heen te rijden en tegen [slachtoffer] aan te rijden, ten gevolge waarvan zij ten val kwam en letsel heeft opgelopen en zij moest stoppen met streamen en zij niet heeft deelgenomen aan de “die-in” tijdens het luchtalarm, een geoorloofde betoging, te weten een demonstratie van Extinction Rebellion, opzettelijk heeft gestoord;
3.
hij, als bestuurder van een personenauto betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Haarlem op de Dreef, op 3 maart 2025 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel was toegebracht;
4.
hij op 3 maart 2025 te Haarlem als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de weg, Dreef,
- op een spandoek en een groep personen is afgereden en
- met onverminderde snelheid tegen het spandoek is aangereden en
- met onverminderde snelheid tegen een persoon, te weten [slachtoffer] is aangereden, waardoor zij op de motorkap terecht kwam en ten val is gekomen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair:
poging tot zware mishandeling;
feit 2:
door het verwekken van wanorde een geoorloofde betoging opzettelijk storen;
feit 3:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 4:
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden gevorderd. Ten aanzien van feit 4 (een overtreding) heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van 150 euro.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, bij bewezenverklaring van feit 4, verzocht aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Volgens de raadsvrouw reed de verdachte met zeer lage snelheid en hebben de demonstranten een situatie gecreëerd die voor de verdachte als onveilig voelde. Verder heeft de raadsvrouw gewezen op de impact die het incident op het privéleven en op de politieke carrière van de verdachte heeft gehad. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met zijn blanco strafblad. Tot slot heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat sprake is van eendaadse samenloop tussen feiten 1, 2 en 4.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, waarbij de onder 1 en 4 bewezen verklaarde feiten in een onderlinge verhouding van eendaadse samenloop staan als bedoeld in artikel 55 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is van oordeel dat de poging tot zware mishandeling en de gevaarzetting als verkeersdeelnemer zodanig met elkaar zijn verweven en zozeer in elkaar opgaan dat bij die feiten sprake is van eendaadse samenloop. Omdat de strafbepaling gericht tegen het opzettelijk storen van een geoorloofde betoging een wezenlijk andere strekking heeft dan voornoemde feiten 1 en 4, is geen sprake van eendaadse samenloop met feit 2.
De rechtbank heeft verder de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, betrokken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door bewust de aanmerkelijke kans te aanvaarden dat hij met zijn auto letsel zou veroorzaken bij het slachtoffer, die op zijn motorkap terecht is gekomen en vervolgens op de grond is gevallen. Dat het letsel beperkt is gebleven en er geen zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt, is niet aan het handelen van de verdachte te danken. Aldus heeft hij door zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte is vervolgens zonder te stoppen en zich om het slachtoffer te bekommeren doorgereden. Hij moet zich bewust zijn geweest van de mogelijkheid dat één of beide personen die zich onmiddellijk voor zijn auto tegen de motorkap aan bevonden letsel hadden opgelopen toen hij doorreed. De verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen gestelde gevoel van onveiligheid (voor welk gevoel overigens geen enkele begrijpelijke aanleiding te vinden is in het dossier).
Andere personen zijn getuige geweest van het incident. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij slachtoffers en omstanders van soortgelijke delicten lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid (kunnen) blijven bestaan. Daarmee heeft de verdachte ook gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt in de samenleving.
Ter terechtzitting heeft de verdachte op geen enkele wijze enig medeleven getoond voor het leed dat hij het slachtoffer heeft aangedaan.
Het slachtoffer nam op het moment van de aanrijding deel aan een geoorloofde demonstratie van klimaatbeweging Extinction Rebellion. De verdachte heeft deze demonstratie verstoord en door zijn handelwijze kon het slachtoffer haar demonstratierecht niet meer uitoefenen als gevolg van het letsel door de aanrijding.
Het recht om te demonstreren vormt een belangrijke pijler in het systeem van
checks and balancesvan onze democratische rechtsstaat. Een belangrijke voorwaarde voor de effectieve uitoefening van het demonstratierecht is dat demonstranten veilig zijn en zich veilig kunnen voelen. Burgers moeten zonder vrees voor geweld gebruik kunnen maken van hun grondrechten. De kans om slachtoffer te worden van geweld door anderen mag geen reden zijn voor burgers om af te zien van de uitoefening van hun grondwettelijk beschermde demonstratierecht (chilling effect). De rechtbank vindt het dan ook uitermate kwalijk dat de verdachte, in het bijzonder ook gelet op zijn publieke functie als Statenlid, ervoor heeft gekozen op ernstige wijze inbreuk te maken op dit fundamentele grondrecht door opzettelijk tegen een demonstrant aan te rijden en vervolgens door te rijden.
