Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:7207

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
15/350916-25 en 15/228013-23 (TUL)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit van MDMA, cocaïne, geladen revolver en illegaal geneesmiddel

De rechtbank Noord-Holland heeft op 16 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die op 15 juli 2025 te Haarlem werd betrapt met 111,15 gram MDMA, 63,35 gram cocaïne, een geladen revolver en 40 pillen Kamagra zonder handelsvergunning. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van een afzonderlijk feit van 28 december 2024.

De verdachte werd vrijgesproken van het medeplegen van de feiten en van het bezit van ketamine, omdat het bezit van de werkzame stof ketamine niet gelijkstaat aan bezit van een geneesmiddel. De bewezenverklaring berustte onder meer op bekennende verklaringen, proces-verbalen van binnentreden en forensisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut.

De rechtbank kwalificeerde de feiten als overtreding van de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en de Geneesmiddelenwet. Gelet op de ernst van de feiten, het gevaar van het geladen vuurwapen en het strafblad van de verdachte, werd een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals behandeling en dagbesteding.

Daarnaast werd een eerdere voorwaardelijke straf uit 2023 ten uitvoer gelegd, maar omgezet in een taakstraf van 180 uur, subsidiair drie maanden hechtenis. De rechtbank legde uitgebreide bijzondere voorwaarden op, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en controles op middelengebruik.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf waarvan vijf maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige Economische strafkamer
Parketnummers: 15/350916-25 en 15/228013-23 (TUL) (P)
Uitspraakdatum: 16 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres],
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie mr. M. Sobering en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. van Wijk, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- ongeveer 111,15 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of
- ongeveer 63,35 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2
hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Forehand Arms, type .32, kaliber .32 auto (7.65 x17 mm centraalvuur) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad en/of (bijhorende) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf patronen (van het kaliber .32 en/of 7,65x17mm, volmantel centraalvuur);
Feit 3
hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk veertig, althans een hoeveelheid, pillen/tabletten Kamagra en/of 2,04 gram, althans een hoeveelheid, ketamine, in elk geval een geneesmiddel, als bedoeld in artikel 1 sub b van Pro de Geneesmiddelenwet, waarvoor geen handelsvergunning gold, in voorraad heeft gehad;
Feit 4 (15-078289-25)
hij op of omstreeks 28 december 2024 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is. De verdenking zoals tenlastegelegd onder de feiten 1 en 2 betreffen commune delicten, feit 3 is een economisch delict. Uit de tenlastelegging en het dossier volgt dat de verdenking erop ziet dat de verdachte op 15 juli 2025 deze drie feiten in samenhang met elkaar heeft gepleegd. Het onder feit 4 tenlastegelegde ziet op een ander feitencomplex, dat zich op 28 december 2024 zou hebben afgespeeld. Hieruit volgt dat de rechtbank op grond van het in artikel 39, eerste lid van de Wet op de economische delicten, bevoegd is om, naast de verdenking onder feit 3, ook kennis te nemen van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde, maar niet van het onder feit 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van dat feit zal zij zich onbevoegd verklaren. Dit brengt mee dat de rechtbank ook geen beslissing neemt ten aanzien van het in die zaak onder de verdachte in beslag genomen geld. De rechtbank stelt verder vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.De standpunten

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, waarbij zij ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 heeft gevorderd de verdachte partieel vrij te spreken van het onderdeel medeplegen. Daarnaast heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 3 gevorderd de verdachte partieel vrij te spreken van het in voorraad hebben van ketamine.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman sluit zich aan bij wat de officier van justitie naar voren heeft gebracht over het bewijs, waaronder de partiële vrijspraken. Verder heeft hij, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte, geen bewijsverweer gevoerd en geen vrijspraak bepleit.

