Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
primairhij op of omstreeks 3 maart 2025 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met een personenauto is ingereden op die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op en/of tegen de motorkap van voornoemde personenauto terecht is gekomen en/of
- te rijden terwijl die [slachtoffer] zich op en/of tegen de personenauto bevond, waarna die [slachtoffer] op de grond ten val kwam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op of omstreeks 3 maart 2025 te Haarlem door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis, te weten door met een personenauto door een spandoek heen te rijden en/of tegen [slachtoffer] aan te rijden, ten gevolge waarvan zij ten val kwam en letsel heeft opgelopen en/of zij moest stoppen met streamen en/of zij niet heeft deelgenomen aan de dei-in tijdens het luchtalarm, een geoorloofde betoging, te weten een demonstratie van Extincion Rebellion, opzettelijk heeft gestoord;
hij, als degene die als bestuurder van een personenauto betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Haarlem op/aan de Dreef, op of omstreeks 3 maart 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht;
hij op of omstreeks 3 maart 2025 te Haarlem als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de weg, Dreef,
- met onverminderde snelheid op voornoemd spandoek en/of een groep personen is afgereden en/of
- met onverminderde snelheid tegen het spandoek is aangereden en/of
- met onverminderde snelheid tegen een persoon, te weten [slachtoffer] is aangereden, waardoor zij op de motorkap terecht kwam en ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
primairhij op 3 maart 2025 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met een personenauto is ingereden op die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op en tegen de motorkap van voornoemde personenauto terecht is gekomen en
- te rijden terwijl die [slachtoffer] zich op en tegen de personenauto bevond, waarna die [slachtoffer] op de grond ten val kwam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op 3 maart 2025 te Haarlem door het verwekken van wanorde, te weten door met een personenauto door een spandoek heen te rijden en tegen [slachtoffer] aan te rijden, ten gevolge waarvan zij ten val kwam en letsel heeft opgelopen en zij moest stoppen met streamen en zij niet heeft deelgenomen aan de “die-in” tijdens het luchtalarm, een geoorloofde betoging, te weten een demonstratie van Extinction Rebellion, opzettelijk heeft gestoord;
hij, als bestuurder van een personenauto betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Haarlem op de Dreef, op 3 maart 2025 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel was toegebracht;
hij op 3 maart 2025 te Haarlem als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de weg, Dreef,
- op een spandoek en een groep personen is afgereden en
- met onverminderde snelheid tegen het spandoek is aangereden en
- met onverminderde snelheid tegen een persoon, te weten [slachtoffer] is aangereden, waardoor zij op de motorkap terecht kwam en ten val is gekomen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sancties
De rechtbank is van oordeel dat de poging tot zware mishandeling en de gevaarzetting als verkeersdeelnemer zodanig met elkaar zijn verweven en zozeer in elkaar opgaan dat bij die feiten sprake is van eendaadse samenloop. Omdat de strafbepaling gericht tegen het opzettelijk storen van een geoorloofde betoging een wezenlijk andere strekking heeft dan voornoemde feiten 1 en 4, is geen sprake van eendaadse samenloop met feit 2.
checks and balancesvan onze democratische rechtsstaat. Een belangrijke voorwaarde voor de effectieve uitoefening van het demonstratierecht is dat demonstranten veilig zijn en zich veilig kunnen voelen. Burgers moeten zonder vrees voor geweld gebruik kunnen maken van hun grondrechten. De kans om slachtoffer te worden van geweld door anderen mag geen reden zijn voor burgers om af te zien van de uitoefening van hun grondwettelijk beschermde demonstratierecht (chilling effect). De rechtbank vindt het dan ook uitermate kwalijk dat de verdachte, in het bijzonder ook gelet op zijn publieke functie als Statenlid, ervoor heeft gekozen op ernstige wijze inbreuk te maken op dit fundamentele grondrecht door opzettelijk tegen een demonstrant aan te rijden en vervolgens door te rijden.
7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 55, 57, 144 en 302 van het Wetboek van Strafrecht; en
- 7, 176, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.
9.Beslissing
200 [tweehonderd] uren taakstrafdie bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 [honderd] dagen hechtenis;
gevangenisstrafvoor de duur van
1 [één] maand, met bevel dat deze straf
niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
12 [twaalf] maanden. Beveelt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot
6 [zes] maanden,
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 1.100,- [elfhonderd euro], als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
€ 1.108,- [duizendhonderdacht euro], en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;