Strafdoelen
In de aard van de sancties en de hoogte van de strafmaat heeft de rechtbank naast overwegingen vanuit een oogpunt van vergelding voor het ernstige onrecht dat het slachtoffer is aangedaan ook meegewogen dat van de strafmaat een duidelijk signaal dient uit te gaan naar anderen dat een handelwijze zoals die waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt onacceptabel is in onze democratische rechtsstaat en met ernstige straffen en maatregelen (zoals ontzegging van de rijbevoegdheid) wordt bedreigd. Vanuit een oogpunt van speciale preventie (om te voorkomen dat de verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan een vergelijkbaar of ander strafbaar feit) zal de rechtbank een deel van de sancties voorwaardelijk opleggen op de wijze zoals hieronder wordt beschreven.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 17 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit weegt dus niet in zijn nadeel mee.
De op te leggen straffenHoewel de landelijke oriëntatiepunten, zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) bij een (voltooide) zware mishandeling uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ziet de rechtbank in deze zaak aanleiding daarvan af te wijken en zal zij een taakstraf opleggen. Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten is de rechtbank echter van oordeel dat een hogere taakstraf passend en geboden is dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende acht de rechtbank ten aanzien van de onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten een taakstraf van 200 uur passend en geboden. Daarnaast is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand moet worden opgelegd met een proeftijd van twee jaar om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan strafbaar feit.
Omdat de verdachte op ernstige wijze is tekort geschoten in zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer door opzettelijk (in voorwaardelijke zin) zijn auto te gebruiken bij een poging tot zware mishandeling en, daardoor, gevaar op de weg te veroorzaken, zal de rechtbank ten aanzien van de onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde feiten de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen voor de duur van twaalf maanden. De rechtbank zal, gelet op het feit dat de verdachte nooit eerder voor verkeersfeiten is veroordeeld, bepalen dat een gedeelte van deze straf, te weten zes maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar (verkeers)feit.
Gelet op de voor de feiten 1 primair, 2 en 3 op te leggen straffen zal de rechtbank ten aanzien van de onder 4 bewezen verklaarde overtreding volstaan met schuldigverklaring en voor dat feit geen straf aan de verdachte opleggen.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij is door haar advocaat, W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, tegen de verdachte een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 1.100.- wegens immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde immateriële schade wordt gevorderd wegens het lichamelijk letsel dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen. Daarnaast wordt een bedrag van € 1.124,56 als vergoeding van de proceskosten (bestaande uit € 16,56 aan reiskosten naar de zitting en € 1.108,- aan advocaatkosten) gevorderd.
7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan
worden toegewezen.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het gestelde lichamelijk letsel onvoldoende is onderbouwd en er bovendien geen causaal verband bestaat tussen het lichamelijk letsel en de strafbare feiten.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
De benadeelde partij heeft gesteld dat zij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat het gestelde letsel voldoende aannemelijk gemaakt is op grond van de bewezen verklaarde feiten en hetgeen overigens uit het dossier blijkt. Zij is bij de aanrijding op de motorkap van de auto van de verdachte terecht gekomen en vervolgens op de grond gevallen. Dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten, is daarmee voldoende onderbouwd. De rechtbank acht de hoogte van de gevorderde immateriële schade billijk, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de Rotterdamse Schaal. De gevraagde vergoeding voor immateriële schade zal dan ook volledig worden toegewezen.
Proceskosten
De gevorderde reiskosten gemaakt door de benadeelde partij om de zitting bij te wonen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor geldt dat zoveel mogelijk aangesloten moet worden bij de civiele proceskostenregeling. Die regeling, onder verwijzing naar de artikelen 238 en 239 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kent geen vergoeding voor de door de benadeelde partij gevorderde reiskosten voor het bijwonen van een zitting als de benadeelde met een gemachtigde procedeert. Daarom zal deze post worden afgewezen.
De gevorderde kosten voor rechtsbijstand komen wel voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank hanteert hierbij dezelfde maatstaf als die van toepassing is in civiele procedures. Die kosten worden begroot op € 1.108,- (zijnde 2 punten als vermeld in het liquidatietarief kantonzaken per 1 februari 2026, 1 punt voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier en 1 punt voor het verschijnen ter terechtzitting). Deze post zal worden toegewezen.
Conclusie
De gevorderde immateriële schade wordt volledig toegewezen. Dit betekent dat aan de benadeelde partij een totaalbedrag van € 1.100.- wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Ook worden de proceskosten toegewezen tot een bedrag van € 1.108,-.
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
  • 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 55, 57, 144 en 302 van het Wetboek van Strafrecht; en
  • 7, 176, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

9.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten tot het verrichten van
200 [tweehonderd] uren taakstrafdie bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 [honderd] dagen hechtenis;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 [één] maand, met bevel dat deze straf
niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte ter zake van de feiten 1 primair en 3 tot een
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
12 [twaalf] maanden. Beveelt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot
6 [zes] maanden,
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bepaalt dat ter zake van het onder 4. bewezen verklaarde feit geen straf wordt opgelegd;
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 1.100,- [elfhonderd euro], als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt, tot op heden vastgesteld op
€ 1.108,- [duizendhonderdacht euro], en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
wijst de vordering ten aanzien van de gevraagde proceskosten voor het overige af;
legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.100,- [elfhonderd euro], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; en
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Mac Donald, voorzitter,
mr. M.C.J. Lommen en mr. P.E.A. Chao, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juni 2026.