ECLI:NL:RBNHO:2026:7010

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
HAA 25/4239
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Postma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde aanvraag Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Eiser heeft op 1 maart 2025 een herhaalde aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, nadat eerdere aanvragen in 2015 en 2019 waren afgewezen. Het UWV heeft deze aanvraag afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die aanleiding gaven om het eerdere besluit te herzien.

De rechtbank toetst of het UWV zorgvuldig en gemotiveerd heeft gehandeld en of het besluit evident onredelijk is. Uit het medisch dossier en de rapportages van verzekeringsartsen blijkt dat de beperkingen van eiser weliswaar zijn toegenomen, maar dat deze toename geen recht geeft op een Wajong-uitkering. Eiser heeft onvoldoende medische onderbouwing geleverd voor zijn stelling dat hij al in 2020 leed aan een dysthyme stoornis.

De rechtbank concludeert dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn en dat het besluit niet evident onredelijk is. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiser geen aanspraak maakt op een Wajong-uitkering en het griffierecht niet wordt teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de herhaalde Wajong-aanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4239

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Heemskerk, eiser

en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigden: mr. B. de Paus en mr. J.M. Breevoort).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de herhaalde aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de aanvraag van eiser op juiste gronden heeft afgewezen. Dit betekent dat eiser niet alsnog aanspraak kan maken op een Wajong-uitkering. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 1 maart 2025 een Wajong-uitkering aangevraagd.
2.1
Het Uwv merkt deze aanvraag aan als een verzoek om een andere beslissing te nemen op de eerdere aanvraag van een Wajong-uitkering van 17 december 2019. Die aanvraag is destijds afgewezen met het besluit van 16 februari 2020.
2.2
Met het besluit van 25 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag van eiser afgewezen.
2.3
Met het bestreden besluit van 28 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.4
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn vader, en de gemachtigden van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank baseert zich bij de beoordeling op de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.
3.1
Met het besluit van 26 maart 2015 heeft het Uwv de aanvraag van eiser om een Wajong-uitkering afgewezen. Het Uwv heeft eiser destijds in staat geacht meer dan 75% van het maatmanloon te verdienen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en dat is door het Uwv ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is beroep ingesteld dat door de rechtbank met de uitspraak van 28 juli 2016 ongegrond is verklaard. Vervolgens heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitspraak van de rechtbank op 22 februari 2018 bevestigd.
3.2
Naar aanleiding van een tweede aanvraag om een Wajong-uitkering heeft het Uwv met het besluit van 16 februari 2020 besloten niet terug te komen op het besluit van 26 maart 2015. Het daaropvolgende bezwaar van eiser is ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld en de rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard met de uitspraak van 8 november 2021. In hoger beroep heeft de CRvB de uitspraak van de rechtbank op 6 december 2023 bevestigd.
3.3
Niet in geschil is dat bovengenoemde beslissingen van 26 maart 2015 en 16 februari 2020, waarmee de aanvraag van eiser om een Wajong-uitkering werd afgewezen, in rechte vast staan.
3.4
Met het primaire besluit heeft het Uwv de derde aanvraag van eiser om een Wajong-uitkering afgewezen zoals hiervoor (onder procesverloop) is weergegeven. Volgens het Uwv is namelijk niet gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom is er geen reden de afwijzing van een Wajong-uitkering te herzien. Eiser bestrijdt dit en stelt zich op het standpunt dat zijn gezondheidssituatie is verslechterd en dat het hem de afgelopen tien jaar niet is gelukt om te werken. Op grond daarvan heeft eiser verzocht hem alsnog een Wajong-uitkering toe te kennen. De rechtbank dient te beoordelen of het Uwv deze aanvraag op juiste gronden heeft afgewezen door bij zijn eerdere beslissingen te blijven.
3.5
Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt het volgende. Als een bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft afgewezen, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarnaast toetst de bestuursrechter of wat is aangevoerd tot het oordeel leidt dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
3.6
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden moet worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
3.7
De rechtbank stelt voorop dat eiser niet wordt gevolgd in zijn stelling dat het Uwv in het kader van eisers herhaalde aanvraag onzorgvuldig heeft gehandeld ofwel onvoldoende onderzoek heeft verricht naar zijn medische situatie en beperkingen. Zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts in bezwaar en beroep hebben het medisch dossier van eiser bestudeerd en op basis daarvan beoordeeld of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden waarmee eerder geen rekening is gehouden. Een fysiek spreekuur werd blijkens de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 augustus 2025 niet van toegevoegde waarde geacht, omdat de te boordelen periode ver in het verleden ligt en in 2015 al tweemaal een beoordeling met een fysiek spreekuur is uitgevoerd. De rechtbank acht dit standpunt navolgbaar. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest.
3.8
Verder is de rechtbank van oordeel dat het Uwv met juistheid heeft geoordeeld dat van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden geen sprake is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt in haar rapportage van 20 augustus 2025 hieromtrent terecht op dat het gegeven dat eiser al sinds 13 jaar thuis zit en sinds 2014 ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning ontvangt, niet maakt dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden waardoor er anders geoordeeld moet worden over de rechthebbende periode. Dat de beperkingen van eiser sindsdien zijn toegenomen - er zijn onder meer nieuwe diagnoses gesteld na de rechthebbende periode – ontkent zij niet. Dit geeft echter geen recht op uitkering, aldus - terecht - de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
3.9.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiser dat hij tijdens de herbeoordeling in 2020 al leed aan een dysthyme stoornis (chronische depressie), alleen al omdat hij een en ander niet met medische stukken onderbouwt.
3.1
In wat eiser naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Uwv het verzoek om terug te komen op het besluit van 16 februari 2020 heeft kunnen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen aanspraak maakt op een Wajong-uitkering. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Postma, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.