ECLI:NL:RBNHO:2026:6978

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/15/364992
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 197 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopig deskundigenbericht bij geschil over restauratie klassieke auto

Verzoeker gaf Glory Days opdracht tot restauratie van zijn klassieke Pontiac Firebird Formula 400, die in juni 2021 werd opgeleverd. Na oplevering constateerde een deskundige diverse gebreken. Partijen lieten gezamenlijk een deskundigenonderzoek uitvoeren door DEKRA, dat concludeerde dat de restauratie op enkele punten onvoldoende was en dat de motor tijdens het onderzoek niet kon worden gestart, waardoor niet alle gebreken konden worden vastgesteld.

Glory Days voerde herstelwerkzaamheden uit, waarna de auto in mei 2023 werd opgehaald. Een tweede deskundige constateerde in september 2023 opnieuw gebreken met herstelkosten van ruim €166.000. Verzoeker stelde Glory Days aansprakelijk, wat werd afgewezen. Vervolgens verzocht verzoeker de rechtbank om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen om meer duidelijkheid te verkrijgen.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek formeel aan de eisen voldeed, maar wees het af op grond van artikel 196 lid 2 Rv Pro. Er was al een gezamenlijk deskundigenrapport dat in beginsel bindend is, tenzij zwaarwegende bezwaren bestaan, die hier niet zijn aangetoond. Bovendien is door het verstreken tijdsverloop en onduidelijkheid over het gebruik en de staat van de auto sinds oplevering niet aannemelijk dat een nieuw onderzoek de staat van de auto bij oplevering kan vaststellen.

De rechtbank concludeerde dat verzoeker onvoldoende belang had bij het verzoek en dat het verzoek in strijd is met de goede procesorde en mogelijk misbruik van bevoegdheid inhoudt. Verzoeker werd veroordeeld in de proceskosten en tot betaling van wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: Het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht wordt afgewezen vanwege onvoldoende belang en het verstreken tijdsverloop.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: C/15/364992 / HA RK 25-67
Beschikking van 18 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. M. de Groot,
tegen

