ECLI:NL:RBNHO:2026:6961

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
HAA 25/2776
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 Wet WiaArt. 3 Wet WiaArt. 8:32 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens verblijf in het buitenland bevestigd

Eiser ontving sinds januari 2019 een WIA-uitkering die per 1 november 2024 werd beëindigd door het UWV vanwege zijn verblijf in het buitenland. Eiser betwistte dat hij meer dan acht maanden per jaar buiten Nederland verbleef en stelde dat hij een duurzame persoonlijke band met Nederland heeft.

De rechtbank oordeelde dat op basis van diverse bewijsstukken, waaronder paspoortstempels, bankafschriften, medische rapportages en verklaringen, eiser in 2022, 2023 en 2024 inderdaad langer dan acht maanden per jaar in Mexico verbleef. De stelling van eiser dat hij noodgedwongen langer in Mexico verbleef vanwege de ziekte van zijn vader werd niet gevolgd.

De rechtbank concludeerde dat eiser niet als pendelaar kan worden aangemerkt en dat hij geen duurzame persoonlijke band met Nederland heeft die het verblijf in het buitenland zou kunnen rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de WIA-uitkering wegens verblijf in het buitenland wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2776

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. C. de Vries),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: L. Ritsma).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2] (ex-werkgever).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van eisers uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia) vanwege het verblijf in het buitenland. Eiser is het hier niet mee eens en betwist dat hij meer dan 8 maanden per jaar in het buitenland heeft verbleven. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Bij besluit van 27 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv de Wia-uitkering van eiser per 1 november 2024 beëindigd.
2.2.
Bij besluit van 16 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het primaire besluit in stand gelaten.
2.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn vader en bijgestaan door zijn gemachtigde, de gemachtigde van het Uwv en [naam] namens de ex-werkgever.
2.5.
Eiser heeft geen toestemming gegeven om de medische gegevens te delen met zijn ex-werkgever. De rechtbank heeft daarom, onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat uitsluitend een gemachtigde van ex-werkgever kennis mag nemen van die stukken. Om diezelfde reden neemt de rechtbank in deze uitspraak de medische klachten van eiser en de daaraan gerelateerde stukken, in algemene bewoordingen op.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Eiser ontving sinds 12 januari 2019 een Wia-uitkering. In het kader van de monitoring van zijn gezondheidstoestand heeft de verzekeringsarts aanleiding gezien voor een herbeoordeling. Het Uwv heeft op 18 oktober 2024 telefonisch contact opgenomen met eiser voor het inplannen van een afspraak. In dit gesprek heeft eiser vermeld dat hij pas in juli/augustus 2025 beschikbaar is voor een fysiek spreekuur. Ook heeft hij verteld dat hij woonachtig is in Mexico met zijn partner. Op basis van deze informatie is het primaire besluit genomen.
3.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt. Voorafgaand aan de hoorzitting heeft het Uwv op 4 februari 2025 verzocht om nadere informatie, bestaande uit bankafschriften uit 2024, een kopie van de visa kaart en een kopie van het paspoort (met inbegrip van de daarin aanwezige stempels). Op de hoorzitting is de gemachtigde namens eiser verschenen, eiser was zelf niet aanwezig. Na afloop van de hoorzitting is eiser bij brief van 18 februari 2025 verzocht om een schriftelijke reactie op de tijdens de hoorzitting gestelde vragen.
3.3.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat uit de door eiser overgelegde stukken, waaronder de stempels in het paspoort, het telefoongesprek met het klantcontactcentrum van het Uwv (KKC), de medische rapportage van de verzekeringsarts van 14 oktober 2024, de bankafschriften en eisers schriftelijke reactie op de in bezwaar gestelde vragen, blijkt dat hij langer dan 8 maanden per jaar in het buitenland verbleef. Verder is overwogen dat eiser weliswaar staat ingeschreven op het adres van zijn ouders in Nederland maar dat gelet op de feitelijke situatie hij volgens het Uwv niet is aan te merken als pendelaar.

Standpunt eiser

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn Wia-uitkering ten onrechte is beëindigd. Eiser stelt dat hij in Nederland woont en betwist dat hij meer dan 8 maanden per jaar in het buitenland verbleef. Daarbij voert eiser aan dat hij in 2024 noodgedwongen langer in Mexico is gebleven, omdat hij vanwege de ziekte van zijn vader niet in Nederland kon verblijven. Daarnaast is er volgens eiser sprake van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Hij heeft zich immers nooit gevestigd in het buitenland. Hij wijst erop dat hij staat ingeschreven in Nederland, zijn kinderen in Nederland verblijven en hij belastingen en premies betaalt.

Beoordeling door de rechtbank

5.1.
Als uitgangspunt bij de beoordeling is het volgende van belang. Uit artikel 43, aanhef en onder f, van de Wet Wia volgt dat een uitsluitingsgrond voor het ontvangen van een uitkering op grond van deze wet bestaat wanneer een betrokkene niet in Nederland woont. In artikel 3, eerste lid, van de Wet Wia staat vermeld dat waar iemand woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld.
5.2.
Uit de relevante rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat om te bepalen waar iemand woont acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen eiser en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. [1]
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de in het dossier aanwezige stukken, en de door de gemachtigde van eiser ter zitting gegeven toelichting, eiser in ieder geval in 2022, 2023 en 2024 meer dan 8 maanden per jaar in het buitenland heeft verbleven. Uit de eigen verklaring van eiser en de medische rapportage van de verzekeringsarts van 14 oktober 2024 blijkt namelijk dat eiser sinds 2022 voor langere tijd in Mexico verbleef met zijn partner en hij jaarlijks verplicht drie maanden naar Nederland kwam. Dit komt overeen met de door eiser gegeven schriftelijke reactie op de in bezwaar gestelde vragen waarin hij heeft vermeld dat hij in 2022 en 2023 drie maanden in Nederland verbleef. Tevens heeft eiser aangegeven dat hij in 2024 in de maanden maart, april en mei buiten Mexico verbleef, waarvan de laatste weken van mei bij zijn ouders in Nederland. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij noodgedwongen langer in Mexico verbleef. Daarvoor is onvoldoende dat hij ten tijde van de ziekte van zijn vader niet bij zijn ouders in Nederland kon verblijven, omdat daarmee een verblijf buiten Nederland nog niet is verklaard. Op basis van de bovengenoemde omstandigheden in samenhang bezien heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de primaire beslissing langer dan 8 maanden niet in Nederland verbleven. Van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland is dan ook geen sprake. Dat eiser in Nederland staat ingeschreven, zijn kinderen in Nederland wonen en hij hier belasting en premies betaalt, maakt dit, gelet op de feitelijk aan de orde zijnde situatie, niet anders. Dat eiser, zoals hij stelt, vanaf maart 2025 onafgebroken in Nederland verblijft, brengt in het voorgaande geen verandering omdat de uitkering al met ingang van november 2024 is beëindigd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.A. Zorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:887.