4.Het oordeel van de rechtbank

4.1
Partiële vrijspraak
Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onderdeel medeplegen. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging is geen bewijs.
Ten aanzien van feit 3
Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde in voorraad hebben van ketamine. De rechtbank overweegt daartoe dat de bij de verdachte aangetroffen vorm van ketamine weliswaar een werkzame stof als bedoeld in de Geneesmiddelenwet betreft, maar geen geneesmiddel is in de zin van de Geneesmiddelenwet. Nu enkel het bezit van het geneesmiddel en niet het bezit van de werkzame stof ten laste is gelegd, moet de verdachte van dit onderdeel worden vrijgesproken.
4.2
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu de verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
Feit 1
- de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 2 juni 2026 heeft afgelegd;
- een proces-verbaal van binnentreden in woning van 15 juli 2025 (dossierpagina 16 e.v.);
- een proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2025 (dossierpagina 36 e.v.);
- een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 22 augustus 2025 (dossierpagina 108 e.v.);
- een schriftelijke bescheid, te weten een rapport NFiDENT van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 augustus 2025 (dossierpagina 117);
- een schriftelijke bescheid, te weten een rapport NFiDENT van het Nederlands Forensisch Instituut van 8 augustus 2025 (dossierpagina 118);
- een schriftelijke bescheid, te weten een rapport NFiDENT van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 augustus 2025 (dossierpagina 119);
- een schriftelijke bescheid, te weten een rapport NFiDENT van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 augustus 2025 (dossierpagina 120);
- een schriftelijke bescheid, te weten een rapport NFiDENT van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 augustus 2025 (dossierpagina 121);
- een schriftelijke bescheid, te weten een rapport NFiDENT van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 augustus 2025 (dossierpagina 122);
Feit 2
- de bekennende verklaring die de verdachte op 27 december 2025 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd;
- een schriftelijke bescheid van 15 juli 2025, inhoudende een kennisgeving van inbeslagname (dossierpagina 173);
- een proces-verbaal van bevindingen van 16 juli 2025 (dossierpagina 23 e.v.);
- een proces-verbaal van determinatie onderzoek vuurwapen en munitie van 14 november 2025 (dossierpagina 93 e.v.);
Feit 3
- de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 2 juni 2026 heeft afgelegd;
- een proces-verbaal van binnentreden in woning van 15 juli 2025 (dossierpagina 16 e.v.)
- een schriftelijke bescheid, te weten een productbeoordeling 26-051 van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van 27 mei 2026;
- een schriftelijke bescheid, te weten een bevoegdheidsbeoordeling 26-051 van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van 29 mei 2026.
4.3
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1
hij op 15 juli 2025 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad 111,15 gram MDMA en
63,35 gram cocaïne;
Feit 2
hij op 15 juli 2025 te Haarlem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Forehand Arms, type .32, kaliber .32 auto 7.65 x17 mm centraalvuur voorhanden heeft gehad en bijhorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf patronen van het kaliber .32 en/of 7,65x17mm, volmantel centraalvuur;
Feit 3
hij op 15 juli 2025 te Haarlem opzettelijk veertig pillen Kamagra, waarvoor geen handelsvergunning gold, in voorraad heeft gehad.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Feit 2:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Feit 3:overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