1.GLORY DAYS,

te Schagerbrug,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
3.
[gedaagde sub 3],
te [woonplaats] ,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: Glory Days,
advocaat: mr. S. Jansen.
De zaak in het kort
[verzoeker] heeft aan Glory Days opdracht gegeven om zijn klassieke Amerikaanse auto te restaureren. Volgens [verzoeker] is de restauratie niet goed uitgevoerd en zijn er veel gebreken aan de auto. Partijen hebben gezamenlijk een deskundige naar de auto laten kijken, welke een rapport heeft opgesteld. Daaruit volgt volgens [verzoeker] dat de deskundige de auto niet goed dan wel volledig heeft kunnen onderzoeken, omdat de motor niet werkte ten tijde van het onderzoek. [verzoeker] verzoekt de rechtbank daarom een nieuw deskundigenbericht te bevelen. De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] af.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
In 2017 heeft [verzoeker] aan Glory Days opdracht gegven om zijn klassieke Amerikaanse auto – een Pontiac Firebird Formula 400 – te restaureren.
2.2.
In juni 2021 is de auto door Glory Days opgeleverd aan [verzoeker] .
2.3.
Op 10 juli 2021 heeft [verzoeker] een deskundige – RVO de Klassieker (hierna: RVO) – naar de auto laten kijken. Door de deskundige worden diverse gebreken gerapporteerd.
2.4.
Partijen hebben gezamenljk besloten een deskundigenonderzoek te laten uitvoeren door expertisebureau DEKRA. Het onderzoek door DEKRA vond plaats op 25 februari 2022, het rapport volgde op 21 april 2022. DEKRA heeft onder meer geconcludeerd dat onafhankelijk van de gemaakte afspraken tussen partijen de kwaliteit van de retauratie op een aantal punten onvoldoende is, Uit het rapport volgt verder de motor gedurende het onderzoek niet gestart kon worden, waardoor DEKRA verschillende gestelde gebreken “niet heeft kunnen controleren”.
2.5.
Na het onderzoek van DEKRA heeft Glory Days – uit coulance – werkzaamheden uitgevoerd om de door DEKRA gesignaleerde gebreken te herstellen. Op 1 mei 2023 waren de herstelwerkzaamheden klaar, op 8 juni 2023 heeft [verzoeker] de auto opgehaald.
2.6.
[verzoeker] heeft RVO gevraagd nogmaals naar de auto te kijken. Het onderzoek vond plaats in september 2023. Wederom zijn er gebreken vastgesteld, waarvan de herstelkosten € 166.100,57 zouden bedragen.
2.7.
Op 9 januari 2024 heeft Glory Days een aansprakelijkstelling ontvangen. Bij brief van 11 maart 2024 heeft (de advocaat van) Glory Days de aansprakelijkheid gemotiveerd afgewezen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht te bevelen.
3.2.
Aan het verzoek legt [verzoeker] – samengevat – ten grondslag dat partijen van mening blijven verschillen over de aanwezigheid van gebreken, welke herstelwerkzaamheden nodig zijn, welke kosten die werkzaamheden met zich meebrengen en de vraag of Glory Days aansprakelijk is voor die kosten. Om meer duidelijkheid te verkrijgen is een deskundigenonderzoek nodig. Het deskundigenonderzoek door DEKRA is niet toereikend, omdat de motor tijdens het onderzoek niet kon worden gestart en de gebreken niet volledig konden worden vastgesteld.
3.3.
Glory Days verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert – samengevat – het volgende aan. Volgens Glory Days heeft [verzoeker] onvoldoende belang bij het voorlopig deskundigenbericht, omdat het ruim vier jaar na de oplevering van de auto op 25 juni 2021 voor een deskundige onmogelijk zal zijn om vast te stellen of er gebreken aan de auto waren bij oplevering en in hoeverre deze gebreken zijn terug te voeren op de door Glory Days uitgevoerde werkzaamheden. Verder handelt [verzoeker] volgens Glory Days in strijd met de goede procesorde door om een nieuw deskundigenonderzoek te vragen terwijl er al eerder op gezamenlijk verzoek een deskundige naar de auto heeft gekeken. Ten slotte maakt [verzoeker] volgens Glory Days misbruik van bevoegdheid door een deskundigenbericht te verzoeken dat niet kan bijdragen aan de oplossing van het geschil.