6.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

7.Motivering van de sanctie

7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 28 mei 2026, te worden verbonden, met een proeftijd van twee jaren.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en aan de verdachte voor alle feiten een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, op te leggen.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van in totaal 111 gram MDMA en 63 gram cocaïne. MDMA en cocaïne zijn voor de gebruikers ervan schadelijke stoffen. Drugscriminaliteit heeft een grote ondermijnende werking in de samenleving en leidt vaak, direct en indirect, tot allerlei vormen van andere criminaliteit, zoals (ernstige) geweldsdelicten. De verdachte heeft met het bezit van drugs bijgedragen aan deze keten van criminele activiteiten.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie. Het vuurwapen is in de woning van de partner van de verdachte in geladen toestand, met in het magazijn vijf patronen, aangetroffen. De gevaarzetting die hiervan uitgaat is groot. Het bezit van vuurwapens brengt onaanvaardbare risico’s met zich mee voor de veiligheid van de samenleving als geheel en personen in het bijzonder. De combinatie van het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen en ongeveer 174 gram cocaïne, MDMA en een geneesmiddel, geven het beeld van iemand die handelt in drugs.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk in voorraad hebben van een hoeveelheid illegaal geneesmiddel, te weten Kamagra. De toelating, kwaliteit en werkzaamheid van geneesmiddelen en het voorschrijven, verhandelen en in voorraad hebben daarvan is verbonden aan een streng systeem van voorschriften en vergunningen. Dit heeft er onder andere mee te maken dat op het gebruik van bepaalde geneesmiddelen controle nodig is in het belang van de volksgezondheid. Zo zijn sommige geneesmiddelen niet voor iedereen geschikt of nodig, zijn sommige combinaties van middelen gevaarlijk voor de gezondheid en kunnen zij bijwerkingen of een verslavende werking hebben. Op dergelijke veiligheidsaspecten is geen controle meer indien geneesmiddelen illegaal worden verhandeld en dat brengt dan ook risico’s met zich mee, zowel voor (de gezondheid van) de gebruikers als voor de samenleving in het algemeen. De verdachte heeft kennelijk geen oog gehad voor die risico’s en heeft met zijn handelen de volksgezondheid dan ook in gevaar gebracht.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op
het Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor van opiumwetdelicten en wapendelicten is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
De rechtbank betrekt bij de straftoemeting ook het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland van 28 mei 2026. De reclassering constateert op basis van de delictsgeschiedenis van de verdachte een actueel delictpatroon wat betreft druggerelateerde feiten en vuurwapenbezit en acht de kans op recidive hoog. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende opname, dagbesteding, aflossing van schulden, beheersing van middelengebruik en ambulante begeleiding. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij bereid is om mee te werken aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten en het strafblad van de verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. In strafverzwarende zin weegt daarnaast mee dat het wapen schietklaar was en dat de verdachte nog in een proeftijd liep van een veroordeling voor soortgelijke feiten. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank, naast wat hiervoor is overwogen, ook gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het LOVS.
De rechtbank vindt een voorwaardelijk strafdeel passend, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. De rechtbank acht van groot belang dat de verdachte zich laat behandelen en dagbesteding krijgt. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden daarom de geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden.

8.Het beslag

Onder de verdachte is een geldbedrag van € 434,15 in beslag genomen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de het geldbedrag teruggegeven zal worden aan de verdachte. De raadsman heeft zich daarbij aangesloten.
Zoals hiervoor onder 2. vermeld acht de rechtbank zich niet bevoegd om van het onder 4 tenlastegelegde feit kennis te nemen. Dit brengt mee dat zij niet toekomt aan een beslissing over het met betrekking tot die verdenking onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 434,15.

9.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 11 december 2023 in de zaak met parketnummer 15/228013-23 heeft de politierechter te Haarlem de verdachte ter zake van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 8 februari 2024 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 5 februari 2024 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit dit vonnis blijkt dat de verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank zal echter bepalen dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf, de verdachte een taakstraf zal moeten uitvoeren. Deze taakstraf bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 uur, subsidiair drie maanden hechtenis.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet;
26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
40 van de Geneesmiddelenwet;
1, 2 en 6 Wet economische delicten.

11.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het tenlastegelegde onder feit 4.
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
twaalf (12) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijf (5) maanden
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als
bijzondere voorwaardendat:
Meldplicht bij de reclasseringde verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij GGZ Fivoor Haarlem op het adres Zijlweg 148 – C in Haarlem. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.
Diagnostiek en ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende opname
de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan diagnostiek en zich laat behandelen door Ambulant Centrum Haarlem of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en cognitieve vaardigheden.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, en nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
3.
Dagbesteding
de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
4.
Aflossing van schulden
de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
5.
Beheersing van middelengebruik
de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen, van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), of lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
6.
Ambulante begeleiding
de verdachte ambulante begeleiding accepteert voor ondersteuning bij praktische zaken van een instantie nog te bepalen door de reclassering. Hij houdt zich aan afspraken en aanwijzingen van de ambulante begeleiding.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-228013-23, met dien verstande dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 december 2023, wordt opgelegd een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van honderdtachtig (180) uren, subsidiair drie (3) maanden hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.A.M. Tel, voorzitter,
mr. P.A. Hesselink en mr. A. Talmricht, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. J.E. Lee en mr. E.T. Golstein,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026.