4.De beoordeling

4.1.
Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht ingetreden. Daarbij zijn de bepalingen over voorlopige bewijsverrichtingen, waaronder het voorlopig getuigenverhoor, veranderd. Omdat het verzoek van [verzoeker] na die datum is ingediend, zal zijn verzoek aan deze nieuwe bepalingen worden getoetst. Volgens de parlementaire geschiedenis van deze nieuwe wet gelden de toewijzingscriteria die vóór 1 januari 2025 voor de afzonderlijke voorlopige bewijsverrichtingen golden echter ook na de wetswijziging. [1] De rechtspraak van vóór 1 januari 2025 over de toewijzingscriteria is dus ook ongewijzigd van toepassing.
4.2.
Op grond van artikel 196 Rv Pro kan de rechter voordat een zaak of een geding aanhangig is gemaakt op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen, waaronder een voorlopig deskundigenbericht. De vereisten voor een dergelijk verzoek staan in artikel 197 Rv Pro. Als het verzoek aan de formele vereisten van 197 Rv voldoet, moet de rechter het verzoek om een voorlopige bewijsverrichting toewijzen, tenzij sprake is van en of meer van de in artikel 196 lid 2 Rv Pro genoemde afwijzingsgronden.
Deze afwijzingsgronden zijn:
- de informatie die verlangd wordt, is niet voldoende bepaald;
- er bestaat onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting;
- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen is in strijd met de goede procesorde;
- er is sprake van misbruik van bevoegdheid; of
- andere gewichtige redenen verzetten zich tegen de voorlopige bewijsverrichting.
4.3.
[verzoeker] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Beoordeeld moet dus worden of sprake is van een van de afwijzingsgronden van artikel 196 lid 2 Rv Pro. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en wijst het verzoek van [verzoeker] af. De rechtbank licht dit hierna toe.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat er op gezamenlijk verzoek een deskundige van DEKRA naar de auto heeft gekeken en dat er door deze deskundige ook een deskundigenbericht is uitgebracht. Volgens vaste rechtspraak dient een op gezamenlijk verzoek van partijen uitgebracht deskundigenbericht gelijk te worden gesteld met een door de rechter opgedragen deskundigenonderzoek. Met het buiten rechte laten verrichten van een deskundigenonderzoek verliezen partijen daarom in beginsel het recht op een voorlopig deskundigenonderzoek dat door de rechter wordt gelast. Partijen zijn – behoudens zwaarwegende en steekhoudende bezwaren – in hun onderlinge verhouding gehouden aan het rapport.
4.5.
Van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren is onder andere sprake indien het deskundigenrapport niet voldoet aan daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica.
4.6.
[verzoeker] heeft hierover slechts ter zitting gesteld dat de deskundige van DEKRA op een nonchalante manier naar de auto heeft gekeken. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken over zwaarwegende en steekhoudende bezwaren, zodat het rapport van DEKRA voor de onderlinge verhouding van partijen uitgangspunt is.
4.7.
[verzoeker] heeft verder aangevoerd dat het onderzoek door DERKA niet volledig is, omdat de motor ten tijde van het onderzoek niet liep. Hierdoor konden volgens [verzoeker] niet alle gestelde gebreken goed worden beoordeeld. De rechtbank begrijpt dat [verzoeker] bedoelt dat er dus ten aanzien van bepaalde geschilpunten dan wel gebreken nog geen gezamenlijk rapport van een deskundige is en dat [verzoeker] er daarom belang bij heeft dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht gelast.
4.8.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het onderzoek van een eventuele deskundige zou erop gericht moeten zijn vast te stellen hoe de staat van de auto was op het moment dat deze werd opgeleverd in juni 2021. De rechtbank is van oordeel dat dit niet kan worden vastgesteld.
4.9.
[verzoeker] heeft veel tijd laten verstrijken, ook met periodes waarin hij niets van zich liet horen. Daardoor is niet duidelijk wat er met de auto is gebeurd sinds de oplevering in 2021. [verzoeker] stelt dat er sinds de tweede oplevering van de auto in 2023 – nadat Glory Days herstelwerkzaamheden had uitgevoerd – niets meer met de auto is gebeurd. In ieder geval is [verzoeker] na de oplevering in 2023 – net als na de eerste oplevering in 2021 – 225 kilometer met de auto naar huis gereden. Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat hij vervolgens twee weken met de auto heeft gereden, tot “de motor kapot liep”. Verder blijkt uit het dossier dat de auto daarna nog door RVO is onderzocht en dat er in opdracht van RVO ook nog een APK-keuring is uitgevoerd. Glory Days voert aan dat zij via het internet (www.kentekencheck.nl) naar de uitkomst van de APK-keuring hebben gezocht. Uit de APK-keuring zijn zes aandachtspunten naar voren gekomen, maar over problemen met de motor wordt niets gezegd, aldus Glory Days. Dit heeft [verzoeker] niet gemotiveerd betwist. Maanden na het onderzoek door RVOvolgt in janauri 2024 een aansprakelijkstelling. Nadat de aansprakelijkheid door Glory Days in maart 2024 wordt afgewezen blijft het ruim een jaar stil tot het indienen van het verzoekschrift in mei 2025.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht. Door het aanzienlijke tijdsverloop en de onduidelijkheid over wat er in de tussentijd met de auto is gebeurd, kan niet worden aangenomen dat een deskundige nog iets kan zeggen over de staat van de auto na de oplevering in 2021. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van [verzoeker] zal afwijzen. De rechtbank zal de overige verweersgrondslagen van Glory Days gelet op dit oordeel onbesproken laten.
4.11.
[verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Glory Days worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.209,00
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzochte af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
Deze beschikking is gegeven door mr. B. Voogd, rechter, bijgestaan door de griffier M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2020, 35498, nr. 3, MvT, paragraaf 8